Menu

Basis

Wees verstandig!

Goed oordelen is pas mogelijk als je weet hoe je als oordelend wezen in elkaar zit

Meisje die in een klein spiegeltje kijkt.

Wanneer je iemand vraagt om verstandig te zijn, vraag je diegene om te analyseren wat er aan de hand is en daarnaar te handelen. In de filosofie heet verstandigheid dan ook wel ‘praktische wijsheid’. Dat roept natuurlijk allerlei vragen op, die hoofddocent wijsgerige ethiek Marcel Becker aan de hand van Aristoteles zal beantwoorden. Waarin verschilt praktische wijsheid van theoretische kennis? Hoe verhoudt deze wijsheid zich tot emoties? En kan je verstandigheid ontwikkelen?

“Wees verstandig!”. We zullen het allemaal wel eens gezegd of gehoord hebben. Blijkbaar kun je iemand opdragen om verstandig te zijn. Dat onderscheidt verstandigheid van andere intellectuele kwaliteiten. “Wees eens intelligent” zeggen we niet zo snel tegen iemand.

Als iemand het bevel verstandig te zijn serieus neemt, dan werkt dat direct door in zijn handelen. Iemand vragen verstandig te zijn is niet vragen om in een hoekje te gaan zitten mijmeren, het is vragen om te analyseren wat er aan de hand is en daarnaar te handelen. In de filosofie heet verstandigheid ‘praktische wijsheid’; wijsheid toegesneden op het handelen. Dat roept natuurlijk allerlei vragen op. Waarin verschilt praktische wijsheid van theoretische wijsheid? Hoe verhoudt ze zich tot emoties – die de mens toch ook van handelingsenergie voorzien? Is verstandigheid te ontwikkelen, en zo ja, hoe doe je dat?

Op deze vragen is al onovertroffen antwoord gegeven door Aristoteles, de grondlegger van de deugdethische traditie. Het is niet overdreven te zeggen dat alle behartenswaardige zaken die over verstandigheid naar voren zijn gebracht op een of andere manier teruggaan op Aristoteles. We zullen dan ook zijn herschrijving van verstandigheid als uitgangspunt nemen en ‘uitwaaieren’ naar latere opvattingen en de actualiteit.

Grillige werkelijkheid

Aristoteles’ eenvoudige uitgangspunt is dat het menselijk verstand moet zijn toegesneden op het object waarover het nadenkt. En de dingen die mensen verstandelijk kunnen benaderen zijn, grofweg, in tweeën te verdelen: de veranderlijk en de niet veranderlijke dingen. Denk bij de laatste categorie aan de wiskunde en de loop van de hemellichamen. Die werkelijkheden zijn voor altijd hetzelfde; kennis erover is altijd geldig. 1 + 1= altijd 2. Een zonsverduistering kunnen we lang van tevoren voorspellen. Tenzij natuurlijk die kennis verbetert, maar juist omdat er een vaste werkelijkheid is waaraan we die kennis kunnen toetsen weten we dat het om verbeteringen gaat. De onveranderlijke zaken bestuderen we volgens Aristoteles met het ‘schouwende’ verstand. Dat klinkt misschien ouderwets, maar het woord drukt mooi uit dat de mens zich los van het object bevindt: hij staat erbij en kijkt ernaar.

Het domein van de veranderlijke dingen betreft het menselijk handelen. Het zijn de ‘dingen die ook anders hadden kunnen zijn’; we hadden ook anders kunnen handelen. Iedere situatie waarin de handelende mens terechtkomt is daarbij uniek. Als dezelfde situatie zich weer voordoet, dan is het toch anders omdat het de tweede keer is. Het verstandelijk vermogen dat hierover oordeelt kan niet neerkomen op het bepalen van algemene regels. Omdat elke situatie uniek is, zijn slechts vuistregels mogelijk. Het praktisch verstand is het vermogen dat de unieke situatie analyseert.

Het praktisch verstand is het vermogen dat de unieke situatie analyseert

Na Aristoteles is dit onderscheid tussen de twee vormen van verstand niet meer zo scherp gemaakt door grote filosofen. Thomas van Aquino, die Aristoteles’ gedachtegoed ‘aanpaste’ aan het christendom, sprak van één rationaliteit die op de verschillende werkelijkheidsdomeinen wordt toegepast. Ook Immanuel Kant omschreef in zijn grote werk Kritik der reinen Vernunft dat het praktisch verstand geheel andere doelstellingen heeft dan het theoretische, maar het is wel hetzelfde verstand dat aan het werk is. En het utilisme heeft veel weg van een calculatietheorie die bij voorkeur de harde wetenschappelijke manier van denken benadert, waarin vaste regels centraal staan.

