Menu

Premium

Twee zusters opgewekt ten leven

Bij Jesaja 3:25-4,6, Psalm 119:9-16 (Ps. 30) (2 Kor. 8:9-15) en Marcus 5:22-43

Het wonderlijke begin van Marcus 5 (1-20) was de samenstellers van het nieuwe leesrooster blijkbaar te machtig – en werd daarom overgeslagen! – : een man ‘wonend in de graven’, een legioen boze geesten dat in een kudde zwijnen de zee wordt ingejaagd. Wat moeten we daar allemaal mee? Jezus is niet zo angstig. Hij heeft de grenzen van het land Israël overschreden en begeeft zich op een terrein dat als onrein land wordt beschouwd. Iemand die zich in zo’n ‘onrein’ land in graven ophoudt, is dubbel onrein. De Heer vaart de zee over – een soort omgekeerd uittochtverhaal – en zoekt hem daar op.

De confrontatie met Jezus is onthutsend. Hij rent op Jezus toe en roept zo hard hij kan: ‘Wat is er tussen mij en Jou, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? Ik bezweer Je – bij God – dat Je mij niet pijnigt!’ (5,6). Weer een complete geloofsbelijdenis, waar de leerlingen nog steeds niet toe kunnen komen, en weer een stem uit de diepte (vgl. Mar. 1,24 waar de onreine geest in de synagoge Jezus ‘heilige Gods’ noemt). Jezus vraagt de boze geest naar zijn naam. Die is: ‘legioen, want we zijn met velen’ (5,9). De boze geesten worden verdreven door een enkel woord en Satan en alle andere boze geesten worden in de hel teruggedreven. De zeer onreine varkens zijn voortreffelijk bruikbaar om als ‘bodedienst’ richting sje’ol (in dit geval het donkere water) te fungeren.

Twee vrouwen

We zijn in de perikoop van vandaag, die bij vers 21 begint, weer terug aan de Kafarnaümkant van het meer. Jezus is uit de streek van de Dekapolis (het doodse land) weggejaagd (5,17). Alleen de genezen bezetene houdt daar het gerucht over Jezus gaande (5,20). Jezus is nu weer thuis bij de gemeenschap waar alles begon: in Kafarnaüm. De vernieuwende kracht van Gods Geest wordt hier verwacht. Daarom kon Jezus’ verkondiging van het Koninkrijk hier beginnen. God zoekt zich een gemeente, een ‘bruid’ die met Hem door de geschiedenis wil gaan, die wil kiezen voor zijn nieuwe leven. Worden daarom vandaag twee vrouwen genoemd? Zijn zij niet bij uitstek in het geding als het om het leven gaat?

Twee vrouwen in het evangelie. De ene is een jonge vrouw, een kind eigenlijk, het dochtertje van de overste van de synagoge met de mooie naam Jaïrus, die betekent: ‘God kijkt naar hem’.

Over het dochtertje van Jaïrus: W. Barnard, Binnen de tijd, Haarlem/Hilversum 1964, 275-277.

De andere is een vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing lijdt. In deze verwachtingsvolle gemeenschap hebben ziekte en dood toch nog macht. Het meisje zal in de loop van het verhaal sterven en de zieke vrouw, die al twaalf jaren aan haar kwaal lijdt, kan door de geneesheren niet van haar kwaal worden verlost. Zij kan niet meer garant staan voor het leven en moet omdat ze volgens de officiële wet onrein is buiten de gemeenschap blijven. In beide gevallen komt er genezing.

De genezende kwasten van de gebedsmantel

Jezus is op weg naar het huis van het meisje, maar wordt onderweg opgehouden door de vrouw die Hem aanraakt. Ze grijpt Jezus bij de kwasten van zijn mantel, de gebedsmantel die iedere jood herinnert aan de Tora. Voor alle volkeren is dat een teken. Had de profeet niet gezegd: ‘Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van de mantel van een Judese man en zeggen: We willen met u gaan want we hebben gehoord dat God met u is’ (Zach. 8,23). Marcus maakt zijn evangelie nog dramatischer, door een vrouw uit Israël zelf te beschrijven die grijpt naar de slip van de mantel van een joodse man. Ze grijpt naar de gebedsmantel die gedragen wordt door een mens die helemaal één was met de Tora. En ze wordt helemaal genezen. Zo brengt God zijn heil onder de mensen. Later zullen weer vrouwen in het evangelie genoemd worden. Ze zullen deze ene joodse man niet loslaten. Ook niet als zijn mantel wordt verdobbeld en Hij wordt bespot (Mat. 27,35).

Twee keer twaalf jaren

Na dit onmisbare tussenverhaal over de vrouw die zich vastklampt aan de tekenen van de trouw aan de Tora zoals Jezus die draagt, gaat de geschiedenis verder. Van de bestuurder van de synagoge komt de boodschap dat zijn dochtertje inmiddels is gestorven. De dood heeft toch nog toegeslagen. Maar de Messias kent geen weg terug. Zijn intimi moeten mee de diepte in en met Hem het sterfhuis binnengaan, om het gejammer en het rouwmisbaar te horen en te zien. De Messias getuigt hier dwars tegenin: ‘Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.’ (5,39) – zoals Hijzelf in het schip als een dode sliep (Mar. 4,38). En Hij spreekt namens God: ‘Meisje, Ik zeg je, sta op.’ Terstond staat ze op en loopt heen en weer (5,41-42). Pas nu het verhaal ten einde loopt, horen we hoe oud – nee, hoe jong ze was: pas twaalf jaren. Ze staat aan de drempel van de volwassenheid; haar vruchtbaarheid kan nu beginnen. Onmiddellijk herinneren we ons dan dat de vrouw uit het middenverhaal twaalf jaar onrein was geweest. De jonge en de oudere vrouw zijn zusters in de nood, lotgenoten onder de doem van de dood. Onder die doem vandaan kunnen ze nu beiden, dankzij Jezus’ komst in hun bestaan, tot moeders van het leven opbloeien.

Het evangelie eindigt met een nuchter gebod van de Heer om het opgestane meisje te eten te geven (5,43). De geschiedenis van het Koninkrijk moet verdergaan. Jezus gaat ons voor op de weg van het leven. Hij zal het levend brood zijn voor onderweg. Willen de leerlingen – en wij – deze tekenen verstaan?

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken