Zacharia
INLEIDING
Inhoud van het boek Zacharia
De profetieën van Zacharia bevatten twee hoofddelen, die naar vorm en inhoud duidelijk te onderscheiden zijn. De eerste acht hoofdstukken vormen deel I van Zacharia en worden zonder meer aan de profeet toegeschreven. Ze bestaan hoofdzakelijk uit de zgn. ‘nachtgezichten’.
De hoofdstukken 9-14 vormen het tweede hoofddeel. Het vormt één doorlopende prediking van het grote einde met wat daaraan voorafgaat. Er bestaat verschil van mening over de vraag, wie de auteur is van dit gedeelte. Hiermee hangt samen de kwestie van de tijd, waarin deze profetieën vallen. De hoofdstukken 1-8 verplaatsen ons in de tijd van Zerubbabel en houden verband met de herbouw van de tempel. De nog zeer jonge profeet trad op in het tweede jaar van Darius I (522-486 v.Chr.), twee maanden na de profeet Haggaï, dat is in het jaar 520 v.Chr.
De hoofdstukken 9-14 brengen ons in een veel latere tijd, ongeveer 480 vóór Chr. De mogelijkheid bestaat dat Zach. 9:13 handelt over een mislukte aanval van Perzië op Griekenland.
In verband hiermee zijn er verschillende auteurs, die de hoofdstukken 9-14 aan Zacharia ontzeggen (ze spreken van: Deutero-Zacharia) en in veel jonger tijd stellen, maar hun argumenten zijn niet erg overtuigend. Beide delen kunnen heel goed door Zacharia geschreven zijn, met dien verstande, dat de profetieën in de capita 1-8 door de profeet op jeugdige leeftijd zijn uitgesproken en dat het tweede deel van dit bijbelboek (9-14) dateert uit een latere tijd, toen Zacharia op oudere leeftijd nogmaals onder het volk moest optreden.
Hierboven zeiden we al, dat het eerste deel (1-8) grotendeels visioenen bevat. Dat zijn gezichten, welke in wakende toestand worden ontvangen. Het zijn vaak onbegrijpelijke beelden, die ook aan de profeet moeten worden uitgelegd. Het zijn hier zgn. ‘apocalyptische visioenen’, waarbij de voorstellingen van Gods raad van de hemel naar de aarde gaan. Aan deze nachtgezichten is nog een redevoering over de vastendagen toegevoegd (7-8). In het tweede deel (9-14) is de oude Zacharia aan het woord, die verstaan heeft, dat het grote onheil niet onmiddellijk, maar in de eschatologische eindtijd zal aanbreken. Iemand vat dit deel samen onder het opschrift: ‘Het troostrijke einde’. Terecht, want in dit gedeelte wordt de verwachting uitgesproken dat de wereldmachten zullen vallen en het Rijk van God wordt opgericht. Gestraft zullen worden alle volken, die niet voornemens zijn de komende Koning (= Christus) in Jeruzalem te gaan huldigen. Doch de verlossing en de overwinning is voor allen, die op de HERE vertrouwen. Zo is het wereldeinde tweeledig: het brengt voor de gelovigen eeuwig heil, maar voor de goddelozen eeuwig onheil.
De profeet zacharia
De naam Zacharia betekent: ‘De HERE is gedachtig gewéést’ of: ‘De HERE houdt in gedachtenis’. Niet minder dan 25 personen worden in het O.T. met deze naam aangeduid.
De profeet Zacharia wordt nader genoemd: ‘de zoon van Berekja (= de HERE zegent), de zoon van Iddo’ (1:1, 7). In Neh. 12:4 wordt Iddo vermeld als het hoofd van een priestergeslacht, dat uit de ballingschap was teruggekeerd. Daaruit mag geconcludeerd worden, dat Zacharia stamt uit een priesterfamilie, evenals Jeremia en Ezechiël. In Ezra 5:1; 6:14 wordt Zacharia aangeduid als zoon van Iddo. Hier in Zach. 1:1,7 heet hij de kleinzoon van Iddo. Dit geeft geen moeilijkheden, als men bedenkt, dat ‘zoon’ in net O.T. meermalen de betekenis heeft van: afstammeling, nakomeling.
Deze priesterzoon zal de bekeringsboodschap van de profeten verder hebben uit te dragen: ‘Bekeert u tot Mij, dan zal Ik tot u wederkeren, zegt de HERE der heerscharen’ (1:3).
De tijd van zacharia’s optreden
Hierboven is reeds gezegd, dat de hoofdstukken 1-8 èn verschillende perioden van het leven van Zacharia geplaatst dienen te worden. Het hele boek moet in elk geval gedateerd worden in de tijd na de babylonische ballingschap. De vroegst gedateerde profetie van Zacharia werd gehouden in de achtste maand van het tweede jaar van koning Darius, dat is november 520 v.Chr. De profeet trad twee maanden later op dan Haggaï en één maand na de hervatting van de tempelbouw (Hag. 2:1). Zijn grootvader Iddo is tot ± 500 v.Chr. priester geweest, zodat Zacharia in die tijd wellicht nog zeer jeugdig was. Zijn werkzaamheid heeft langer geduurd dan die van Haggaï, want Zacharia profeteert nog in het vierde jaar van Darius (7:1). Bovendien zijn er in het eerste deel van Zacharia niet-gedateerde profetieën, te weten: 6:9-15 en 8:1-23.
De datering van de hoofdstukken 9-14 is aanzienlijk moeilijker. We vernemen nu niets meer over Zerubbabel, de hogepriester Jozua en ook niet meer over de tempelbouw. Voorts is er bij verschillende profetieën een zekere overeenkomst met die van Jesaja, Jeremia en Ezechiël, zodat gedacht is aan een andere auteur, de zgn. Deutero-Zacharia. Zoals we reeds opmerkten is het beter te denken aan Zacharia zelf als schrijver, maar dan op hogere leeftijd. Men denkt aan een tijdruimte van 40 jaar, zodat ± 480 v.Chr. de geest der profetie opnieuw over hemvaardig werd. In dit tweede deel predikt hij dan het volk over het komend gericht, maar mag hij ook profeteren van het komend heil in de grote eindtijd (9:13, 14).
Indeling van het boek zacharia
Het boek Zacharia kan als volgt worden ingedeeld:
Inleiding; oproep tot bekering (1:1-6)
Het eerste nachtgezicht: de ruiterscharen (1:7-17)
Het tweede nachtgezicht: de horens en de smeden (1:1821)
Het derde nachtgezicht: de man met het meetsnoer (2:15)
God temidden van zijn volk (2:6-13)
Het vierde nachtgezicht: de hogepriester Jozua (3:1-10)
Het vijfde nachtgezicht: de kandelaar en de olijfbomen (4:1-14)
Het zesde nachtgezicht: de vliegende boekrol (5:1-4)
Het zevende nachtgezicht: de vrouw in de efa (5:5-11)
Het achtste nachtgezicht: de vier wagens (6:1-8)
Redevoering over het vasten (6:9-8:23)
De wereldmachten vernederd; verlossing voor Gods volk (9:1-10:12)
Het oordeel over de volken; Jeruzalem gered (11:1-12: 14)
De heilstijd: zonde en afgoden weggedaan (13:1-9)
De redding van Jeruzalem; het koningschap is aan deHERE (14:1-21).