Ingrijpen in de werkelijkheid

De verstandige mens beoordeelt niet alleen de werkelijkheid, hij grijpt ook in. Verstandig nadenken doen we over zaken die zoals Aristoteles zegt, ‘in onze macht’ liggen, de zaken die we kunnen veranderen. Zijn gedachten over verstandigheid zijn een verre voorloper van de hedendaagse managementles dat je alleen moet piekeren over zaken waarop je invloed kunt uitoefenen. Maar, zoals Aristoteles zegt in zijn boek over verstandigheid,1 het verstand zelf zet niets in beweging. Het zijn emoties die motiveren, die letterlijk in beweging zetten. De verstandigheid staat dan ook in directe verbinding met emoties. Dat klinkt voor de hedendaagse mens vreemd, gewend als hij is aan de idee dat emoties en verstand sterk van elkaar verschillen. Op het handelen kan dat onderscheid niet van toepassing zijn. Verstand en emoties zijn daarin op elkaar betrokken. We herkennen dat in uitdrukkingen als ‘aanvoelen’ en ‘inschatten van de situaties’, handelen vanuit ‘ontwikkelde intuïtie’, ‘emotionele intelligentie’, etc.

De verstandigheid staat in directe verbinding met emoties

In Aristoteles’ ethiek is dit samenspel subtiel uitgewerkt. Om een situatie juist te beoordelen is een goed ontwikkelde houding nodig. De misantroop ziet iedere poging tot contact als problematisch. De laffe persoon is niet in staat de bedreiging goed in te schatten; hij wil vooral wegwezen. Wanneer het vanuit een juiste inschatting komt tot goed handelen bevestigt dat de goede houding. Als je goed met een gevaar of bedreiging bent omgegaan, is het de volgende keer makkelijker. Zo groeit de cirkel van goed handelen: als het goed gaat geen vicieuze (vice betekent ondeugd) maar een virtuoze (virtue betekent deugd) cirkel.

Een handeling is een doel in zichzelf

Wat is het doel van goed handelen? Resultaten behalen, zegt menigeen snel. Het suggereert dat de handeling geen eigen waarde heeft, maar dat is onzin. De deugdethiek onderscheidt tussen ‘maken’ en ‘handelen’. De timmerman maakt een tafel. Als hij klaar is met zijn activiteiten staat er een tafel. Voor deze activiteit gebruikt Aristoteles het woord tèchnè, waarin we het woord ‘techniek’ herkennen.2 Bij het handelen is dit anders. Dit is een vertaling van het Grieks prattoo, waarvan ons woord ‘praktijk’ is afgeleid. Het doel van de handeling, zoals Aristoteles heerlijk mysterieus zegt, ligt in de handeling zelf besloten. Het is in en door de handeling dat het doel wordt bereikt. Het mooiste voorbeeld hiervan is het hoogste doel van het menselijk leven. Geluk ‘maak’ je niet; het is niet een ‘ding’ dat voor je staat als je klaar bent met een aantal handelingen. Het is in en doorheen de activiteiten dat je gelukkig bent. Die activiteiten hebben daarmee in zichzelf waarde.

Het is in en door de handeling dat het doel wordt bereikt

Een iets minder abstract voorbeeld. Op de Nederlandse politie auto’s staat al jarenlang ‘Waakzaam en dienstbaar’. Die twee begrippen gaan terug op de grondwettelijke taken van de politie. Hoe bereiken politieagenten die doelstellingen? Niet als eindproduct van een aantal activiteiten. Een politieagent heeft niet na een dag hard werken een eenheid waakzaamheid en dienstbaarheid geproduceerd. Deze zaken ontstaan in zijn werk: door te patrouilleren, in te grijpen, alert te zijn, preventief te werk te gaan realiseert (letterlijk: maakt tot werkelijkheid) hij die waarden.

