Wees nou eens lief!
Bij Johannes 15,9-17
Er is altijd ruzie in huis. Steven en Lijntje zijn vervelend. Toch zitten ze vaak naast elkaar en knijpen en schoppen onder de tafel. Mama wordt er gek van. ‘Hou nou eens op,’ zegt ze. ‘Jullie moeten lief zijn voor elkaar. Ik doe toch ook mijn best voor jullie?’
Vrijdagavond komt papa thuis. Ze zijn boos op hem, want hij heeft het altijd druk. Hij werkt in Tilburg, een nieuwe baan. Het ergste is dat ze na de zomer ook naar Tilburg moeten verhuizen. ‘Ik loop weg,’ zegt Steven, ‘ik wil niet naar Tilburg.’
Zaterdag moet papa thuis werken. Alleen zondagmiddag gaan ze wat leuks doen. Wandelen. Vroeger was dat leuk, maar nu niet meer. Steven heeft een stok, daar loopt hij mee te klieren. Lijntje loopt een heel stuk achter. Ze is gevallen en heeft pijn aan haar knie. Papa tilt haar op en wil haar dragen. ‘Lijntje, mijn kleintje,’ zegt hij. Ze spartelt, ze wil niet gedragen worden. Steven prikt haar met de stok.
‘Hou eens op,’ zegt mama, ‘zo gaat het nou al de hele week.’ ‘Jongens, laten we even gaan zitten,’ zegt papa. ‘We moeten eens praten. Ik vind het ook niet leuk om de hele week weg te zijn, maar dat moet nou eenmaal. Ik moet inwerken in mijn baan. Ik zou het liefst altijd bij jullie zijn. Even nog, dan hebben we een nieuw huis. Dan zijn we weer samen.’ De kinderen roepen dat ze niet naar Tilburg willen. ‘Kom nou,’ zegt papa, ‘we houden toch van elkaar, je houdt toch van mij? Een beetje geduld, dat heb je toch wel? In de zomer verhuizen we. Ik heb het huis al gezien. Zullen we volgende week eens gaan kijken?’ Ze brommen nog wat, maar dan zeggen ze: ‘Goed!’