Eerste zondag van de herfst
OT: Jona 3,10 -4,11 Psalm: Psalm 145,1 -12 EV: Matteüs 20,1 -16 Epistel: Filippenzen 1,21 -27 Overig: Jezus Sirach 8,1 -19 Alternatieven:
OT: Jona 3,10 -4,11 Psalm: Psalm 145,1 -12 EV: Matteüs 20,1 -16 Epistel: Filippenzen 1,21 -27 Overig: Jezus Sirach 8,1 -19 Alternatieven:
De gemeenschap van de volgelingen van Jezus is begonnen als een ‘Jezusbeweging’. Lucas vertelt hoe dezelfde Geest die Jezus inspireerde, nu door middel van zijn volgelingen helend en bevrijdend werkzaam is en vanuit Jeruzalem de gehele bewoonde wereld door gaat. Alles draait erom dat dit niet gebeurd is op grond van een door mensen tevoren bedacht en uitgewerkt beleidsplan, maar dat mensen zich gevoegd hebben in de zuigkracht van de Geest.
In deze boeiende passage treffen we allerlei vormen van tegenstellingen aan: de belangrijkste versus de minste, de volwassen discipelen versus het kind, zitten versus staan. Al die tegenstellingen dienen Jezus’ boodschap over het tegendraadse karakter van het Koninkrijk van God. In het onderstaande werk ik een aantal van die tegenstellingen uit.
Jona’s vlucht om aan zijn opdracht te ontkomen heeft hem doen afdalen tot in de zee, tot aan de fundamenten van de bergen (‘afdalen’ – 1,3.3.5; 2,7). Daar klinkt ook de omkeer: JHWH doet hem ‘opgaan uit de groeve’ (2,7). De vraag is: zal Jona de herkansing aangrijpen om gevolg te geven aan zijn roeping?
Jona en Matteüs vertellen over de ergerniswekkende goedheid van God. De God van Jona en de landheer van Matteüs zijn uitermate ruimhartig, wat verkeerd valt bij de profeet en bij de arbeiders van het eerste uur. Je kunt die ergernis zelf meevoelen met Jona en de arbeiders. Maar kun je dezelfde situatie ook bezien alsof je een Nineviet was of een werker van het laatste uur? Zou je ook met de Eeuwige en met Jezus mee kunnen kijken en het goddelijk perspectief het zwaarst kunnen laten wegen?
Het verbindende thema tussen de oudtestamentische lezing en het evangelie is Gods oordeel over menselijk handelen jegens de medemens. In de tekst uit Amos gaat de minachtende behandeling van minder geprivilegieerden zo ver dat het oordeel onvermijdelijk is. De rentmeester uit Lucas gebruikt de korte tijd die hem nog blijft voor hij de balans moet opmaken, ten gunste van zijn medemensen.