Een voorbeeld vanuit het openbaar bestuur. Een gemeenteambtenaar werkt voor het gemeenschappelijk goed, het welzijn van de samenleving. Het kost de ambtenaar geen moeite om daarbij de waarden te noemen die in zijn werk centraal staan: veiligheid, welstand, goede leefomgeving, service aan de burger enzovoort. Deze waarden zijn niet te scheiden van de concrete activiteiten. Door bij de bedrijventerreinen op zoek te gaan realiseert de ambtenaar veiligheid. Het is in de vergadering van de commissie dat de welstand vorm krijgt. In het verstrekken van paspoorten ‘realiseert’ de ambtenaar van de burgerlijke stand service.

Die bepalende rol van verstandigheid voor het handelen helpt om een hardnekkig misverstand rond het begrip verstandigheid weg te nemen. Het Latijnse ‘prudentia’ heeft via het Engelse woord prudence de connontatie van ‘voorzichtigheid’ in zich. Ook in de Nederlandse vertaling ‘bezonnenheid’ klinkt dit door. Van een goed mens verwachten we echter dat hij alleen de kat uit de boom kijkt als dat nodig is, en verder doortastend handelt.

Van een goed mens verwachten we dat hij alleen de kat uit de boom kijkt als dat nodig is, en verder doortastend handelt

Een ander paradigma

Het onderscheid tussen maken en handelen is essentieel voor professionele ethiek. De activiteit van het maken ontleent zijn waarde aan het voorwerp dat wordt geproduceerd. Als de tafel scheef staat, is de timmerman een prutser. Maar op veel professionals-activiteiten is het handelingsparadigma van toepassing. De advocaat, de onderwijzer en de arts hoeven niet zozeer zaken voort te brengen, voor hen geldt: de kwaliteit ligt in de interactie. Op kantoor, in de spreekkamer en in het klaslokaal worden het goede gerealiseerd.

Ethiek is voor veel mensen de discipline van regels, dus van ge- en verboden, die aangeven wat mag en vooral wat niet mag. Deze ‘streep in het zand’-opvatting van ethiek heeft forse concurrentie gekregen van het deugdethisch paradigma. In dit paradigma kijkt de persoon vanaf een algemene oriëntatie naar de concrete situatie. Die oriëntatie is binnen de deugdethiek ingegeven door de houding, maar dat hoeft niet. Ethische trainingen voor professionals begin ik dikwijls met een inventarisatie van de kernwaarden van hun organisatie. Als dat bredere perspectief op de flap-over staat, dan kijken we naar de casuïstiek. Vanuit het algemene gaan we naar het concrete. Op die manier doen we recht aan waar het in de ethiek om gaat: pas vanuit het algemene valt goed te kijken naar het concrete, en het algemene vraagt op zijn beurt om concretisering.                        

Vanuit dit paradigma kunnen we subtieler uitdrukken wat we van professionals verwachten. Als reactie op de toeslagenaffaire schijnen ‘empathische juristen’ te worden gezocht. Dat klinkt als een oxymoron; een goede jurist kijkt van enige afstand en onafhankelijkheid. Waarschijnlijk wil men verstandige juristen: mensen die niet klakkeloos regels toepassen maar met gevoel(!) voor de situatie beslissingen nemen.

Zelfkennis

Van oudsher wordt de verstandigheid afgebeeld als een vrouw met een spiegel in de hand. De intrigerende vraag waarom meestal vrouwen als beelden van deugd zijn opgevoerd (we kennen ook Vrouwe Justitia) laten we hier even liggen. De spiegel wijst op zelfkennis. Naar de buitenwereld kijken lukt pas goed als degene die kijkt weet wie hij zelf is. De beroeps-oordelaars bij uitstek, rechters, volgen inderdaad met graagte bijscholingscursussen waarin hen wordt verteld waarin hun oordelend vermogen tekortschiet. Goed oordelen over de buitenwereld is pas mogelijk als je weet hoe je als oordelend wezen in elkaar zit.

Marcel Becker

Marcel Becker is hoofddocent wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn specialisatie is toegepaste ethiek, met name beroepsethiek en digitale ethiek.  


  1. Aristoteles, Ethica, vertaald door C. Pannier en J. Verhaeghe. Groningen: Historische Uitgeverij, 1999, 1139a36. ↩︎
  2. Dit is een heel eenvoudige voorstelling. Er zijn meerdere manieren waarop het doel buiten de activiteit kan staan. Bij hardlopen om de bus te halen is het resultaat niet een tastbaar ding. Maar ook hier staat het doel buiten de handeling.  ↩︎

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken