Menu

Premium

Wie zeggen jullie dat Ik ben?

12 zondag van de zomer (Marcus 8,27–9,1, Deuteronomium 4,1-2.9-20 en Jakobus 1,17-27)

In het gemeenschappelijk leesrooster komen de teksten met de eerste lijdensaankondiging en de daaropvolgende uitspraken over navolging maar mondjesmaat aan bod. Maar wat als we deze teksten – aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen – eens het volle pond geven?

De evangelietekst van deze zondag is het centrale punt van het Marcusevangelie. De passage 8,27-30 met de vraag ‘Wie zeggen jullie dat Ik ben?’ is een scharniermoment: na deze vraag en de belijdenis van Petrus gaat het verhaal verder met de via crucis. Jezus’ komende kruisdood bepaalt vanaf nu het evangelie.1

Waar gaat het om in deze centrale tekst? Vers 31 (over verwerping, lijden, sterven en opstanding) mag schokkend genoemd worden, niet alleen voor het oorspronkelijke gehoor maar ook voor ons. Marcus benoemt slechts en legt niets uit. Er is geen enkele verwijzing naar Jesaja 53, geen hint naar een theologische duiding. De tekst gaat direct over naar een toepassing op het gehoor. In plaats van soteriologie dus volop ecclesiologie. Waarbij uitdrukkelijk vermeld wordt dat niet alleen de leerlingen maar ook de menigte het gehoor vormt. Zij worden opgeroepen het kruis op te nemen. Het is voor het eerst dat dat woord valt.

Bedoeld is de dwarsbalk die een veroordeelde zelf moest dragen naar de schaamtevolle plaats van executie. Kan dit wel een woord van Jezus zelf zijn? – zo vragen de commentaren zich af. Of weerspiegelt zich hier een recente ervaring van ‘Marcus’ van vervolgingen en kruisdood onder keizer Nero?

Grensgebied

De plaats van handeling, zowel van de belijdenis van Petrus als van het daaropvolgende verhaal van de verheerlijking op de berg, is de omgeving van Caesarea Filippi. Dat is een grensgebied dat in die tijd overwegend niet-joods was. Het was een gebied met een sterke keizercultus en een niet-joodse religieuze praktijk. Een commentator schrijft dat het niet toevallig is dat deze twee scènes juist daar en niet ergens anders plaatsvinden. Marcus laat hier het centrum van zijn evangelieverhaal plaatsvinden, niet midden in Galilea, laat staan in Judea, maar in een overwegend niet-joods gebied.2 Mogen we hierin een parallel zien met de huidige plaats van de kerk in West-Europa?

‘Wie zeggen jullie dat ik ben?’ Petrus’ antwoord ‘U bent de messias’ is (uiteraard) te plaatsen binnen zijn referentiekader van het jodendom van de eerste eeuw. Het antwoord van Jezus (lijden en verwerping, 8,31) moet een schokkende omkering zijn geweest van de standaardverwachting van de messias. De vertaling met ‘messias’, zoals te vinden in nieuwere vertalingen, heeft hier de voorkeur boven de oudere vertaling met ‘Christus’: dan zitten we te snel op een meer dogmatisch spoor. Enige kennis van de toenmalige messiasverwachting, zoals bijvoorbeeld te vinden in IV Ezra, geeft reliëf aan de felle reactie van Petrus als Jezus het begrip ‘messias’ invult door een aankondiging van zijn lijden en dood.3

Tegenstrever

‘Ga terug, Satan, achter Mij,’ zegt Jezus tegen Petrus (8,33). Een duidelijke afwijzing, zo lijkt het. Maar wat hier staat is voor meerderlei uitleg vatbaar. ‘Ga terug achter Mij’ (Gr.: hupagè opisoo mou) is een echo van ‘Kom volg mij’ (Gr.: deute opisoo mou) in het roepingsverhaal van de eerste leerlingen (1,17). Vergelijk 1,20: ‘ze gingen achter Hem aan’ (Gr.: apèlthon opisoo autou).

Mogelijk wordt Petrus, zelfs nu hij zich opstelt als Satan/Tegenstrever, toch opgeroepen Jezus na te volgen. Hoe moeilijk die navolging kan zijn, blijkt dan uit het vervolg waar we ook de woorden vinden over ‘jezelf verloochenen’, die je ook kunt vertalen als ‘breken met jezelf’.

De kloof met onze huidige cultuur wordt hier acuut. De kerk staat altijd onder de verleiding niet de dingen van God maar die van ons mensen centraal te stellen. Wat zijn dan ‘de dingen van God’ (vs. 33)? Jakobus 1,27 benoemt het bijstaan van weduwen en wezen als de ‘reine, zuivere godsdienst’. Ben je zo dicht bij de dingen van God, dan mag de ecclesia inderdaad genoemd worden: ‘de eerste opbrengst van Gods schepping’ (Jak. 1,18). Vergelijk Stefan Paas: ‘Waar we controle verliezen, […] waar onze zelfhandhaving afbrokkelt, en waar kwetsbare ruimte ontstaat voor liefdevolle wederzijdse bediening, dáár kunnen ervaringen opkomen die we “typisch God” noemen. Jezus noemde dat “je leven vinden door het te verliezen”.’4

In Deuteronomium 4 is geen gedaante van de Eeuwige te zien, er is alleen een stem. Zo is het in zekere zin ook met de gemeente die de woorden van Jezus durft te volgen, inclusief het verloochenen van jezelf. We moeten er voorzichtig mee zijn, maar mogen we inderdaad niet het woord ‘tegencultuur’ in de mond nemen? Zo wordt een volk gemaakt (Deut. 4,20), als eerste opbrengst van de schepping.

Zoals gezegd: Marcus legt niets uit. Zoals de tekst er nu ligt nodigt deze niet uit tot een theologische beschouwing van wat ‘messias’ precies betekent, welke betekenis Jezus’ lijden heeft en hoe zijn lijden andere mensen ten goede kan komen. Maar de tekst schetst wel hoe dit alles uitwerkt bij de volgelingen van Jezus als de lijdende maar opgestane messias. Deze tekst is misschien wel vooral geschikt voor een beraad in de gemeente, van mensen die met beide benen in onze cultuur staan maar daar ook het nodige naast durven te zetten. Ook als ze daarmee iets verliezen?

Deze exegese is opgesteld door Erik van Halsema.

  1. Zie bijvoorbeeld Geert van Oyen in De Bijbel literair, Zoetermeer 2003, p. 514 en 523 ↩︎
  2. . Adela Yarbro Collins, Mark. A Commentary, Minneapolis 2007, p. 401. ↩︎
  3. Cf. Daniël de Waele, Vergeten rijkdom. Joodse wereldliteratuur uit de klassieke oudheid, Utrecht 2022, p. 136vv ↩︎
  4. Stefan Paas, Vrede op aarde. Over heil en redding in deze tijd, Utrecht 2023, p. 44, cf. 307 en 347. ↩︎

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken