Menu

Basis

We weten meer dan we kunnen vertellen

Je openstellen, een relatie aangaan, oog hebben voor wat kwetsbaar is en je laten transformeren. Er is een overeenkomst tussen zorgverlening en mystiek beoefenen.

Soorten kennis

Er is kennis die we uit de boeken kunnen leren. Er is kennis die we verkrijgen door af te kijken en na te doen. Er is een weten nadat we iets hebben uitgeprobeerd en daarmee iets voor elkaar hebben gekregen. Er is een weten omdat we er zijn geweest of het hebben meegemaakt. Er is een weten dat voortkomt uit het aangaan en onderhouden van een relatie. Al die soorten van kennis en weten vervullen een rol in de zorg en de hulpverlening. En daar is veel over nagedacht, onderzoek naar gedaan en over uitgedacht. In dit artikel wil ik dat toepassen op het nadenken over mystiek weten. Mystiek weten is een weten dat voortkomt uit je openstellen voor, een relatie aangaan met, je laten transformeren door iets dat of Iemand Die jou en wat jij je kunt voorstellen overstijgt en (desondanks) op je toekomt.

Zorgverlenen is relationeel werken

Bij zorgprofessionals denk ik onder meer aan buurtpastores, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers, huisartsen en jeugdhulpverleners. Wat deze beroepsgroepen met elkaar gemeen hebben is dat ze met en voor mensenwerken, ook al doen ze dat in heel verschillende contexten en institutionele omgevingen. Dat ze met en voor mensen werken, betekent niet dat altijd meteen duidelijk is wat er gedaan moet worden. Als iemand dreigt te stikken in een stukje patat dat in het verkeerde keelgat is geschoten, weten we allemaal wel wat we moeten doen: achter hem gaan staan, armen om zijn middel en met een ruk naar je toe halen. Als echter een man van eenenvijftig zich op het spreekuur van de huisarts meldt met een raar gevoel op de borst, dan is niet direct duidelijk wat er moet gebeuren. Ja, een anamnese afnemen, zal elk handboek voorschrijven, maar: waarop moet je dan letten en welke gewicht moet je toekennen aan welke verschijnselen? Ook dat zal elk handboek wel voorschrijven en daarop zullen beginnende huisartsen ook zeker koersen.

Ervaren huisartsen weten dat nog andere zaken van belang zijn: wie is deze man? Wat is mijn geschiedenis met hem? Kan ik met hem een relatie opbouwen waarin we samen de relevante informatie op het spoor komen? Welke waarde moet ik toekennen aan wat de mensen om hem heen over hem vertellen? Wie moet ik nog meer betrekken bij mijn zoektocht naar wat ik voor hem kan doen? Wat leer ik uit de vergelijking met wat ik bij anderen heb waargenomen en met hen heb meegemaakt?

In het rijtje kenbronnen dat ik hierboven noemde, is de relatie een belangrijke. Goede zorgprofessionals doen aan ‘presentiebeoefening’: er voor mensen zijn door met hen te zijn, zich in hun nabijheid te begeven, zichzelf te tonen en samen met die ander een relatie te stichten. Niet een vriendschapsrelatie, niet een romantische relatie, maar een bij het eigen vak passende zorgrelatie. De professional krijgt daarbij soms de trekken van een betekenisvolle informele ander: een vriend, een buur, een zus. Bij relationeel werken laat de professional zich ook leiden door wat zich in de relatie toont als van belang voor de ander: diens leefwereld, levensloop, keerpunten, opgaves en verlangens.

Ik oefen me voortdurend en telkens opnieuw in presentie-benadering

Presentiebeoefening

De presentiebenadering is door Andries Baart gevonden in een onderzoek naar buurtpastores en beschreven in zijn boek Een theorie van de presentie. Daarin laat hij ook zien waarom die benadering zo goed werkt. Zijn beschrijving van de presentiebenadering heeft veel weerklank gevonden bij allerlei zorgprofessionals, van maatschappelijk werkers tot verpleegkundigen en artsen. Kennelijk behoort tot de kern van alle goede professionele zorgen hulpverlening, naast alle specifieke vakkennis, ook ‘presentiebeoefening’. En daarmee bedoel ik ook echt ‘beoefening’: ik oefen me er voortdurend en telkens opnieuw in. De ene keer lukt het beter dan de andere keer: er zijn voor de ander door met hem of haar te zijn. En ook de ander in al zijn relaties met derden. En dat moeten buurtpastores doen, maar ook wijkteamleden, jeugdhulpverleners, IC-verpleegkundigen, oncologen enzovoort.

