Te jaloers voor dankbaarheid
Dankdag (Deuteronomium 24,14-15 en Matteüs 20,1-16)
Een bonus krijgen voor je werk vindt niemand vervelend. Anders wordt het wanneer je hetzelfde werk doet als je collega die wel een bonus krijgt, terwijl jij alleen het loon krijgt waarop je recht hebt. Jaloezie is dan geboren. Het lukt dan niet meer om dankbaar te zijn voor dat wat je hebt gekregen.
Matteüs 20,1-16 haakt in op dit universele gevoel van mensen dat gelijke arbeid ook gelijk beloond moet worden. De gelijkenis komt na het verhaal over de jongeman die voor zijn gevoel alles al gedaan had om in het Koninkrijk der hemelen te komen, maar de opdracht kreeg om ook afstand te doen van zijn bezit. Daarop ‘ging hij terneergeslagen weg’ (19,22), omdat hij veel bezit had. Petrus vroeg daarna wat er dan wel niet voor de leerlingen weggelegd moest zijn, aangezien zij al hun bezit en zelfs hun familie hadden achtergelaten voor Jezus (19,27).
Wat levert het mij op?
De redenering van Petrus is eenvoudig: als de jongeman toegang krijgt tot het Koninkrijk der hemelen door afstand te doen van zijn bezit, dan moet er voor de leerlingen nog meer weggelegd zijn, omdat zij van zoveel meer afstand hebben gedaan hebben. Meer inzet zal ruimer beloond worden, zo is de gedachte. Inderdaad is er veel weggelegd voor Petrus en de zijnen: zij mogen rechtspreken (19,28). Maar Jezus maakt door de gelijkenis die vanaf 20,1 verteld wordt, duidelijk dat dit geen verworvenheid vanwege hun inzet is, maar een gunst die God geeft in zijn genade. Veel hebben ze al, meer kunnen ze krijgen. Maar ze kunnen er geen recht op doen gelden of het opeisen door hun inzet.
Het doet denken aan de discussie tussen de vader en de oudste zoon in Lucas 15,11-32. De oudste zoon heeft zich overal voor ingezet en vindt het moeilijk te verkroppen dat de jongste zoon met minder inzet toch veel krijgt van de vader. Ook daar is het de gunst van de vader, die ieder geeft wat hij heeft beloofd, maar ook de vrijheid heeft om meer te geven als hij dat wil. ‘God vervult niet al onze wensen, maar wel zijn beloften,’ wordt wel gezegd. En dat is precies de kern van de gelijkenis van Matteüs 20,1-16.
Als de heer van de wijngaard eropuit trekt is hij als de herder die op zoek gaat naar de verloren schapen. De Heer van het Koninkrijk der hemelen is niet afwachtend, maar gaat op zoek naar mensen om in zijn wijngaard – bijbels beeld voor Gods Koninkrijk – aan de slag te gaan. De heer van de wijngaard treft dagloners die hij een redelijk loon wil uitbetalen als ze bij hem komen werken. Voor de tweede lichting dagloners wordt geen bedrag genoemd, maar alleen dat de betaling ‘rechtvaardig’ zal zijn. Voor de derde en vierde groep arbeiders handelt de heer ‘als tevoren’; bedrag of benaming van de beloning wordt niet meer genoemd (20,5). Bij de vijfde groep evenmin, maar daar is wel een dialoog opgenomen (20,6-7). Alle arbeiders worden buiten de wijngaard geworven, en door de heer gestuurd: ‘Gaan jullie ook maar naar mijn wijngaard.’
Vriend
De aansluiting bij de vraag van Petrus in 19,27 zit in het tweede deel van de gelijkenis, waar het gaat om de uitbetaling en de discussie die daarover ontstaat. Als de laatste werkers worden uitbetaald met het loon dat met de eerste werkers overeen was gekomen, stijgt de verwachting van de eerste werkers dat zij ‘wel meer zouden krijgen’ (20,10). Als ze hun beklag komen doen omdat dit niet het geval is, worden ze door de heer niet als arbeider, maar als ‘vriend’ (Gr.: hetaire – 20,13) aangesproken. De relatie heeft meer emotionele betrokkenheid dan die van een normale werkgever-werknemerrelatie.
Kernwoord in de beloning in 20,1-7 was dat het loon ‘rechtvaardig’ (Gr.: dikaion – 20,4), zou zijn. Daarom benadrukt de heer nu: ‘Ik handel niet onrechtvaardig’ (Gr.: ouk adikoo – 20,13). De heer van de wijngaard is rechtvaardig jegens ieder die hij in zijn wijngaard gezonden heeft. Niet de wens van de werker is beslissend, maar de belofte en wil van de landheer (20,14 – zie ook Deut. 24,14-15 waar gezegd wordt dat je een arbeider niet het loon mag onthouden dat hem is toegezegd). Het geld is uiteraard een metafoor voor wat de Heer van het Koninkrijk der hemelen kan geven, en totaal niet in geld is uit te drukken.
Met de zin ‘Ben je jaloers omdat ik goed ben?’ (20,15) wordt de vinger op de zere plek gelegd, ook voor de hedendaagse hoorders van de gelijkenis. Ook al krijg je wat je beloofd is, toch voelt het als onrecht als iemand anders voor minder inzet hetzelfde krijgt. Het rechtvaardigheidsgevoel van de Heer strijdt met ons particuliere en egoïstische rechtvaardigheidsgevoel waarin we onszelf toch meestal op de eerste plaats zetten. Precies daarom sluit de gelijkenis af met ‘de eersten die de laatsten zullen zijn’.
Joodse gelijkenissen uit de omgeving van Matteüs gaan ook wel over het loon dat je zult krijgen voor je inzet voor Gods Rijk. Maar daar gaat het om loon dat pas in de toekomstige wereld zal worden uitbetaald, terwijl Matteüs het perspectief dichterbij legt: Gods Koninkrijk is reeds aangebroken, en dus ook de betaling. Als je daar nu aan bijdraagt, zoals de discipelen doen, moet je je niet bij voorbaat bevoorrecht voelen boven anderen (19,27-30). De gelijkenis is dus ook een oproep om in dank te aanvaarden wat je beloofd is: dat komt je toe (20,14), dat is je gegeven en mag ontvangen worden. Dankbaar zijn voor wat je krijgt, zonder dat je dat vergelijkt met wat de ander krijgt. Eenvoudig is het niet, Gods plan is het wel.
Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.