Menu

Premium

Wees voorbereid, waak…

Bij Jesaja 51,1-6, Romeinen 8,31b-39 en Lucas 12,35-40

Oudjaar, avondgebed

Het is niet de nacht van het jaar. Die gaat vooraf aan het Paasfeest. Maar deze avond is wel anders. We wachten op een nieuwe tijd, een nieuw jaar. Op de kalender van de tijd. We komen samen voor ons avondgebed, voor een overweging van wat is geschied, in ons leven, in ons samenleven. We verbinden dat met de Eeuwige, hoe kan het ook anders. Onze tijden zijn immers in zijn hand? Maar ook herinneren we ons het woord van Augustinus: ‘De mensen zeggen: de tijden zijn slecht, wij leven in een moeilijke tijd. Leef goed, en de tijd is goed. Wij zijn de tijden. De tijden zijn wat wij ervan maken’.[1]

De aangegeven lezingen zijn afkomstig uit het Lectionarium van het (gereviseerde) Evangelisch-Luthers dienstboek (1992). Daarbij zijn de laatste twee overgenomen uit het voorontwerp (Erneuerte Agende) van het Evangelisches Gottesdienstbuch van de Verenigde Evangelisch-Lutherse Kerk in Duitsland (ELK). De oudtestamentische lezing is een keuze van de toenmalige commissie liturgie en kerkmuziek van de ELK.

Horen en zien

Waar het op aankomt, in leven en in sterven, in tijd en eeuwigheid, is de grond van ons bestaan. De profeet, die zich elke morgen nieuw gedragen weet door de Eeuwige om de moedeloze op te beuren (50,4), omdat ‘zijn oor wordt gewekt aandachtig te horen’, roept nu – namens de Heer – iedereen op te luisteren, te horen. De toehoorders worden positief aangesproken: ‘jullie die gerechtigheid najagen’. En in één zin door, alsof dat hetzelfde is, en zo is het ook: ‘jullie die de HEER zoeken’ (51,1). De lezing is opgebouwd rond dat horen/luisteren; het komt drie keer terug (51,1.4.7). Maar ook rond het ‘zien/kijken’: ‘Kijk naar de rots’ (51,1); ‘Kijk naar Abraham’ (51,2); ‘Kijk omhoog naar de hemel, kijk naar de aarde beneden’ (51,6). Dit ‘horen en zien’ is hier een variant van de elders voorkomende combinatie ‘horen en doen’.

Een licht voor alle volkeren

De tekst wekt op de moed niet te verliezen: wat jullie willen en doen, namelijk ‘gerechtigheid najagen’, dat doet de HEER ook. Vanouds. De achtergrond van deze bemoediging is de verwoesting van Jeruzalem (51,3). Men moet het hoofd niet laten hangen. Kijk naar Abraham, naar Sara: er wordt ver in de traditie van het volk teruggegrepen, naar zowel mannelijke als vrouwelijke rolmodellen. Ze zijn gezegend! En onze blik wordt nóg verder terug getrokken: naar de Hof van Eden. Zo zal het zijn, in de nieuwe tijd, allemaal omdat ‘het recht van de Eeuwige een licht zal zijn voor alle volken’ (51,4). Dit verwijst ook naar Jesaja 49,6, waar deze belofte wordt toevertrouwd aan de knecht des Heren. Hij zal dat licht zijn, niet alleen voor Israël, maar voor alle volken. De uiteinden der aarde zijn ermee gemoeid. Het aansluiten bij de ooit uitgesproken belofte, en de toentertijd geschapen situatie zal hoop bieden op vernieuwing. Gedane zaken uit het verleden geven wel degelijk garantie voor de toekomt, met deze God, en voor alle mensen van goede wil die de gerechtigheid najagen. Dat najagen ervan, die drang en drive, dat is wel de kern van dit hoofdstuk. Daarom verdient het aanbeveling om de verzen 1-8 als een eenheid te nemen, en die twee laatste verzen er dus bij te lezen, waarmee de gerechtigheid uit vers 1 een inclusie vormt met de gerechtigheid in de verzen 6,7 en 8. En dan klinkt ‘van geslacht op geslacht’ (51,6.8) ook mooi bij de zogenaamde Oudejaarspsalm 90.

Niets zal ons scheiden

Met dit gedeelte uit de brief aan de Romeinen verkeren we plotseling in een ander domein. Nu even niet meer de sfeer van Advent en Kerstmis – waar we nog middenin zitten, nog voor de achtste dag! – integendeel, nu naderen we de sfeer en de wetenschap van waar deze geboorte in ons midden toe zal leiden: ‘die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven’, en dat omdat ‘God ons in Hem alles zal schenken’ (8,32). Waar het incognito van het goddelijke het ondoordringbaarst is, juist daar ontmoeten we Jezus Christus, schrijft Karl Barth in zijn uitleg. God heeft Hem niet gespaard, nee, hij heeft Hem overgeleverd. Voor ons. Hij is ook door ons overgeleverd, wij zijn niet vrij te pleiten. Maar dat is niet het punt. God heeft Hem prijsgegeven omwille van ons allen. Voor ons, want God, zo overweegt Paulus, heeft ons daardoor alles willen schenken. Niets zal ons kunnen scheiden van die daad Gods, die liefde is. Want hoewel Christus is prijsgegeven door God, heeft Christus voor ons gepleit! Wie zal ons van die liefde kunnen scheiden? Geen verleden, geen heden, geen toekomst. Geen dag, geen jaar, oud of nieuw. Of wat anders nog? Oorlog, tegenspoed, vervolging, honger? Niets! Wij zegevieren in dit alles glansrijk (8,37). Omdat Hij, Christus, niet slechts de geborene is, of de gestorvene, maar de opgestane. In Hem ontvangen wij een ‘onbestaanbare identiteit’. Voor eens en altijd.

Vuurwerk

Sprak de profeet Jesaja al over ‘brandpijlen’ – ‘jullie allen ontsteken vuur en wapenen je met brandpijlen (…) brand je aan je eigen pijlen!’ (50,11, direct voor ons gedeelte van vanavond) – , in het Evangelie naar Lucas adviseert Jezus de olielampen brandend te houden (12,35). Dit zegt Hij tegen zijn discipelen (12,1.22), in de context van een verzameling uitspraken als: maak je in ieder geval geen zorgen over wat je zult eten en drinken, zoek liever het Koninkrijk van je Vader (12,22-32). Wees waakzaam, en voorbereid. En betrouwbaar. Elke levensdag. En nacht. Want de Mensenzoon komt. Gelukkig die mens, die betrouwbaar aanwezig is. Hij wordt bediend door de Heer zelf (12,35-40).

Bij Jesaja 51:1-6, Romeinen 8:31b-39 en Lucas 12:35-40

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken