Wie heeft brood genoeg?
10e zondag van de zomer (Marcus 8,1-21)
‘Brood’, gebrek aan brood en toch een royale overdaad voor honderden, ja, duizenden: dat is wat de lezingen van deze zondag (met uitzondering van Efeziërs 6) verbindt. Hier richten we ons op Marcus 8, over de spijziging van de vierduizend en het ene brood in de boot.
Voor de tekenen die Jezus doet, gebruikt Marcus vaak het woord ‘krachten’ (Gr.: dunameis, bijv. 6,2). De mensen reageren met verbazing op Jezus’ machtige daden. De menigte zoekt genezing en heil bij Jezus, niet bij de religieuze leiders of de Romeinse overheid. Die ergeren zich en spannen samen om Hem uit de weg te ruimen (3,6). We hebben al veel over Jezus gehoord en van Hem gezien, maar, vraagt Jezus de leerlingen, ‘begrijpen jullie het nog steeds niet?’ (8,21). Deze vraag van Jezus raakt ook ons. Gelukkig kunnen we Hem in het vervolg nog meer leren kennen. Petrus belijdt: ‘U bent de Messias’ (8,29), al wist hij misschien niet wat hij zei. De centurio tegenover het kruis weet ten volle wie Jezus is: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon’ (15,39).
We lezen van Marcus een aaneengesloten episode van 6,30 tot 8,21(22-26). Het zijn twee blokken met een wonderbare spijziging, een oversteek in het schip, een discussie met de religieuze leiders en een uitleg aan de leerlingen, beide keren afgesloten met een genezing, van een dove en een blinde.
De kinderen en de hondjes
Tussen de beide blokken vinden we de ontmoeting van Jezus met een Syro-Fenicische vrouw (7,24-30) en haar pleidooi voor de hondjes (Gr.: kunaria) ‘die toch onder tafel de kruimels opeten die de kinderen hebben laten vallen’ (7,28). De ‘hondjes’ woonden ook toen al bij de mensen in huis, ook bij joden.
Welnu, de ‘kinderen’ hebben al gegeten en er was overgebleven: twaalf draagmandjes voor proviand onderweg (6,35-44). Nu zijn we in het heidense land, Dekapolis. Een menigte volgt Jezus ook daar. Jezus ziet dat ze na drie dagen onderwijs te hongerig zijn om heelhuids thuis te komen. De scène aan de oever van het meer is op het eerste gezicht het verslag van een wonder (8,1-9, vgl. 6,30-43). Wie verder kijkt, ontdekt nog een diepere betekenis. Zo lezen we in Psalm 107 over arme en hongerige mensen, uit het oosten en het westen, uit alle landen van de wereld. Ze vonden geen weg in de wildernis. De Heer hoorde hun roepen. Hij wees hun de rechte weg, gaf dorstigen te drinken en hongerigen volop te eten.
‘Drie dagen’ (8,2) verwijzen in de evangeliën altijd naar de drie dagen van Jezus in het graf. Iedereen was ‘van ver’ gekomen, in de rabbijnse wereld een staande uitdrukking voor mensen op grote afstand van Gods heil dat de Israëlieten wel kennen. Zeven broden, zoveel als nodig zijn in het Koninkrijk van God, en enkele visjes voor bij het brood (vgl. Joh. 21,5; SV ‘toespijs’). De mensen mogen ‘aanliggen’ (8,6) als voor een feestmaal; na het dankgebed mogen de leerlingen het voedsel uitdelen. Net als de joodse gasten eten de heidenen ook tot ze verzadigd zijn. Er is zelfs over: zeven grote manden vol. In zo’n mand ontsnapte Paulus uit Damascus (Hand. 9,25). Zulke manden werden gebruikt op langere afstanden om grote hoeveelheden (bijvoorbeeld van brood) te vervoeren. Vierduizend mensen waren er: uit alle vier de hoeken van de aarde.
De farizeeën vragen Jezus om ‘een teken (Gr.: sèmeion) van de hemel’ (8,11), als bewijs van Godswege dat de ‘krachten’ van Jezus op aarde niet van de duivel komen. De ‘krachten’ van Jezus op aarde komen van de hemel voor wie het kan geloven. De farizeeën geloven dat niet; dat willen ze ook helemaal niet. Ze willen Jezus op de proef stellen (Gr.: peirazoo, 8,11), net als de Satan in de woestijn (1,12-13). De ijveraars voor de godsdienst blijken hier tegenstrevers van het Rijk van God. Bij Marcus is een sèmeion apocalyptisch; het kondigt de eindtijd aan (alleen nog 13,4; 13,22). Jezus weigert beslist, stapt in de boot en komt ze verder niet meer tegen.
Aan boord
In de boot gaat het weer over brood: de leerlingen waren vergeten ‘broden’ mee te nemen. Eén brood hadden ze in de boot. Bij Johannes zou je zeggen: ‘Ze hebben Jezus, het Brood dat leven geeft, aan boord. Ze zullen geen honger meer krijgen’ (Joh. 6,35.38.51). Of dat al een bekend beeld was bij het ontstaan van het Marcusevangelie en hier bruikbaar?
In het Koninkrijk kan een kleine oorzaak groot gevolg hebben. Ook ‘de zuurdesem’ (8,15) van de farizeeën en van Herodes kan grote gevolgen hebben. Als je daarvan het heil verwacht, wordt het zicht op het Koninkrijk van God overwoekerd. Desem is nodig om goed brood te bakken, maar te veel of oude desem bederft het juist. Paulus waarschuwt voor misstanden in de gemeente die werken als desem en zo de hele gemeente bederven (1 Kor. 5,5-8).
De leerlingen spreken weer over het brood dat ze niet bij zich hebben. Hun hart is hard, hun ogen zijn blind en hun oren doof (8,17-18). Dat hadden de profeten ook al over de Israëlieten gezegd (Jes. 43,8; Jer. 5,21; Ez. 12,2). De Heer blijft zich verbazen over hun gebrek aan inzicht en resumeert nog eens het voeden van de menigten en de manden overgebleven brood. Voor de lezer duiden de vijfduizend op Israël, het volk van de Tora, en de vierduizend op de heidenen die uit alle vier hoeken van de aarde naar Jezus komen. Er waren bij het joodse feestmaal twaalf mandjes over (6,43), zoveel als de stammen van Israël. Bij de heidenen zeven manden (8,8), genoeg voor de hele bewoonde wereld. ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’ Die vraag geldt allen die de weg van Jezus willen gaan, toen en nu.
Deze exegese is opgesteld door Hans Fortuin.