VERKLARING
Zacharia als ziener
Oproep tot bekering 1:1-6
In dit gedeelte spreekt Zacharia over zichzelf niet in de eerste, maar in de derde persoon. Dat een schrijver over zichzelf in de derde persoon spreekt, treffen we ook in andere profetische geschriften aan; het was in de oudheid niet ongewoon.
De profeet begint met zijn tijdgenoten te herinneren aan het feit, dat God hevig getoornd heeft tegen de vaderen. Dit slaat op de zonden van het volk vóór de ballingschap en de straf, welke daarop in de ballingschap is gevolgd (vs 2).
Dan volgt een opwekking om de zonden der vaderen niet na te volgen en zich te bekeren. Zonder deze bekering zullen de tijdgenoten van Zacharia geen deel hebben aan het heil (vs 3). Met grote nadruk wordt deze oproep tot bekering gesteld: tot driemaal toe klinkt het zo zegt de HERE der heerscharen. Deze oproep wordt nog eens versterkt door er – in negatieve zin – op te wijzen, dat de prediking van de ‘vroegere profeten’ (vs 4), dat zijn de profeten, die vóór de ballingschap zijn opgetreden (vgl. 7:7, 12), bij de vaderen ook al geen bekering teweeg gebracht had, zie vs 5.
Dan beëindigt de profeet de oproep tot bekering door er dringend op te wijzen, dat die vaderen en profeten weliswaar gestorven zijn, maar dat het Woord Gods blijft tot in eeuwigheid (vgl. Jes. 40:6-8). Laten zijn tijdgenoten zich aan dit Woord spiegelen, laten ze de les der historie ter harte nemen! Die les geldt ook vandaag voor Gods volk in onze tijd.
Het eerste nachtgezicht: de ruiterscharen 1:7-17
Het eerste visioen ziet Zacharia op de 24e dag van de elfde maand in het tweede jaar van Darius, di. 24 februari 520 v.Chr. (vgl. 1:1). De naam van de maand wordt met eenbabylonische naam aangeduid: Sebat. Invloed van de babylonische ballingschap (vs 7).
De profeet ziet het gezicht in de nacht (vs 8). Vermoedelijk ziet hij alle visioenen in één nacht. Geen wonder dat hij vermoeid raakt en door de engel, die met hem sprak (vs 9) aan het begin van het vijfde visioen gewekt moest worden, zoals iemand, die uit zijn slaap gewekt wordt (4: 1).
In het eerste gezicht ziet Zacharia allereerst een ruiter op een rood paard, staande tussen de mirten. Dit is de Engel des HEREN (zie vs 11). In het oude Oosten is de mirte de bruidsbloem. Hiermee wordt de tere en lieflijke verhouding aangeduid, die bestond tussen God en zijn volk. De mirten staan in de diepte: het volk verkeert in de diepte der vernedering.
Zacharia vraagt aan de tolkengel, dat is diegene, die telkens de betekenis van de nachtgezichten aan de profeet verklaart (1:9; zie ook 2:3; 4:1, 10; 6:4) wat de paarden (hebr.: war zijn deze?) betekenen. De man die tussen de mirten stond, dezelfde als de ruiter op het rode paard (vs 8) is de Engel des HEREN, zie vs 11, die ten antwoord geeft, dat de paarden door God zijn uitgezonden om de aarde tè doorkruisen, ieder naar één bepaalde windstreek, 1:10. De ruiters brengen thans rapport uit. Hun boodschap luidt, dat ze de hele aarde stil en rustig hebben bevonden (hebr.: ‘zit neer en is stil’). Het lijkt een gunstig bericht maar het is een beangstigende stilte: de rust van het kerkhof!
In verband met vs 13 is het aannemelijk, dat in vs 12 niet gelezen moet worden de Engel des HEREN, maar de tolkengel (zie vs 9). Deze brengt onder woorden, wat er in Zacharia’s hart omgaat, nl. de bede: HERE, hoelang nog zult U zonder erbarmen zijn over Jeruzalem en de andere stéden, die al 70 jaar (vanaf 586 v.Chr.) verwoest liggen?
Dan komt (vs 13) uit de mond des HEREN de profetie van heil, welke de uitleggende engel onder goede, troostrijke woorden aan de profeet mag doorgeven: Boodschap het volk, dat de HERE voor Jeruzalem en Sion (= de tempelberg) in grote ijver (hebr.: naijver, jaloersheid) is ontbrand. Die naijver houdt twee dingen in: een vernietigend oordeel over allen, die God tegenstaan en bescherming voor allen die Hem dienen (vs 14).
De toorn van God geldt de overmoedige volken, die Israel in ballingschap hadden gevoerd. Weliswaar waren zij instrumenten in Gods hand, maar zij hadden Israel onderdrukt met kwade bedoelingen (vs 15). Sommige uitleggers denken aan de genabuurde kleine volken, zoals Moab, Ammon, Edom, maar met het oog op 1:21 is het beter hier te denken aan Babylonië (vgl. 2:6) en in mindere mate aan Perzië.
‘Daarom’, vs 16, omdat de HERE in liefde is ontbrand voor zijn volk en zeer toornig is op de heidenen, keert Hij in erbarmen tot Jeruzalem terug en wil weer in de tempel wonen, waarvan de herbouw reeds was begonnen, zie Hag. 2:1. Er was precies vijf maanden aan gewerkt, toen Zacharia deze nachtgezichten ontving. Met ‘het spannen van het meetsnoer over Jeruzalem’ wordt bedoeld de inleidende handeling tot de herbouw van de verwoest liggende stad. Vgl. 2:1; Job 38:5; Jer. 31:39; Ez. 40:3. Vers 17 geeft een nadere toevoeging. Niet alleen Jeruzalem, maar ook de andere steden van Juda zullen van het goede overvloeien. God noemt ze ‘Mijn steden’, om hiermee zijn liefde uit te drukken. Onder ‘het goede’ kan het messiaanse heil worden verstaan. De vervulling van deze profetie bestaat principieel in het door Christus’ eerste komst geschonken geestelijk heil en finaal in de heilsvoltooiing op de Jongste Dag.
Het tweede nachtgezicht: de horens en de smeden 1:18-21
Dit tweede gezicht (in de hebreeuwse tekst is het Zach. 2: 1-4) vertolkt een gedachte, welke ook reeds in het eerste visioen tot uitdrukking kwam (1:15), nl. de vernedering van de aan Juda vijandige volkerenwereld.
Wat Zacharia ziet zijn allereerst vier horens. Het getal vier heeft betrekking op de vier windrichtingen en beeldt de wereldmacht uit. De hoorn is in het oude Oosten het symbool van kracht, zie Deut. 33:17; 1 Kon. 22:11; Ps. 92:11; Jer. 48:25; Dan. 7:8. Te denken valt hier aan Ba-bel, waaronder Juda zo bitter te lijden heeft gehad en dat Juda in ballingschap had gevoerd. Die horens ‘verstrooien’(vs 19). De verklaring mengt zich in het visioen, want het eigenlijke werk van een hoorn is stoten. Vervolgens komen vier smeden, die de horens verschrikken, di. neerslaan, verpletteren (vss 20, 21). Een volgende wereldmacht zal de eerste vernietigen: zo ging Babel ten onder tegen de Perzen, de Perzen tegen de Grieken, (Alexander de Grote), enz. totdat uiteindelijk het Koninkrijk van God overwint.
Het derde nachtgezicht: de man met het meetsnoer 2:1-5
In het derde visioen wordt een gedachte ontwikkeld uit het eerste visioen, nl. de wederopbouw van Jeruzalem (1: 16). Zacharia ziet een (jonge, vgl. vs 4) man – misschien één van de teruggekeerde ballingen – met een meetsnoer in de hand. Zo’n meetsnoer diende: om te verdelgen (2 Sam. 8:2), om grond te vervreemden (Arnos 7:17), grond toe te wijzen (Micha 2:5) of grond op te meten (hier in Zach. 2:1). Op de vraag van de profeet antwoordt deze ‘jongeling’ (vs 4), dat hij Jeruzalem gaat opmeten ‘om te zien hoe groot zijn breedte en lengte zal zijn (vs 2) of ‘moet worden’. De herbouwde stad is er nu (di. 519 v.Chr.) nog niet, maar zal er zeker komen! De jonge landmeter had de bedoeling, dat rondom Jeruzalem een muur zou worden opgetrokken, maar dan komt de hemelse correctie (via de tolkengel en een andere engel): ‘als een open plaats zal Jeruzalem daar liggen’ (lett.: als dorpen zal Jeruzalem bewoond worden, dwz. een stad zonder muren, een onversterkte plaats (Ester 9:19): het Rijk van God behoeft niet beschermd te worden door aardse machtsmiddelen, omdat God Zelf het beschermt (vgl. Ps. 125:2).
God temidden van Zijn volk 2:6-13 (Hebr. 2:10-17)
Het is mogelijk dit gedeelte te beschouwen als een nadere toevoeging bij het derde gezicht, maar bovendien kan het ook slaan op het tweede visioen over de vernedering der volken. Omdat over het Noorderland (= Babel; lag eigenlijk ten o. van Kanaän, maar de weg erheen liep in noordelijke richting, vgl. Jer. 1:14) het oordeel van God komt, roept de profeet de ballingen in Babel toe, dat ze de vlucht moeten nemen naar Sion (= Jeruzalem, vs 7). Want God kan niet gedogen, dat men Zijn volk te na komt; het is immers Zijn oogappel, zie Deut. 32:10. Daarom zal ‘Hij zijn hand bewegen tegen hen’ (vs 9): met één goddelijk handgebaar zal over het lot van Juda’s overweldigers worden beslist. De dochter van Sion, di. de bevolking van Jeruzalem, mag juichen (vs 10 w; vgl. Sef. 3:14, 15), want de HERE zal Jeruzalem nóg (of: weer) verkiezen, zie Ez. 48:35. Omgeven door talloze engelen komt God eraan om intrek te nemen in zijn heilige tempel en vele volken zullen Gods volk zijn (vs 11). Welk een machtig supranationaal woord! Een zendingstekst bij uitnemendheid! Vs 13 ‘God komt uit zijn heilige woning’, di. uit de hemel, Deut. 26:15; Ps. 68:6; Jer. 25:30. Vgl. Hab. 2:20.
Het vierde nachtgezicht: Jozua gerechtvaardigd 3:1-10
De hogepriester Jozua (= de HERE is verlossing) wordt in dit visioen aangeklaagd als ongeschikt voor zijn hoge ambt, omdat hij in het heidense land Babel gewoond had. Vanwege deze onreinheid klaagt de satan (= tegenstander; zie Job 1:6; 1 Kron. 21:1) hem aan (hebr.: om hem te weerstaan). God Zelf echter neemt het krachtig voor Jozua op (vs 2). Hij bestraft (dit werkwoord wordt hier tot tweemaal toe gebruikt) satan en het motief ligt in het feit, dat de HERE Jeruzalem als de plaats voor zijn woning verkiest (vgl. 1:17; 2:12). Dit motief wordt nog versterkt door de vraag: ‘is deze (= Jozua) niet een brandhout uit het vuur gerukt?’; vgl. Jes. 7:4; Arnos 4: 11. Jozua is als vertegenwoordiger van Aärons huis ternauwernood aan de ballingschap ontkomen. De aanklacht van Satan is niet zonder grond: Jozua staat vóór de Engel des HEREN in vuile klederen (symbool van de zonde). ‘Die vóór Hem stonden’ zijn de andere engelen, die de Engel des HEREN ten dienste staan (dezelfden als in vs 7 ‘onder hen die hier staan’). Maar dan krijgt Jozua feestklederen (vs 4) als bewijs van eer en hoogheid (vgl. Jes. 3:22): hij krijgt het recht en de eer van het hogepriesterschap terug. Behalve dit staatsiegewaad ontvangt Jozua tevens ‘een reine tulband’ (vs 5) met de in goud gegraveerde letters: ‘De HERE heilig’, zie Ex. 28:36- de vss 6-10 wordt aan het visioen een profetische rede vastgeknoopt. De Engel des HEREN vereenzelvigt zich met God Zelf (zie 1:13) en vermaant (= nadrukkelijk verzekeren) Jozua om in de wegen van God te wandelen en als Hogepriester Zijn verordeningen op te volgen. AlsJozua dat doet zal hij de tempel mogen besturen en zal deze eenmaal worden voltooid. Hij zal in de tempel zelfs even dicht bij God staan als de engelen in de hemel (vs 7). Er komt nog een belofte (vss 8-10): de hogepriester en het hele priesterlijke college zijn als een wonderteken, vanwege het feit, dat ze in het gericht van de ballingschap zijn bewaard. Ze zijn er waarborg voor, dat de Messias, (de) Spruit eens zal komen. Het Hebreeuws gebruikt geen lidwoord, zodat het ‘t karakter van een eigennaam heeft gekregen, vgl. Jer. 23:5; 33:15. De Messias zal als een nieuwe loot uit de van takken beroofde tronk voortkomen uit het huis van David (Jes. 11:1). Voorts wordt de top- of gevelsteen vóór Jozua neergelegd, welke wordt aangebracht als de tempel voltooid is (4:7). Op die steen zijn zeven ogen gericht (vs 9), dwz. de tempel staat onder de hoede van Hem, wiens blikken over de ganse aarde gaan. Zie ook 4:10; velen zijn van mening, dat de tweede helft van 4:10 hier thuishoort. De HERE Zelf zal op die steen het opschrift aanbrengen, als de tempel voltooid is; ‘opschrift’: vgl. Ex. 28:11, 21, 36, waar staat dat de namen van de stammen Israels in de edelstenen op de schouderstukken van de efod van de Hogepriester waren ingegraveerd. In ‘profetisch perspectief’ kondigt de profeet aan, dat in de messiaanse tijd God de schuld zal vergeven door het offer van Christus aan het kruis. Dan zal men elkander nodigen onder de wijnstok en de vijgeboom: beelden van vrede en welvaart (vgl. 1 Kon. 4:25; Micha 4:4).
Het vijfde nachtgezicht: de kandelaar en de twee olijfbomen 4:1-14
Eén van de moeilijkste nachtgezichten. Tot tweemaal toe moet Zacharia naar de betekenis ervan vragen (vss 5 en
8) .
In dit vijfde visioen ziet hij een gouden kandelaar of luchter met een oliehouder of reservoir er bovenop. De kandelaar heeft zeven lampen, die gevoed worden met olie via toevoerbuizen, eveneens zeven in getal. Tenslotte zijn er nog twee olijfbomen, de één rechts, de ander links van de oliehouder (vss 1-3). Een heel andere kandelaar dus dan in de tabernakel (Ex. 25:31-40); echt een kandelaar, zoals in een visioen gezien kan worden: treffend symbool voor de eredienst in de tempel.
In de nu volgende verzen (4-7) lezen we de betekenis van dit visioen. Het blijkt, dat het raadselachtige meer in de olijfbomen schuilt dan in de kandelaar. In het antwoord van de tolkengel beluisteren we de belofte omtrent het herstel van de tempel en dat: niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest (vs 6). Bedoeld is de Heilige Geest, die symbolisch wordt aangeduid door de olie van de kandelaar (vgl. 1 Sam. 10:1, 6; Jes. 61:1).
Voor wie het van God verwachten worden bergen vlak (vs 7: misschien de puinheuvel van de verwoeste tempel; vgl. Jes. 40:4) en dan zal de tijd komen, dat Zerubbabel de gevelsteen als sluitsteen tevoorschijn zal halen en daarmee de tempelbouw zal voltooien, zie 3:9.
De verzen 8-10 staan in nauw verband met de voorafgaande en bevatten Gods beloften aangaande de voltooiing van de tempelbouw. Dan zullen de mensen weten, dat Zacharia waarlijk een profeet van God is geweest (vs
9) . ‘Want wie veracht de dag der kleine dingen?’ (vs 10).
Waar Gods Geest werkt kan ook een kleinere tempel (vergeleken met het grootse bouwwerk van Salomo) tot grote zegen zijn! Zie voor de kleinheid en eenvoud van de nieuwe tempel in vgl. met de vorige Ezra 3:12; Hag. 2: 4. Voor de uitleg van de ‘zeven ogen des HEREN’ verwijzen we naar 3:9. De tweede helft van vs 10 hoort waarschijnlijk thuis in 3:9.
Op de vragen van de profeet (vss 11 en 12) naar de twee olijfbomen en de twee olijftakken die door twee gouden buizen het goud (= de goudgele olie, beeld van de Heilige Geest) van zich doen uitvloeien, geeft de tolkengel ten antwoord (vs 14), dat zij de oliegevers, de twee gezalfden zijn, die vóór de HERE der ganse aarde staan. Misschien zijn dit Zerubbabel en Jozua, vertegenwoordigers van de wereldlijke en geestelijke macht over Israel, daartoe gezalfd door Gods Geest.
Het zesde nachtgezicht: de vliegende boekrol 5:1-4
In het zesde visioen aanschouwt de profeet een vliegende boekrol van enorme afmetingen. Hij is 10 maal 20 el, dat is even groot als het Heilige in de tempel! Zie over een boekrol bv. Jes. 34:4; Jer. 36:2; Ez. 2:9; 3:1-3. De rol vliegt en maakt in uitgerolde toestand op Zacharia de indruk van een geweldige roofvogel, die met zijn machtige vleugels aan komt suizen, gereed om zich op zijn prooi te werpen. Deze rol symboliseert de vloek van God over elke onbekeerlijke zondaar tegen de eerste tafel der wet (hier wordt het derde gebod genoemd: vals zweren) en tegen de tweede tafel (genoemd wordt het achtste gebod: stelen). Waarschijnlijk kwamen deze zonden (waarin ook de zonden tegen de andere geboden zijn begrepen) in het Israel van Zacharia’s dagen veel voor.
Die vloek komt niet van beneden, maar van boven: van de HERE der heerscharen (Sebaot = de engelenlegers, ontbreekt in de vertaling van het NBG ten onrechte; in het Hebreeuws staat deze toevoeging er duidelijk bij). Deze zondaars worden weggevaagd (vgl. Ps. 104:35; Op 21:8) met hun huizen (‘zowel zijn houtwerk als zijn stenen’, dwz. volledig, radicaal!). Ook in het eind der dagen worden de goddelozen geworpen in ‘de poel des vuurs’ en de gemeente van de Here Jezus wordt een heilig volk zonder zonden en ongerechtigheden!
Het zevende nachtgezicht: de vrouw in de efa 5:5-11
In het zevende visioen gaat het over het wegdoen van de zonde onder het volk. Als de tolkengel aan de profeet vraagt, wat er naar voren (= tevoorschijn) komt (vss 5, 6), antwoordt Zacharia: een efa. Dat is een inhoudsmaat van , welke vrijwel in elke joodse woning aanwezig was. Het uitzonderlijke is, dat deze efa zó groot was, dat er gemakkelijk een mens in kon… Onmiddellijk volgt de uitleg: ‘dit is hun oog in het ganse land’ (vs 7). Met een kleine wijziging moet waarschijnlijk gelezen worden: ‘dit is hun ongerechtigheid in het ganse land’. Het loden deksel, dat zich op de efa bevindt wordt enigszins opgelicht: blijkbaar tracht de vrouw, die in de efa zit opgesloten te ontsnappen! De ongerechtigheid wordt afgebeeld als een vrouw. In de Openbaring treedt de antichristelijke macht, Babel eveneens op in de gestalte van een vrouw. De zonde doet zich heel beminnelijk en bekoorlijk voor. Bovendien wordt de goddeloosheid als vrouw voorgesteld, omdat:
1.het hebr. woord voor goddeloosheid vrouwelijk is;
2.personificaties in het hebr. steeds vrouwelijk zijn, ook de wijsheid, vroomheid, Spr. 8:9.
Nu treedt de tolkengel zelfs handelend op: hij duwt de vrouw terug in de efa en sluit het deksel. De hemelse kracht is sterker dan alle goddeloze machten (vs 8)!
Dan ziet Zacharia twee vrouwen tevoorschijn komen: ‘met vleugels als van een ooievaar’ (vs 9): ze moeten ook voortgedragen door de wind een grote afstand afleggen, nl. naar het land Sinear, di. Babylonië (zie oa. Gen. 10: 10; 14:1; Jes. 11:11; Dan. 1:2). De twee vrouwen hebben geen bijzondere betekenis in dit visioen. Ze dienen alleen om de handeling mogelijk te maken. Daar hoort de goddeloosheid thuis en daar moet ze wonen (vs 11). Met het huis dat in Babel gebouwd wordt, wordt misschien een tempel bedoeld, zoals in 1:16. Christus brengt scheiding: de goddelozen zullen in Babel ondergaan, maar Gods kinderen zullen straks eeuwig wonen in het Nieuw Jeruzalem!