Expliciete kennis en taciet weten

Zorgprofessionals kunnen beroep doen op veel kennis, vastgelegd in handboeken, gepresenteerd op symposia en overgebracht in onderwijs en beroeps-opleiding. Deze kennis is essentieel voor een goede beroepsuitoefening. Maar er is ook kennis die niet zo gemakkelijk onder woorden gebracht en overgedragen kan worden. Daarom lopen zorgprofessionals-in-opleiding stage. Dat is niet alleen omdat ze naast de kennis uit boeken en colleges ook moeten weten wat je in de praktijk zoal kunt tegenkomen en wat dat met je doet. Dat is vooral omdat je het vak pas echt leert als je meeloopt met, afkijkt van en daarover in gesprek gaat met ervaren beroepsbeoefenaren en zo van hen iets leert dat je niet leert ‘uit de boeken’.

Opdoen

Maar wat leer je dan? Wat krijg je overgedragen? Misschien zijn ‘leren’ en ‘overgedragen krijgen’ niet de goede woorden omdat die lijken te veronderstellen dat het om pakketjes van kennis gaat. Misschien moeten we spreken over ‘opdoen’. Je krijgt geen ervaringskennis overgedragen: je doet ervaringskennis op. Ervaringskennis kun je weliswaar onder woorden brengen, maar er blijft altijd iets over dat niet onder woorden te brengen is. Dat wat overblijft, dat méér, dat noemen we, met een begrip van de Hongaarse scheikundige en wetenschapsfilosoof Michael Polanyi ‘taciet weten’. Van Polanyi is de uitspraak: ‘We weten meer dan we kunnen vertellen’.

Anders dan bij expliciete kennis, gaat het bij taciet weten niet om kennis-bestanden, maar om een belichaamd, persoonlijk weten. Een veelgebruikt voorbeeld van taciet weten is weten te fietsen. Het is heel moeilijk uit te leggen hoe je moet fietsen. Eigenlijk kun je het niet uitleggen; de ander moet het leren door het te doen. Dat komt niet alleen doordat degene die wil leren fietsen, moeilijk kan snappen wat hem wordt gezegd. Dat komt ook omdat degene die het uit wil leggen, het zelf moeilijk onder woorden kan brengen als hij naast de fiets staat. Zodra hij erop zit en fietst, weet-ie het weer. Door te gaan fietsen wordt dat taciete weten geactiveerd. Fietsen leer je door het te doen en je leert het beter en sneller door het te doen begeleid door een goede begeleider die het je voordoet en van wie je het kunt afkijken.

Misschien moeten we spreken over ‘opdoen’

Daar komt bij dat als je wilt fietsen je iets moet weten over de verkeersregels. Die kun je leren, maar ook dan moet je weten hoe je ze in de praktijk toepast. Er is een onderzoek waarin mensen verschillende verkeerssituaties kregen voorgeschoteld met telkens de vraag: wat moet je hier volgens de regels doen? En vervolgens de vraag: wat is hier verstandig om te doen? Degenen die op de eerste vraag soms een ander antwoord gaven dan op de tweede vraag, bleken de minste ongelukken te veroorzaken. Je moet bovendien iets weten over hoe er in Nederland tegen het fietsen wordt aangekeken, hoe fietsers, voetgangers en automobilisten met elkaar omgaan, waar je je fiets wel en niet kunt neerzetten, hoe de politie de regels hanteert enzovoort. Ook dat leer je niet door boeken te lezen of uiteenzettingen aan te horen. Je leert dat door je onder te dompelen in de omgeving en de cultuur waarbinnen je wilt gaan fietsen.

Exposure als methodiek

Taciet weten opdoen vereist doen, afkijken en onderdompeling. ‘Onderdompeling’ is ook een belangrijk begrip voor presentiebeoefening en wel in de vorm van de ‘exposure’. De exposure is een gesuperviseerde blootstelling aan de praktijk waarin men aan presentiebeoefening wil gaan doen. Men doet dat door zichzelf doelbewusten methodisch onder te dompelen in de alledaagse werkelijkheid ervan en in de leefwereld van degenen die men daarin ontmoet, met alle ambiguïteit en schijnbare tegenstrijdigheid van die werkelijkheid en die leefwereld. In het oude-wijkenpastoraat is de exposure erop gericht zich bewust te worden van de eigen socialisatie en de eigen (ongegronde) denkbeelden en (voor) oordelen ten aanzien van die oude wijken en de bewoners ervan. In de supervisie worden de eigen ervaringen in de wijk en de daarbij behorende gemoedsbewegingen geanalyseerd en besproken opdat men een perspectiefwissel kan doormaken, van: kijken vanuit de kerk naar de wijk, naar: kijken vanuit de buurt en zijn bewoners naar de pastor en de kerk.

