Voorsmaak van Pasen
8e zondag van de Zomer (Jona 2:1-11, Psalmen 29 en Matteüs 14:22-33)
Jezus’ leerlingen hebben het zwaar in de evangelielezing, omdat de boot op het meer door golven geteisterd wordt. Later raakt Petrus door paniek bevangen. ‘Heer, red me!’ schreeuwt hij. Zoals eens Jona in de buik van de vis roept hij in zijn nood de Heer aan. De tegenkanting die ervaren wordt heeft niet het laatste woord. ‘De stem van de Heer boven de wateren’, zegt Psalmen 29:3. Het zijn de stille krachten die de crisis bezweren, het is de verborgen aanwezigheid van God die mensen opricht uit alles wat hen neerdrukt.
Direct na het voorafgaande verhaal over de spijziging van de vijfduizend (Matteüs 14:13-21) heeft Jezus behoefte aan een moment van rust en bezinning. Dat was ook al zo nadat Hij had vernomen dat Johannes de Doper uit de weg geruimd was (14:13). Jezus’ leerlingen gaan voor Hem uit naar de overkant van het Meer van Galilea. De formulering ‘Hij dwong hen aan boord te gaan’ verraadt enige weerstand van de zijde van de leerlingen. Misschien hebben zij er moeite mee dat Jezus zich na een korte tijd opnieuw van hen wil afzonderen?
Is de Heer nog wel bij ons?
Bij de tocht over het meer ondervinden zij veel tegenwind. En omdat zij al een behoorlijk eind onderweg zijn, kunnen zij niet zomaar terugkeren. Bij het verhaal van de storm op het meer (8:23-27) was Jezus nog bij hen, maar nu moeten ze het stellen zónder zijn aanwezigheid. Voorwaar geen eenvoudige opgave. Niet voor niets speelt het begin van het verhaal zich af in de duisternis na het vallen van de avond: dat is een beeld voor alleen zijn en gevoelens van verlatenheid. Wat hier geschetst wordt, kan een verwijzing inhouden naar de situatie van de jonge kerk na Pasen: als volgelingen van Jezus verder met elkaar onderweg, maar zonder zijn inspirerende aanwezigheid en geconfronteerd met forse tegenkrachten. Ongetwijfeld (14:31b) zal dit in de jonge gemeente momenten van onzekerheid teweeggebracht hebben, met de prangende vraag: Is de Heer nog wel bij ons? Gescheiden van Hem verkeren de leerlingen in een acute noodsituatie. Psalmen 73:27 zegt het zó: ‘Want zie, wie verre van U zijn, gaan te gronde.’ Dát is dus het gevoel van de leerlingen, hetzelfde gevoel als op Goede Vrijdag na het sterven van Jezus.
‘Vrees niet’
Tegen het einde van de nacht, wanneer het dus weer licht gaat worden, verschijnt Jezus aan de leerlingen, gaande over het meer. Zou dit een verwijzing kunnen zijn naar de vroege morgen van het Paasverhaal (Matteüs 28,1)? Het onverwachte karakter van de verschijning wakkert hun angstige gevoelens alleen maar aan, totdat Jezus hun angst bezweert met de verzekering dat Hij het is. ‘Vrees niet!’ lezen we wel vaker in de Bijbel waar mensen het geheim van God dicht naderen. ‘Mysterium tremendum et fascinans’ (Rudolf Otto). Je leest weleens dat op bijna vierhonderd plaatsen in de Bijbel geschreven staat dat je niet bang hoeft te zijn. Of zelfs dat er exact 365 keer te lezen staat: ‘Wees niet bang’, ‘Vrees niet’, ‘Wees niet bevreesd’ of ‘Je hoeft niet bang te zijn’. Over het precieze aantal kun je twisten, maar dat het vaak geschreven staat is beslist waar. Bijna vierhonderd keer, en dus een bemoediging voor elke dag van het jaar.
Durf en twijfel
Mogelijk is het ‘Ik ben het’ (14:27) in dit verhaal ook bedoeld als een reminiscentie aan de naam van God, Hij die er op beslissende momenten zal zijn voor zijn volk: ‘JHWH – Ik Ben Die Er Zal Zijn’ (Exodus 3:13-14). Zodra Petrus de Heer herkent, voelt hij zich gesterkt door zijn verrassende aanwezigheid en wil hij daarvan spontaan getuigen door Jezus over het water tegemoet te gaan. De duistere krachten die als bedreiging ervaren worden, kan hij dan trotseren. Het geloof van Petrus blijkt echter niet volmaakt; twijfel en angst spelen hem wel degelijk parten. Hij raakt andermaal onder de indruk van de natuurkrachten en vertrouwt minder op de roepstem van zijn Heer: ‘Kom!’ Dit is beslist ook een roepingsverhaal. Hoe levensecht dat in het evangelie juist ook zulke dramatische lotgevallen van de leerlingen overgeleverd worden. De kleingelovigen van alle tijden kunnen zich identificeren met deze steenrots op wie de Heer zijn kerk wilde bouwen.
Stilte en belijdenis
Zodra Jezus en Petrus in de boot gestapt zijn, wordt het water kalm en rustig. Bij het verhaal van de storm op het meer bestrafte Jezus de wind en de zee, waarna het volkomen stil werd (8:26b). Een bezwering van de natuurkrachten is nu evenwel niet nodig. De stilte die zich hier aandient, voelt als een weldaad voor de ziel. Het zal eenzelfde stilte geweest zijn die Jona meegemaakt heeft in de buik van de vis. De ervaring van de nabijheid van de Heer maakt ‘terstond’ (Gr.: eutheoos – 14:22.31) een einde aan de krachten die het schip van de kerk bedreigen. De Heer is met zijn leerlingen, zoals Hij ook uitspreekt aan het einde van het evangelie bij het zendingsbevel: ‘Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld’ (28:20). Daar mag de jonge gemeente op leren vertrouwen, ook bij wisselend tij.
Het verhaal van de verschijning op het meer eindigt met een geloofsbelijdenis van de leerlingen in de boot, die nu tevens getuigen zijn. Zij belijden Jezus als de Zoon van God, als degene in wie zij God nabij weten. Waar in dit evangelie klinkt die belijdenis nog meer? Wanneer Jezus sterft aan het kruis van Golgotha, spreekt de centurio dezelfde woorden uit (27:54). De erkenning van Jezus komt dan niet uit de mond van een leerling of van iemand uit het Godsvolk, maar uit die van iemand van buiten.
Deze exegese is opgesteld door Harry Tacken.