Het achtste nachtgezicht: de vier wagens 6:1-8
Dit laatste visioen herinnert sterk aan het eerste (1:7-17). Ook nu ziet de profeet paarden van verschillénde kleuren. Doch nu dragen ze geen ruiters, maar zijn ze voor wagens gespannen. Een belangrijk onderscheid is ook, dat in het eerste gezicht de ruiters waren teruggekeerd van hun tocht over de aarde, terwijl in dit visioen de wagenspannen worden uitgezonden om de tocht naar de aarde te ondernemen.
Vier wagens komen naar voren (vs 1), di. tevoorschijn, zie 5:5, 9. Het woord ‘wagen’ duidt gewoonlijk een strijdwagen aan, maar wordt ook gebruikt voor de cherubwagen (1 Kron. 28:18) of zegewagen. Dit laatste is hier het geval, omdat ze komen van de HERE der ganse aarde (vs 5). Onder de koperen bergen, waartussen de (morgen)zon opkwam en de bergen koperkleurig verlichtte is dan de uitgang van de hemel te verstaan.
De paarden vóór de wagens hebben elk hun eigen kleur; zie voor de verklaring het eerste visioen (1:7-17). Ze herinneren aan de paarden uit Op. 6: rood, de kleur van bloed en vuur (oorlog); zwart, de kleur van de honger; wit, de kleur van de overwinning en de reinheid; gevlekt (vaal), de kleur van de dood. Sommige uitleggers menen, dat de toevoeging ‘sterke paarden’ in vs 3 gekomen is onder invloed van vs 7 en dat daar oorspronkelijk ‘rode’ paarden heeft gestaan.
Opnieuw vraagt Zacharia (vs 4; zie 1:9) aan de tolkengel wat dit gezicht te betekenen heeft. De engel antwoordt, dat de paarden, die vóór ‘de HERE der ganse aarde’ gestaan hebben er op uitgaan om hun opdracht (zie vs 8) te vervullen. Ze trekken naar de vier windstreken des hemels: noord en zuid, oost en west. Vers 6 geeft een nadere aanwijzing: de zwarte paarden gaan naar het Noorder-land, de gevlekte paarden met hun wagens naar het Zuiderland. In de tekst staat, dat de witte paarden de zwarte ‘achterna’ gingen, maar dan zouden twee wagens naar dezelfde landstreek gaan. Waarschijnlijk dient men te lezen: de witte paarden gaan naar het oosten en de rode paarden naar het westen.
De rode (ipv. ‘sterke’, zie onder vs 3) paarden kwamen opzetten (= stonden op het punt uit te trekken), vs 7. Zij (= de wagens en paarden) wachten vol ongeduld om de triomftocht te beginnen. Dan komt het bevel: ‘Gaat heen, doorkruist de aarde’. Dit bevel geeft God zelf of de Engel des HEREN; in dit geval moet ‘Hij’ met een hoofdletter geschreven worden.
Omdat in vs 8 gesproken wordt van ‘mijn Geest’valt aan te nemen, dat God opnieuw spreekt en dat Hij zegt, dat de (zwarte) paarden in het Noorderland (= Babylonië, zie 2:6) zijn Geest tot rust brengen (of: neerlaten): Teken van Gods almacht over de hele wereld. Babel zal vergaan en de macht der wereld verdwijnt, maar het Rijk van God blijft tot in eeuwigheid! God vangt zijn triomftocht aan over de aarde en dat betekent óók de verlossing van de nog in Babel achtergebleven ballingen.
Redevoering over het vasten 6:9-8:23
Jozua gekroond 6:9-15
Na de acht visioenen hebben we in dit gedeelte een openbaring, waarschijnlijk langs de weg der profetische inspraak, die zich nauw bij de nachtgezichten aansluit, omdat ze spreekt van de Messias en de voltooiing van de tempelbouw. De profeet ontvangt van God bevel (vs 10) om gaven (nl. zilveren goud, zie vs 11) te nemen van drie ballingen: Cheldai, Tobia en Jedaja. Deze afgevaardigden kwamen de bijdragen van hen die in Babel waren achtergebleven, aan de bouw van de tempel te Jeruzalem, overbrengen. Ze hadden hun intrek genomen in het huis van Josia, de zoon van Sefanja. Daar moet Zacharia zich heen begeven, het zilver en goud (vs 11) in ontvangst nemen en daarvan een kroon maken.
Het Hebreeuws heeft een meervoud: kronen. Zo ook in vs 14, maar daar staat het werkwoord in het enkelvoud. Misschien bestond de éne kroon uit verschillende zilveren en gouden ringen, vgl. Job. 31:36.
De profeet moet deze kroon zetten op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak (zie Zach. 3). Dan komt opnieuw (vgl. 3:8) de belofte, dat Iemand zal komen, wiens naam is Spruit. Deze zal als een nieuwe loot ‘uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel des HEREN bouwen’ (= voltooien). Dit laatste kan zowel slaan op Zerubbabel als op de Messias, vs 12.
Met nadruk wordt in vs 13 gezegd, dat Die (di. de Messias) de (geestelijke) tempel zal bouwen, de Kerk des HEREN. Hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon. Misschien moet ipv. ‘hij zal als priester zijn op zijn troon’, met de LXX gelezen worden: een priester zal aan zijn rechterhand zijn. En méér dan Zerubbabel is hier: de Messias is tegelijk priester en koning] Dan is er geen rivaliteit tussen wereldlijk (Zerubbabel) en geestelijk (Jozua) gezag. In Christus komen de lijnen van het koningschap tot heil van het volk en van het priesterschap met de dienst der verzoening samen, zodat ‘er heilzaam overleg tussen hen beiden zal zijn’, vs 13. De kroon moet als een wijgeschenk in de tempel worden geplaatst tot gedachtenis aan Cheldai (ipv. Chelem, zie vs 10), Tobia, Jedaja en Chen (een andere naam voor Josia, zie vs 10). De daad van de ballingen met hun geschenken is bovenal een profetie van de tijd (vs 15), dat zij ‘die verre zijn’ (= de achtergebleven ballingen) aande tempel zullen helpen meebouwen. Ook kan gedacht worden aan de heidenen (2:11), die bouwen zullen aan de geestelijke tempel. Dit toegezegde heil zal komen, als aandachtig geluisterd wordt, di. in gelovige gehoorzaamheid, naar de stem van de HERE, uw God, vgl. Deut. 28: 1.
