Vreugde, vreugde, louter vreugde
Alternatief bij 4e zondag van de Advent (Filippenzen 4,4-9)
‘Gaudete!’ is van oudsher de naam van de derde Adventszondag, afgeleid van de introïtus voor deze dag: ‘Gaudete in Domino semper. Iterum dico: Gaudete!’ (Fil. 4,4). Je zou verwachten dat in het alternatieve spoor dit gedeelte van Filippenzen 4 op de derde zondag geplaatst werd in plaats van op de vierde. Toch is nu voor de vierde Adventszondag gekozen. Valt dat op één of andere manier te rechtvaardigen of te verklaren?
De vierde Adventszondag (Rorate coeli, Jes. 45,8) ligt vanzelfsprekend het dichtst bij de viering van het Kerstfeest. Zeker wanneer die dag op 24 december valt is Filippenzen 4,5b op zijn plaats: ‘De Heer is nabij!’ Denk hierbij ook aan de zeven O-antifonen: ‘O kom, o kom Immanuel’ (LB 466 geeft een mooie bewerking door Willem Barnard). In de katholieke traditie worden deze antifonen van oudsher gezongen in de vespers van 17 tot en met 23 december: de zeven titels voor de Komende vormen gerekend vanaf Kerst het acrostichon ERO CRAS: ‘Morgen zal ik er zijn.’
De uitgesproken vreugde van Filippenzen 4,4 op de vierde Adventszondag in plaats van op de derde kan begrepen worden als een ‘opmaat’ voor de ‘grote vreugde’ (Gr.: charan megalèn) van Lucas 2,10: ‘Ik verkondig jullie een grote vreugde’. Ook het ‘verkondigen’ zelf bevat al vreugde: het Griekse werkwoord euangelizoo betekent immers ‘een blijde boodschap brengen’. Filippenzen 4,4 op de vierde Adventszondag is een ‘voorpret van Kerst’.
Fundamenteel…
Terecht wordt er opgemerkt – zoals ook in de inleiding op de Filippenzenbrief – dat ‘vreugde’ een fundamenteel thema is in deze brief van Paulus. Het is boven alles uit een ‘vreugde in de Heer’ (Gr.: en kuriooi). Het Griekse woord chara komt in de brief vijfmaal voor (1,4.25; 2,2.29; 4,1); het verbum chairoo zelfs negenmaal (1,18 [2x]; 2,17-18.28; 3,1; 4,4[2x].10). Blijdschap is voor Paulus echter nooit iets dat geheel op zichzelf staat, want de vreugde wordt altijd door iets anders veroorzaakt of ondersteund. Dát Christus verkondigd wordt is in 1,18 zonder meer een reden tot vreugde. Het geloof van de gemeente en de dienst (Gr.: leitourgia) van het geloof is voor de apostel in 2,17 de bron van alle vreugde.
We kunnen wel stellen dat de expliciete oproep tot vreugde in onze tekst direct verband houdt met eerdere passages in de brief als geheel. Opvallend is nu wel hoe de gemeente die vreugde het beste tot uiting kan laten komen: door een houding van welwillendheid (4,5; Gr.: to epieikes, ‘vriendelijkheid’, ‘goedheid’) jegens alle mensen, door niet onder zorgen gebukt te gaan én door God te danken in het gebed. Het gaat om een innerlijke vreugde die voor anderen merkbaar moet zijn.
… maar nog geen centraal thema
Hoeveel nadruk er in de brief ook ligt op ‘vreugde’, toch is het daarmee nog geen centraal thema en ook niet het belangrijkste onderwerp van de brief als geheel. Er is wel op gewezen dat de belangrijkste aanleiding voor het schrijven van de brief te maken heeft met de behoefte van Paulus om uiting te geven aan zijn dankbaarheid voor het meeleven, de hulp en de gaven die hij van de gemeente ontvangen heeft (2,25.30; 4,10-20).
Het is niet zonder betekenis dat Paulus zijn dankbaarheid voor de structurele hulp direct al aan het begin van zijn brief onder woorden brengt (1,3-5). Op zijn tweede zendingsreis kwam Paulus na zijn vertrek uit Macedonië in Filippi aan. Door zijn verkondiging daar kwamen er verschillende mensen tot geloof, waaronder Lydia uit Tyatira en haar huisgenoten, alsmede een gevangenbewaarder en heel zijn familie (Hand. 16,14-34). Dit vormde het begin van een gemeente die Paulus later bij verschillende gelegenheden vooral in materieel opzicht zou ondersteunen bij zijn zendingsarbeid. Paulus is de gemeente daar erkentelijk voor, en dat laat hij in de slotpassage van zijn brief nog eens duidelijk uitkomen (4,10-20).
Dit vormt de concrete aanleiding voor de brief die hij vanuit gevangenschap (in Efeze, in Rome of misschien wel in Caesarea?) meegeeft aan Epafroditus (2,25-30; 4,18) bij diens terugkeer naar Filippi. Mogelijk had de gemeente in Filippi hem naar Paulus gezonden toen daar eenmaal bekend werd dat de apostel in hechtenis verbleef. De actie om een vooraanstaand iemand uit hun midden te sturen, kan gezien worden als een uiting van de bijzondere band tussen de gemeente en haar stichter. Paulus maakt zelf ook kenbaar dat hij het voornemen heeft om nog eens naar Filippi terug te keren (1,26).
Praktisch en persoonlijk
In zijn brief maakt Paulus – in de slipstream van zijn behoefte om vooral zijn dankbaarheid tot uitdrukking te brengen – ook van de gelegenheid gebruik om enkele praktische zaken aan de orde te stellen. Het gaat dan met name om moeilijkheden en problemen in de gemeente, zoals een bestaande rivaliteit en spanningen van persoonlijke aard (2,3vv.; 4,2), de toenemende judaïserende invloed op de gemeente (3,1-3) en bepaalde antinomistische praktijken (3,18-19). Het zijn ontwikkelingen waar Paulus zorgen om heeft, en dat kan en wil hij niet vóór zich houden. Het getuigt van een zeker psychologisch inzicht om ná het royaal betuigen van dankbaarheid nog even wat te schrijven over de dingen die de apostel zorgen baren… Zo kan hij ook het gezag dat hij in de gemeente heeft nog eens laten gelden.
Het persoonlijke karakter van de brief blijkt ook duidelijk uit enkele persoonlijke ontboezemingen van de apostel (1,20-26; 3,3-11). Hij wil daarmee vooral de aandacht van zichzelf afleiden om die op Christus te kunnen richten. In de slotverzen van onze tekst (4,8vv.) ziet Paulus zichzelf als een soort intermediair, die de gemeente slechts heeft ‘geleerd en overgedragen’ wat van doorslaggevende betekenis is voor het leven met Christus Jezus (4,7b). Paulus verzekert de gemeente daarbij dat de God van de vrede met hen zal zijn (4,7a.9b).
Deze exegese is opgesteld door Harry Tacken.