Kind, slaaf, dienaar: de minste zijn
1e zondag van de herfst (Marcus 9,30-37)
In deze boeiende passage treffen we allerlei vormen van tegenstellingen aan: de belangrijkste versus de minste, de volwassen discipelen versus het kind, zitten versus staan. Al die tegenstellingen dienen Jezus’ boodschap over het tegendraadse karakter van het Koninkrijk van God. In het onderstaande werk ik een aantal van die tegenstellingen uit.
Het kind
Een relatief nieuwe ontwikkeling in de bijbelwetenschappen is de opkomst van childist studies, een vakgebied waarin het perspectief van het kind – als verhaalpersonage en als deel van het publiek – centraal staat. Wat vanuit dat perspectief opvalt in deze passage is de centrale rol van het kind, zonder dat het iets doet of zegt. Dat het kind geen actor is, is ergens ook weer niet verbazingwekkend, omdat kinderen in de bijbelse wereld niet als volwaardige mensen werden gezien. De kinderen die eerder in het Evangelie van Marcus passeerden, zijn daar goede illustraties van: ze zijn terminaal ziek (5,23), door demonen bezeten (7,25; 9,17) of het slachtoffer van manipulatieve en wrede ouders (6,22-25).
In de rabbijnse literatuur valt op hoe kinderen altijd in één adem genoemd worden met vrouwen en slaven.1 Voor al deze drie categorieën gold dat zij onder het gezag vielen van de pater familias (een volwassen man) en van veel religieuze plichten gevrijwaard waren. Tekenend is in dit opzicht ook dat het Griekse woord voor kind dat hier gebruikt wordt, paidion, zowel betrekking kan hebben op een kind als op een slaaf(je). Net als in de periode van de koloniale slavernij werden slaven in de Oudheid vaak met kinderen vergeleken en als zodanig aangesproken (vgl. het Engelse boy dat in het Amerikaanse zuiden zowel een jongetje kan aanduiden als een volwassen slaafgemaakte).
Het is in dit specifieke geval zeker niet ondenkbaar dat Jezus een kind-slaaf (die bijvoorbeeld verantwoordelijk was voor het bijvullen van de bekers) naar zich toetrok. Het zou bovendien een goede verklaring zijn van waarom het kind überhaupt aanwezig was bij het gezelschap – ik kom hier nog op terug.
In het volgende hoofdstuk (Marc. 10,13-16) vinden we een enigszins gelijksoortige scène. Ditmaal worden er verschillende kleine kinderen (Gr.: paidia) naar Jezus toegebracht. Als de discipelen dat proberen te voorkomen, zegt Jezus: ‘Laat de kinderen bij Me komen, houd ze niet tegen, want het Koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het Koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’ Het woord dat de NBV hier vertaalt met ‘openstaat’, kan ook vertaald worden met ‘ontvangen’ en is hetzelfde Griekse woord dat in Marcus 9,37 gebruikt wordt (daar vertaald met ‘opnemen’). Het ontvangen van een kind en het ontvangen als een kind lijken dus nauw met elkaar verbonden te zijn – beide vormen in ieder geval een weg naar God en diens Koninkrijk.
Dienaar
Dit alles krijgt nog meer diepte als we 9,35 erbij betrekken. Jezus zegt daar volgens Marcus: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’ Vergelijkbare woorden treffen we ook aan in de andere evangeliën (Luc. 22,26; Mat. 23,11). Dat Jezus het hier eerst over dienaarschap heeft (het Griekse diakonos verwijst dikwijls naar een tafelbediende) en direct daarna de paidion naar zich toe trekt (letterlijk: ‘pakt’), versterkt de gedachte dat de paidion een voorbeeld van zo’n dienaar is – of in ieder geval die rol vervult in deze specifieke setting.
Daarbij komt dat Jezus – en vermoedelijk de discipelen – zitten (vs. 35), terwijl de paidion staat (vs. 36). Hoewel dat in moderne oren wellicht klinkt alsof het kind de dominante positie heeft, is niets minder waar. Bij een samenzijn in de Oudheid – in het bijzonder voor een maaltijd – zaten of lagen de gasten, terwijl vrouwen, kinderen en/of slaven langs het gezelschap liepen om de gasten te bedienen. Verschillende antieke mozaïeken (bijvoorbeeld uit Pompeï) zijn hier goede illustraties van. Belangrijk is dat deze tafelbedienden zo ongemerkt mogelijk hun werk deden. Analyses van luxe woningen in Pompeï laten zien dat er voor slaven/bedienden speciale looproutes waren, waardoor ze zoveel mogelijk uit het zicht van de slaveneigenaren en hun gasten bleven.2
Wee de bediende die per ongeluk spetterde bij het inschenken en daarmee de aandacht van de eters op zich vestigde… Uit rabbijnse gelijkenissen (bijv. Misjna Soeka 2,9) weten we dat zo’n slaaf niet op veel waardering hoefde te rekenen.3
Minder, minder, minst
Als we deze reconstructie volgen, verwees Jezus met zijn diakonos naar een ‘onzichtbare aanwezige’, een tafelbediende. Hij roept zijn discipelen op als een dergelijk persoon allen te dienen – jezelf letterlijk wegcijferend voor anderen. Maar dan gaat Hij in zekere zin nog een stap verder, zijn uitspraak herhalend en versterkend in vers 36-37 met het voorbeeld van het kindje. Net nadat Jezus zijn discipelen had opgeroepen het onmogelijke te doen en te worden als de jonge tafelbediende, stelt Hij dat wie zich vervolgens dienstbaar opstelt ten opzichte van die tafelbediende door hem of haar te ontvangen in Christus naam, ook God ontvangt.
Zodra je dus denkt dat je er bent door de positie van ‘ieders dienaar’ in te nemen, word je uitgedaagd nóg een extra stap te zetten en je een nóg nederigere houding aan te meten. Met deze verbluffende en eigenlijk onhaalbare boodschap maakt Jezus een abrupt einde aan de ijdele en zelfingenomen discussie van de leerlingen over wie van hen het belangrijkste zou zijn.
Deze exegese is opgesteld door Martijn Stoutjesdijk.
- Zie bijv. Catharine Hezser, Jewish Slavery in Antiquity, Oxford, 2005, p. 22 ↩︎
- Sandra R. Joshel and Lauren Hackworth Petersen, The Material Life of Roman Slaves, New York, 2014, p. 61 ↩︎
- Zie M.J. Stoutjesdijk, ‘Not Like the Rest of the Slaves?’ Slavery Parables in Early Rabbinic and Early Christian Literature, diss. Tilburg University, 2021, p. 207. ↩︎