Gehoorzaamheid beter dan vasten 7:1-14
Opnieuw kwam het woord des HEREN tot Zacharia. Deze profetie is nauwkeurig gedateerd, nl. in het vierde jaar van Darius, op de 4e dag van de 9e maand (in het babylonisch Kislew, vgl. 1:7), di. in december van het jaar 518 v.Chr. Aanleiding tot deze profetie (vs 2) was een vraag (van boden uit Betel, die naar Jeruzalem waren gekomen) inzake één van de gebruikelijke vastendagen. Deze zijn ingesteld na de verwoesting van Jeruzalem in 587 v.Chr. Nu de tempel herbouwd is, lijken deze vastendagen hun zin verloren te hebben, zie 8:19. Als afgezanten worden genoemd: Sareser (Ass.: bescherm de koning) en Regem-melek (= vriend van de koning; vgl. 1 Kron. 2:47), die namens de inwoners van Betel vragen: ‘moet ik (collectief voor de hele bevolking van Betel) in de vijfde maand wenen en vasten?’ (vs 3). Dan antwoordt Zacharia tot heel de op het tempelplein vergaderde schare: doen jullie dit 70 jaar lang (van 586-518 v.Chr., di. 68 jaar) voor uw eigen geestelijke behoeften of voor de God van Israel (vss 5-7)? Ging het zo ook niet met de woorden van de profeten vóór de ballingschap (vgl. 1:4)? Tot wie die woorden kwamen worden genoemd de bewoners van het Zuiden (= het Zuiden van Juda, vgl. Gen. 12:9), en de Laagte (= de zgn. sef ela, het heuvelland tussen het westen van Juda en Filistea, Deut. 1:7). Dan zegt de profeet in opdracht van de HERE (vs 8): niet het vasten, maar het houden van Gods geboden (het volk wordt vermaand recht, liefde en barmhartigheid te betrachten (vs 9) en dus (vs 10) de maatschappelijk zwakken, weduwen, wezen, vreemdelingen (‘bijwoners’ waren mensen van een ander volk, die onder Israel gastrecht bezaten) en armen niet te verdrukken en het niet op elkanders ongeluk toe te leggen. De vaderen hadden de ‘vroegere profeten’ niet gehoorzaamd, ze maakten hun hart zo hard als ‘diamant’ (Ez. 11:19 spreekt van ‘steen’) zodat een grote toorn van God op hen kwam (= de ballingschap). U ziet, zo zegt Zacharia tot het volk, het resultaat van deze ongehoorzaamheid: ze zijn als kaf voor de stormwind onder alle volken weggestoven, het land ligt verlaten (vs 14). Zo hebben zij -aldus luidt zijn klacht – Kanaän, dat kostelijke land, gemaakt tot een woestenij, vgl. Jes. 6:11 v.
Niet vasten, maar luisteren naar Gods stem en Zijn geboden onderhouden, daar komt het op aan!
Heilsbeloften met het oog op de messiaanse tijd 8:1-23
Als het Messiaanse heil gekomen is, verdwijnen alle rouwdagen. Deze rede van Zacharia bestaat uit 10 Godsspraken, die alle (behalve in vs 3) worden ingeleid met de woorden: ‘Zo zegt de HERE der heerscharen’.
De HERE betuigt eerst, dat Hij voor Sion in grote ijver is ontbrand, vgl. 1:14. De tweede Godsspraak (vs 3) geeft de verzekering, dat de HERE tot Sion zal terugkeren en weer in Jeruzalem zal wonen. Ze zal ‘stad van de trouw’ en Sion ‘de berg der heiligheid’ worden genoemd. In vrede zullen oude mannen en vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten (vs 4), zo luidt de derde Godsspraak en de jeugd zal er spelen. Het mag – zo zegt de vierde Godsspraak – wonderlijk zijn in de ogen van het overblijfsel (= ballingen èn teruggekeerden, zie Hag. 1:12), dit is het niet voor God! (vs 6). De HERE zal zijn volk verlossen ‘van de opgang’ (= het oosten, Babylonië) en ‘van de ondergang van de zon’ (= het westen, zie Jes. 43:5). Ze zullen in trouw en gerechtigheid in Jeruzalem wonen (vs 8). De zesde Godsspraak wekt het volk op moed te vatten, zowel in de tempelbouw, alsook in hun dagelijks beroep: Laten uw handen sterk zijn (vs 9; vgl. Hag. 2:1620). Het is thans een zegenrijke tijd. Toen de tempelbouw stil lag was er immers een grote sociale nood? Thans ziet de HERE in gunst neer op het ‘overblijfsel van het volk’ (vs 10,11; vgl. vs 6). Wijnstok en akker geven een overvloedige oogst, mogelijk, omdat de hemel zijn dauw geeft, vgl. Hag. 1:10; Hos. 2:20 v. Zo wordt het lot van Juda en Israel in zijn tegendeel veranderd: de vloek verandert in een zegen (vs 13). Deze zesde spreuk is wat uitvoeriger dan de andere.
De zevende spreuk (vss 14-17) is redengevend met het woordje ‘want’ aan de vorige verbonden. Nu de herbouw van de tempel hervat is, zal God zijn toorn intrekken en Jeruzalem en Juda wèl doen. Maar wil het volk blijvend in de gunst van de HERE delen, dan moeten ze wel Gods geboden houden: de waarheid spreken, ‘in de poorten’ (= de plaats waar in de oud-oosterse stad het recht werd gesproken) ‘heilzaam’ (het woord sjalom drukt een heilrijke toestand uit) rechtspreken, elkaar niet belagen en geen valse eden zweren, vgl. 5:3 vv.
Aan de zeven Godsspraken van vss 1-17 voegt het besluit van Zacharia’s rede nog een drietal spreuken toe (vss 1823). Vs 19 brengt de achtste Godsspraak, die aankondigt, dat al de vastendagen, welke nav. Jeruzalems verwoesting waren ingevoerd (zie 7:3) voor Juda in blijde feestdagen zullen worden veranderd. In de negende spreuk wordt de heerlijkheid van Jeruzalems toekomst nog nader beschreven door de voorzegging, dat volken zullen komen om de HERE te zoeken, vgl. 2:11; Hag. 2: 8. Tenslotte wordt in de tiende en laatste Godsspraak (vs 23) de voorzegging van de uitbreiding van het heil tot de volken voortgezet. Het heil van Juda is zo groot, dat het de volken tot jaloersheid wekt. In die dagen (= de Messiaanse tijd) zullen tien heidenen een judese man bij zijn kleed vastgrijpen (een teken, dat men bij hem horen wil, vgl. Jes. 4:1), omdat God met hem is.
Het troostrijke einde Zach. 9-14
De wereldmachten vernederd; verlossing voor Gods volk 9:1-10:12
Het Godsrijk gesticht 9:1-17
Met hoofdstuk 9 begint het tweede hoofddeel van de profetieën van Zacharia (zie de inleiding). Niet ten onrechte door iemand genoemd ‘het troostrijke einde’. Zacharia spreekt hierin de verwachting uit, dat de wereldmacht valt en het Rijk van God wordt opgericht. Vs 9 geeft als algemeen opschrift boven de hoofdstukken 911: ‘Godsspraak, het woord des HEREN’, zie ook 12:1; Mal. 1:1. Hij (= de HERE) is in het land Chadrak (eenlandstreek ten n. van de Libanon, tussen Damascus en Hamath) en in Damascus vestigt Hij Zich. God heerst over de hele aarde! Zelfs over Tyrus (vs 2), ‘al is het nog zo wijs’, dwz. al acht het zich van iedere andere macht onafhankelijk. Tyrus lag nl. op twee eilandjes, door een zeearm van ± breed van de kust gescheiden; die eilandjes waren door een dam met elkaar verbonden en zo was het een bijna onneembare vesting! Maar noch verdedigingswerken (‘zijn voormuur’, vs 4), noch rijkdom baten als de HERE komt aanstormen!