Presentiebeoefening veronderstelt een voortgaande exposure. Het gaat om een permanente, professionele en basale houding van bereid zijn zich bloot te stellen aan een wereld die de presentiebeoefenaar niet eigen is. Door voortdurende exposure blijven presentiebeoefenaren geworteld in de praktijk waarin ze werken, en blijven ze in staat eraan deel te nemen en er niet buiten of boven te gaan staan. Dat heeft ermee te maken dat exposure twee soorten kennis oplevert van de leefwereld van degenen met wie de presentiebeoefenaar optrekt en wat er daarin voor hen op het spel staat: expliciete kennis en taciet weten. Hij gaat beter zien wat er te zien is. Hij gaat beter aanvoelen hoe groot de pijn is, maar ook hoe groot de vitaliteit is waarmee wordt geleefd en gestreden. Als het goed is leert hij ook dat er lijden is dat niet kan worden opgeheven, maar alleen kan worden uitgehouden. Echte exposure levert bovendien engagement op met wat er voor mensen op het spel staat, met hun opgaves en verlangens.

Uit het onderzoek van Andries Baart blijkt dat het verloop van een geslaagde exposure vier stadia kent. In heteerste stadium vindt er een innerlijk gevecht plaats. Het snelle oordeel, de afkeer, het medelijden, de romantisering, de vluchtreactie, de neiging wat te gaan doen – dat alles moet worden beheerst, opgeschort of onderdrukt. In het tweede stadium wordt er ruimte gemaakt voor het vreemde en de vreemde ander. Dat gebeurt door wat Baart ‘zelf-betrapping’ noemt: het taai ondervragen van zichzelf. Zelf-betrapping kan overlopen in een proces van zuivering. Voorwaarde is dat de presentiebeoefenaar zowel streng als mild ten aanzien van zichzelf kan zijn. Als dat lukt, wordt het derde stadium mogelijk, waarin het vreemde en het andere ook kan worden toegelaten. Het concrete appèl dat van dat vreemde en dat andere uitgaat, wordt uitgenodigd, toegelaten en ontvangen. In het vierde stadium ontstaat de toewijding aan de vreemde ander en aan wat deze als goed ervaart. Volgens Baart gaat het bij een geslaagde exposure niet om bekering, maar eerder om omkering en toewending. De exposure is een oefening, een verdieping van het bestaande geloof en de bestaande spiritualiteit. Voor het slagen van de exposure is een goede supervisie essentieel. Maar ook bij een goede supervisie geldt: niet iedereen slaagt erin alle vier stadia te doorlopen.

Mystiek weten

Onder mystiek weten versta ik een weten dat voortkomt uit je openstellen voor, een relatie aangaan met, je laten transformeren door iets dat of Iemand Die jou en wat jij je kunt voorstellen, overstijgt en (desondanks) op je toekomt. Mystiek weten is niet een pakketje kennis. Mystiek weten komt voort uit een relatie en is dus relationeel en daarmee situationeel en persoonlijk. Mystiek weten opdoen veronderstelt dat je ruimte in jezelf maakt, dat je jezelf blijft afvragen wat er bij jou zelf in de weg zit, dat je je opent voor het appèl dat op je wordt gedaan, dat je verantwoordelijkheid neemt. De hierboven beschreven exposure laat zien dat dit allemaal ook kan in de alledaagse werkelijkheid. Voorwaarde is wel dat je de gelaagdheid, de meerstemmigheid, de ambiguïteit en schijnbare tegenstrijdigheid, het ondoorgrondelijke en onbestemde, het vreemde en het pijnlijke niet ontkent, overstemt of onderdrukt. Wie daarop in durft te gaan – en gemakkelijk is dat niet – kan een nieuw zicht krijgen op de God Die onder ons wil blijven komen wonen – in de eerste plaats onder hen die kwetsbaar, arm, ziek of niet-normaal zijn. Meer dan je kunt vertellen…

Literatuurverwijzingen

Andries Baart, Een theorie van de presentie, Utrecht: Boom Lemma 2004

Andries Baart, God tussen de potten en pannen: Over de betekenis van Teresa van Ávilla voor (mij en de) presentie, Lezing op het symposium ‘Teresa van Avila: Vijf eeuwen vurige Spaanse mystiek’, op 10 oktober 2015 te Haarlem.

Michael Polanyi, The Tacit Dimension, Chicago: University of Chicago Press 2009 Mieke Grypdonck, Exposure en zorgethiek: hetsTimulsymposium, 2016, zie: http://zorgethiek.nu/exposure-en-zorgethiek-stimulsymposium

Wellicht ook interessant

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken