Van verlangen naar vervulling
Bij Hooglied 3,1-11 en Johannes 20,1-18
Het boek Hooglied is een van de vijf megillot, feestrollen, en wordt elk jaar in de synagogen bij het Pesachfeest voorgelezen. Dit jaar sluit het Oecumenisch Leesrooster zich bij dit gebruik aan. Tussen Pasen en Pinksteren worden grote delen uit dit bijbelboek ook in onze kerken gehoord. Doordat er een verbinding gelegd wordt met de bevrijding van Pesach en Pasen, komen de woorden uit het Hooglied in een heel nieuw licht te staan.
De liefde, de schoonheid en het verlangen uit het Hooglied scheppen een paradijselijk beeld van volmaaktheid. Daarom wordt het Hooglied ook wel beschouwd als een ‘echo uit Eden’,
1. Zie bijv. E. Eynikel, A. Denaux, E. Noort, T. Baarda (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel, Averbode 2001, 1035; zie voor een relatie tussen het Hooglied en Eden ook de exegese van Kristin Ritsert voor 12 april 2015.
een verwijzing naar een volmaakt leven dat ondanks de gebrokenheid van ons bestaan toch af en toe kan oplichten. Waarschijnlijk is dit ook de reden waarom dit zinnelijke geschrift voluit bijbels is. Het verwijst terug naar de oorsprong van ons bestaan en wijst vooruit naar de toekomst. Het geeft hoop op een nieuwe en andere wereld, op een herlevende liefde. De liefde is een geschenk van God.Johannes en het Hooglied
In het evangelie naar Johannes wordt veelvuldig naar thema’s uit het Hooglied verwezen. De liefde staat in veel redes van Jezus centraal (Joh. 3,16; 14,21-31; 15,9-17) en de bruiloft te Kana (Joh. 2,1-11) is niet toevallig het begin van Jezus’ optreden in het openbaar. Ook in het paasverhaal (Joh. 20,1-18) wemelt het van de verwijzingen naar het Hooglied. Maria uit Magdala zoekt het lichaam van Jezus, dwaalt rond en vraagt twee engelen of zij weten waar Jezus is (Joh. 20,13). De bruid zoekt haar lief, maar vindt hem niet (Hoogl. 3,1), dwaalt rond en spreekt de wachters aan, of die hem hebben gezien (3,2-3). En net als de bruid vindt Maria degene die ze zoekt en wil Hem vastgrijpen en niet meer loslaten (Hoogl. 3,4; Joh. 20,17).
Maar dan lopen de verhalen uiteen. De bruid vindt haar lief, grijpt hem vast en brengt hem naar huis, in de kamer van haar moeder (net als overigens Isaak dit deed met Rebekka in Genesis 24,62-67). Haar verlangen en liefde worden vervuld. Zij hoeft haar lief niet meer los te laten. Maar de opgestane Jezus laat niet toe dat Maria Hem vastgrijpt en meeneemt. Zij krijgt een andere taak en bestemming: het verkondigen van de boodschap van de opstanding. Zij moet Jezus loslaten. Haar geliefde is niet voor haar alleen.
De nacht is in Gods hand
De perikoop uit het Hooglied spreekt meermaals over de nacht. De eerste vier verzen, over de omzwervingen van de bruid door de stad op zoek naar haar geliefde, vinden in de nacht plaats. En ook in vers 8 wordt over de ‘helden van Salomo’ gesproken, geoefende strijders, ‘bedacht op nachtelijk gevaar’ (NBV), of ‘tegen de verschrikking in de nachten’ (HSV). De nacht is een tijd waarin twijfel, angst en gevaar kunnen heersen, wat goed voorstelbaar is in een tijd zonder elektriciteit. Hoewel God ook de nacht geschapen heeft en Hij in de nacht over mensen waakt (Hij slaapt of sluimert niet, Ps. 121,4), is de nacht in de Bijbel toch vaak een gevaarlijke tijd. De bruid uit het Hooglied zwerft, waarschijnlijk in haar dromen of fantasie, door de lege, donkere stad. Maar in deze nacht komt er bevrijding: ze zoekt en vindt uiteindelijk haar geliefde. Zoals ook de nacht van Pesach de nacht van de bevrijding, de exodus is, en de Paasnacht de nacht is waarin de opstanding van Christus plaatsvindt.
In het jodendom loopt de dag van avond tot avond. De avond is het begin van een nieuwe dag. Het slachten van het paaslam op de avond voor de uittocht is daarmee het begin van de uittocht zelf. Het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen is het begin van de lange dag die eigenlijk pas op Pasen eindigt. De dag loopt door de duisternis naar het licht van de nieuwe morgen. Dat juist in de nacht de bevrijding komt, is dus een extra verwijzing naar het bijzondere karakter van deze bevrijding.
De vereniging van bruidegom en bruid
Het resterende deel van de perikoop uit Hooglied snijdt een heel ander thema aan. In vers 5 verwijzen de meisjes van Jeruzalem naar de schuwheid en de kwetsbaarheid van gazellen en herten. Net zo kwetsbaar is de liefde: laat haar ongestoord opbloeien op haar eigen tijd!
Dan volgt een beschrijving van een bruiloftsstoet (3,6-11). De bruid wordt naar haar bruidegom gevoerd in een draagstoel. Haar komst wordt door allerlei welriekende geuren aangekondigd. De bruid wordt beschermd door soldaten – verwijzen de ‘verschrikkingen van de nacht’ (3,8) ook nog subtiel naar de huwelijksnacht, die met allerlei bijgeloof omgeven was? De bruidegom wordt als koning Salomo omschreven, die zijn bruid met allerlei pracht en praal inhaalt. Dit gedeelte wijkt dusdanig af van de andere teksten uit het Hooglied, dat wel wordt gesuggereerd dat dit een oorspronkelijk lied is, geschreven voor een van Salomo’s huwelijken, dat hier later is ingevoegd. In dit gedeelte wordt de overgang prachtig verwoord: van de woestijn naar de stad, van de ‘verschrikkingen van de nacht’ naar de vreugde van de huwelijksdag. De zestig helden, die strijders zijn, maken plaats voor de meisjes van Jeruzalem, die mee mogen vieren. Het verlangen van de liefde gaat over in de vervulling van de liefde.
De liefde, het verlangen, het zoeken en vinden, de vereniging tussen bruid en bruidegom – dit alles wordt in prachtige poëzie bezongen. Op deze Paasmorgen mag de liefde terecht een hoofdrol spelen.