Het lot van Tyrus verwekt schrik in het land der Filistijnen (vs 5). Als steden worden genoemd: Askelon, Gaza, Asdod en Ekron, zo ook Jer. 25:20. Gat ontbreekt, omdat het in 711 v.Chr. door de Assyriërs was verwoest. Het zal zelfs zo zijn, dat een ‘bastaardvolk’ (vs 6), dat zijn afstammelingen uit gemengde huwelijken, in Asdod zal wonen. Hier als vernedering en smaad voor Asdod bedoeld. Ook in Israel werden bastaarden geminacht, Deut. 23:2; Neh. 13:23-25. Ze zullen geen vlees meer eten met bloed (dit was in strijd met Gen. 9:4). Na het oordeel zal er ook uit de Filistijnen een godvrezend overblijfsel zijn, vgl. Ps. 87:5 (vs 7). In de Messiaanse tijd zal God Zelf zijn huis (= het heilige land, met name Juda) beschermen, zodat het niets te vrezen heeft.
In de nu volgende verzen 9 en 10 wordt de Messias aangekondigd, die niet als de wereldse machthebbers op een paardrijdt, maar op een ezel, vgl. Mat. 21:5; Joh. 12:14, 15. Het rijden op een ezel gold in oude tijd als iets koninklijks. Het duidt hier méér de vredelievendheid van de koning aan (tov. het paard als oorlogsdier) dan zijn nederigheid, vgl. 10:5. Sions Koning’ zal de strijdwagens uit Efraïm en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen; zelfs de strijdboog heeft geen waarde meer, omdat er geen vijand is en over de hele wereld, van de Rivier (= de Eufraat) tot de einden der aarde zal Zijn vrederijk aanbreken! ‘Dochter van Sion’, zie 2:10; Sef. 3:14, 15.
Bij het ‘verbondsbloed’ in vs 11 is te denken aan de offers, welke door het volk werden gebracht. Terwille daarvan zullen de gevangenen vrij komen uit de put, waarin geen water is (= beeld van de ballingschap). Ze mogen terugkeren tot de ‘burcht’ (= Sion) en de HERE zal voor al het doorstane leed vergelding doen, vgl. Jes. 40:2. In vs 13 wordt Juda met een boog vergeleken en Efraïm met een pijl, die strijden tegen de zonen van Jawan (= Griekenland, vgl. Joël 3:6): God zal ook die opkomende wereldmacht doen vergaan. De HERE zal op de bazuin blazen: figuurlijke schildering van de hulp, die Hij geeft. Dit blijkt ook uit het beeld van de ‘zuiderstor-men’, die in Palestina berucht waren om hun hevigheid, Jes. 21:1.
De HERE zal Israel beschutten (vs 15), het volk zal de Grieken totaal vernietigen, zodat ze worden ‘als een sprengbekken, als de hoeken van het altaar’ beelden ontleend aan Israels eredienst, waarbij veel bloed te pas kwam, zie Heb. 9:22. God beschermt en verlost zijn volk, dat slechts een weerloze kudde is. Ze zullen als juwelen zijn in de kroon, die blinken in Kanaän. Het is moeilijk te zeggen, wanneer de vervulling van de toekomstige heerlijkheid van het volk Israel in concreto heeft plaats gehad. Vastgesteld moet worden, dat Efraïm (vss 10, 13) na de ballingschap niet meer bestaat. Doch dit is zeker: in de toekomstige Messiaanse eindtijd zal er grote welvaart en luister zijn: het koren doet jongelingen en de most jonkvrouwen gedijen: schildering van een gezegende vruchtbaarheid.
Israels overwinning en terugkeer 10:1-12
Hoofdstuk 10 verplaatst ons in een situatie van grote droogte. De late regen, de voorjaarsregen was uitgebleven, zie Jer. 3:3 (vgl. over de vroege en late regen, Deut. 11:14). De regen, noodzakelijk voor elk gewas op het veld, komt van de HERE, maar vanwege allerlei afgodische praktijken: terafim, waarzeggerij, bedriegelijke dromen, die geen enkele troost bieden, straft God ze en zijn ze als een herderloze kudde, die in nood verkeert (vss 1 en 2).
Tegen die herders (de valse leiders van het joodse volk) en de bokken (de aanzienlijken) komt de HERE met zijn straffen, maar Hij bezoekt (nu in gunstige zin = helpen) Zijn kudde, het huis van Juda en maakt zijn volk tot een machtig paard in de strijd: een heenwijzing naar de Messiaanse eindtijd (vs 3). In verschillende beelden wordt thans gezegd, hóe het de HERE is, die alle leidslieden aan Israel schenkt: de hoeksteen (= overste, Jes. 19:13), de tentpin (leider als steunpilaar, Jes. 22:23), de strijdboog (= aanvoerder in de strijd). Ze zullen strijden, omdat de HERE met hen is, maar die op paarden rijden, dwz. die hun heil van een wereldmacht verwachten, worden beschaamd (vs 5). Zo zal de HERE het huis van Juda en van Jozef (= Noord-Israel) verlossen: de profeten zien de splitsing nooit als legitiem, ze zien het volk als één geheel. Ik zal hen terugbrengen (vs 6) te denken valt aan de nóg achtergebleven ballingen. De profeet verwacht ook het herstel van N.-Israel, evenals Ez. 37:1628. Deze verwachting is nooit uitgekomen. Ook wat hier in vs 6 staat is niet uitgekomen. Daarom moeten we concluderen, dat Israels overwinning op de volken niet letterlijk bedoeld is. Dit is ook de reden, waarom de profeet het verband tussen overwinning en terugkeer niet nader aangeeft. De ballingen zullen zijn als een held van Efraim (vs 7): de Efraïmieten stonden bekend om hun krijgshaftigheid, Ps. 60:9. Een grote vreugde valt hun ten deel ‘in de HERE’; God is de Bewerker hiervan!
Vs 8 spreekt opnieuw over de terugkeer uit de ballingschap. De HERE zal ze ‘fluitend lokken’ en ze zo verlossen uit de macht der onderdrukkers. Deze belofte wordt herhaald in de verzen 9, 10: Israel is wel verstrooid onder de volken, maar juist in de ballingschap komen ze tot inkeer en zullen ze met hun kinderen terugkeren: uit Egypte (Elefantine), Assur (hier valt ook Babylonië onder, Klaagl. 5:6) en ze zullen ook wonen in het Noorden, Gilead en de Libanon, want het land Juda zal ze niet kunnen omvatten. De profeet vergelijkt de terugkeer uit de ballingschap (vs 11) met de doortocht door de Rode Zee; de HERE zal zelfs de golven slaan, zoals Mozes deed, Ex. 14:16. De vijandige machten: Assyrië en Egypte zullen te gronde gaan en de teruggekeerden zullen in vertrouwen op de HERE wandelen.
