Fundament en gebouw
6e zondag van de herfst (Deuteronomium 6,1-9 en Matteüs 22,34-46)
Het is geen willekeurig citaat uit de Tora dat door Jezus aangehaald wordt als antwoord op de vraag naar het grootste gebod. De joodse traditie kent de tekst van de eerste lezing als de geloofsbelijdenis van Israël vanwege de woorden in 6,4: (Hebr.) sjema‘ jisra’el ’adonai ’èlohenoe ’adonai ’èchad. Het is erkenning van God áls God, die men zal liefhebben met heel zijn wezen.
In een mezoeza aan de deurpost van een joodse woning bevindt zich een rolletje perkament waarop de tekst van Deuteronomium 6,4-5 geschreven staat. Vrome joden hopen te sterven met de woorden van het Sjema op de lippen.
De lezing uit Deuteronomium maakt deel uit van een van de lange toespraken die Mozes nog in de woestijn houdt voor het volk van Israël, waarin hij vooruitblikt en het volk met het oog op de toekomst in het Beloofde Land instrueert. De tekst eindigt met de aansporing van Mozes aan de Israëlieten om er met hun kinderen over te spreken, ja, zelfs om de kinderen de geboden in te prenten op alle mogelijke wijzen.
Gemeenschappelijk
De lezing uit Matteüs 22 maakt deel uit van een reeks confrontaties van Jezus met zijn opponenten, vooral met de farizeeën en de sadduceeën. Vanaf het moment dat Jezus de tempel van Jeruzalem binnengaat (Mat. 21,12) is er sprake van in heftigheid toenemende twistgesprekken over verschillende onderwerpen. Zo voerde Jezus in het voorafgaande een discussie met de sadduceeën over de opstanding van de doden. De gelijkenissen die Jezus nu vertelt krijgen een uitgesproken lading mee, gekleurd door deze discussies op het scherp van de snede (zie 21,45).
We moeten deze polemiek echter niet beschouwen als een ‘afrekening’ in het religieuze circuit. Binnenjoodse discussies over het juiste begrip van Schrift en Traditie (denk in dit verband ook aan de felle bewoordingen van Matteüs 23) kunnen alleen maar plaatsvinden op grond van iets fundamenteels dat niet ter discussie staat. Jezus kan alleen maar zo fel debatteren met de farizeeën en de schriftgeleerden, omdat er sprake is van een gemeenschappelijk uitgangspunt. Voordat je de verschillen in deze discussies benadrukt, moet je eigenlijk eerst het gemeenschappelijke benoemen. Dan krijg je ook oog voor wat de gesprekspartners ondanks alle onderlinge verschillen met elkaar delen.
Vooropgezette bedoeling
De wetgeleerde die Jezus een vraag stelde had er een bedoeling mee, namelijk ‘om Hem op de proef te stellen’ (22,35). Hier wordt hetzelfde werkwoord gebruikt als bij de confrontatie met de duivel in de woestijn (4,1 – Gr.: peiradzoo, ‘verzoeken’). Zoals Jezus in de woestijn op de proef gesteld werd om zijn motieven duidelijk te krijgen, in een directe confrontatie waarbij de juiste omgang met de Schrift een cruciale rol speelde, zo wordt Jezus nu door een wetgeleerde aan de tand gevoeld over zijn schriftinterpretatie. Welke leidende beginselen hanteert Jezus daarbij?
Het gaat erom dat Jezus duidelijkheid verschaft over de sleutel die Hij gebruikt om de Schrift te ‘openen’. Eerder lazen we al bij Matteüs dat het Jezus in het geheel niet te doen was om het ontbinden van de Wet of de Profeten (5,17). Integendeel! Dat het hier in feite draait om het bepalen van het leidende beginsel en dat het níet gaat om het geven van een soort samenvatting, blijkt ook uit vers 40: ‘Aan deze twee geboden hangen (Gr.: krematai) heel de Wet en de Profeten.’ Het dubbelgebod van de liefde is de dragende grond, maar komt niet in de plaats van alle afzonderlijke bepalingen. Fundament en gebouw moet je niet met elkaar verwarren. Je moet de blik niet richten op een vinger die naar de maan wijst, je moet kijken naar de maan zélf!
Vraag en antwoord
De vraag van de wetgeleerde luidt: ‘Wat is het grootste gebod in de Wet?’ Men kan echter ook vertalen met: ‘het grote gebod’, waarbij men moet denken aan het onderscheid tussen grote en kleine (of: lichte en zware) geboden. Men wilde immers al vroeg een zekere rangorde aanbrengen in het geheel van de 613 voorschriften in de Wet (het aantal wordt in verband gebracht met de getalswaarde van het Hebreeuwse woord torah). De 613 voorschriften worden onderverdeeld in 248 geboden (evenveel als er botten in het menselijk lichaam zijn) en 365 verboden (evenveel als er dagen in het jaar zijn). De gedachte daarbij is, dat het naleven van de Wet vraagt om een totale inzet, zowel wat de menselijke mogelijkheden betreft, als de tijden waarop dat moet gebeuren.
Jezus antwoordt op de gestelde vraag vanuit het Sjema, waaraan Hij Leviticus 19,18 toevoegt als het tweede gebod dat gelijk is aan het grootste en eerste. Aan de rechtmatigheid van deze combinatie van Schriftteksten ligt een algemeen aanvaarde rabbijnse interpretatieregel ten grondslag, (Hebr.:) gezera sjawa, ‘identieke bepaling’, waarvan de intentie luidt dat het geoorloofd is om schriftteksten die door analogie verwant zijn, met elkaar in verband te brengen. In de paralleltekst bij Marcus (12,32-34) stemt de schriftgeleerde nadrukkelijk in met het antwoord dat Jezus gegeven heeft. Hij deelt zijn visie en kan zich helemaal vinden in deze sleutel voor het verstaan van heel de Wet.
Het tweeledig antwoord van Jezus is voor zijn tijd geen novum. Ook in andere literaire bronnen wordt deze combinatie aangetroffen, bijvoorbeeld in het Testament van de Twaalf Patriarchen (Issakar 5,2). De visie van Jezus zal gemeengoed geweest zijn: God beminnen en het liefhebben van de naaste als jezelf vormen de twee zijden van één en dezelfde medaille. Bij de uitleg van de Decaloog wordt in de rabbijnse traditie iets dergelijks gezegd: de Tien Woorden op twee stenen tafelen zijn gericht op de relatie van de mens tot God en op de relatie van mens tot mens. Je kunt God niet beminnen zonder van zijn kinderen te houden.
Deze exegese is opgesteld door Harry Tacken.