Zesde zondag van de herfst
OT: Deuteronomium 6,1 -9 Psalm: Psalm 1 EV: Matteüs 22,34 -46 Epistel: 1 Tessalonicenzen 2,1- 8 Overig: Alternatieven: 1 Tessalonicenzen 2,5 -13
OT: Deuteronomium 6,1 -9 Psalm: Psalm 1 EV: Matteüs 22,34 -46 Epistel: 1 Tessalonicenzen 2,1- 8 Overig: Alternatieven: 1 Tessalonicenzen 2,5 -13
De perikoop van vandaag vormt een sleutelpassage in het Marcusevangelie. Bartimeüs wordt geportretteerd als een modelleerling van Jezus. Hij doorziet als blinde wie deze ‘Rabboeni’ is. Daarom krijgt hij in Marcus ‘een naam’ en wordt zijn gezichtsvermogen hersteld. Na zijn eigen opstanding volgt hij Jezus vol vertrouwen ‘op de weg’.
‘Gij moet JHWH uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.’ Zo klinkt het in Deuteronomium. En zo horen we het ook bij Matteüs. Alleen, bij de evangelist wordt deze uitspraak gevolgd door: ‘het tweede gebod daarmee gelijkwaardig, gij zult uw naasten beminnen als uzelf.’
Het is geen willekeurig citaat uit de Tora dat door Jezus aangehaald wordt als antwoord op de vraag naar het grootste gebod. De joodse traditie kent de tekst van de eerste lezing als de geloofsbelijdenis van Israël vanwege de woorden in 6,4: (Hebr.) sjema‘ jisra’el ’adonai ’èlohenoe ’adonai ’èchad. Het is erkenning van God áls God, die men zal liefhebben met heel zijn wezen.
Het gemis van een kind kan heel groot zijn. Je leven kan nog zo vervuld lijken, ergens is er een ‘gat’. In de perikoop van vandaag bespeurt Elisa’s knecht Gechazi dat de Sunamitische financieel rijk is, maar ergens armoede lijdt. Daarop onderneemt Elisa actie.
Zowel in Psalm 84 als in de Lucaslezing gaat het over mensen die in de tempel komen. De tempel, niet de synagoge, dus de plek waar er maar één van is, het hart van het geestelijk universum. Het gaat niet over ‘naar de kerk gaan’ maar over ‘voor God verschijnen’, niet over je weekritme maar over je levensreis. Over de grote ontmoeting, niet over de wekelijkse samenkomst.