Het oordeel over de volken; Jeruzalem gered 11:1-12:14
De twee herders 11:1-7
Het begin van hoofdstuk 11 tekent ons, hoe de wereldmacht moet vallen. Zij wordt hier aangeduid met debeelden van de ceders van de Libanon en deeiken van Basan, welke door vuur worden verteerd, vgl. Jes. 10:33 v. De herders (= regeerders) jammeren, omdat hun heerlijkheid, di. de macht waardoor zij groot geworden waren is verwoest (vss 1-3).
De pericoop die nu volgt (4-17) over de twee herders, is wel het moeilijkste gedeelte van het hele O.T. genoemd. Uit de vele verklaringen, lijkt mij het beste te denken aan een profetisch visioen, dat toekomstige gebeurtenissen beschrijft.
Onder de slachtschapen (vs 4) worden de Israëlieten verstaan en de (ver)kopers zijn de vorsten van de volken, die hen naar de ondergang voeren. God geeft ze over aan de willekeur van vijandige machten en vorsten (vs 6). De profeet Zacharia weidt als een herder de slachtschapen (vs 7; het bevel hiertoe in vs 4). Dan neemt hij twee (herdersstaven: de staf ‘Lieflijkheid’, symboliserend het verbond, dat God met alle volken gesloten had (zie vs 10) èn de staf ‘Samenbinding’, welke de eenheid tussen Juda en Israel aanduidt (zie 10:6). ‘Drie herders heb Ik in één maand verdelgd’, di. verschillende machthebbers heeft God in een korte tijd doen wegvallen! (vss 8, 9). We hebben overigens geen enkel vermoeden aan welke machthebbers gedacht moet worden.
Dan legt de HERE zijn herders-ambt neer en om dit aan te geven, breekt de profeet de staf Lieflijkheid (= het verbond), vs 10. Vervolgens spreekt Zacharia tot hen (= de herders) over zijn loon en ironisch zegt de HERE, dat ze slechts 30 zilverlingen voor de profeet afwegen: de vergoeding voor een gedode slaaf (Ex. 21:32)! De profeet krijgt opdracht de 30 zilverstukken de pottenbakker toe te werpen. Matteüs ziet de vervulling van deze profetie in het kopen van de akker van de pottenbakker met het aan Judas betaalde verradersloon van 30 zilverlingen (Mat. 27:9 v). Daarna moet Zacharia ook de tweede staf, de ‘Samenbinding’ verbreken (vs 14).
Tenslotte moet de profeet de uitrusting aandoen van een dwaze ( = goddeloze, zie Ps. 14.T) herder, die niet naar de kudde omziet en de schapen verlaat. Hoewel instrument van Gods toorn zal de goddeloze herder op zijn beurt door Gods oordeel worden getroffen (vss 15-17).
Jeruzalem gered 12:1-14
Als vóór het grote einde de volken tegen Jeruzalem oprukken, zal de stad op wonderlijke wijze worden gered, zo luidt de Godsspraak, vs 1; zie 9.T. Typerend voor de hoofdstukken 12-14 is de uitdrukking ‘te dien dage’, die 10 x voorkomt; ‘over Israel’: bedoeld wordt wat er in het herstelde Juda van Israel nog over is. De HERE maakt Jeruzalem tot ‘een schaal der bedwelming’, als de vijanden van deze bedwelmende drank drinken, worden ze machteloos, vgl. Jer. 25:15-17. Dezelfde gedachte wordt in een ander beeld uitgedrukt in vs 3: Jeruzalem wordt tot een (hef)steen, die te zwaar is voor de volken om op te tillen: ze worden er deerlijk door verwond! (vs 3). God slaat de paarden van de wereldmachten met verbijstering (vs 4; in vs 5: ‘blindheid’) en de berijders met waanzin. Zo overwint de HERE en Hij doet dat door de stamhoofden van Juda; zij zullen, komend van het platteland, als een fakkel het koren, de vijanden verteren. En Jeruzalem zal in vrede op precies dezelfde plaats blijven voortbestaan (vs 6).
De tenten van Juda (= het platteland) zullen nog eerder worden verlost dan het ommuurde Jeruzalem, opdat deze stad zich niet trots verheffen zou tegenover het omringende platteland, waaraan ze haar redding heeft te danken! De HERE zal Jeruzalem tegen de aanval der vijanden beschutten als een schild (vgl. Ps. 84:12), want Hij is de Engel des HEREN, die in de woestijn aan de spits van het leger ging, Ex. 14:19; 23:20-23. De vijandige aanvallers gaan ten onder (vss 7-9). Opnieuw is moeilijk te zeggen, wanneer deze profetie exact is vervuld. In ieder geval geldt deze heilsbelofte in de toekomst en kan deze eschatologisch worden verstaan.
Na de (uiterlijke) overwinning op de vijanden volgen thans de beloften van meer innerlijke zegeningen. De Geest der genade en der gebeden zal de HERE uitstorten over het ‘huis van David’ (het geslacht van David bekleedde blijkbaar temidden van de Jeruzalemmers nog een vooraanstaande plaats!) en de inwoners van Jeruzalem (vs 10). Dan wordt geprofeteerd, dat zij Hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben. De tekst geeft aan, dat de doorstokene een eschatologische figuur is: hij zal een leider zijn, die het slachtoffer wordt van de hartstochten van het volk. Hij is Dezelfde, die als de lijdende Knecht des HEREN in Jes. 53 wordt aangekondigd; een heenwijzing naar Christus die aan het kruis zou sterven. In Joh. 19:37 wordt deze tekst letterlijk weergegeven. De profeet vergelijkt deze rouwklacht met een heidens rouwfeest, dat ter ere van de natuurgod Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo jaarlijks werd gehouden, omdat men meende dat de god gestorven was (vs 11). Het gehele volk in allerlei groepen en geledingen (vss 12-14; Natan is een zoon van David, 2 Sam. 5:14) deelt in deze rouwklacht. Wie zijn zonde belijdt aan de voet van het kruis mag geloven in de komende heilstijd.
De komende heilstijd: zonde en afgoden weggedaan 13:1-9
Evenals Ezechiël 47.T-12 ziet Zacharia in het toekomstig land een bron, die reinigt van de zonde (vs 1). Bij de ‘bron’ moet gedacht worden aan het besprenkelen met water tegen cultische onreinheid, de afwassing der zonden, vgl. Num. 19:9. Twee concrete zonden worden genoemd: afgoderij en valse profeten, die in dienst stonden van de afgoden. Een zonde, welke ook na de ballingschap voorkwam, vgl. Neh. 6:12,14. Zelfs de ouders van een valse profeet moeten overeenkomstig Deut. 13:6-11; 18:20 hun eigen zoon doden (vs 3). Het gevolg is, dat het optreden van deze leugenprofeten een einde neemt en dat de haren mantel (denk aan Elia en Johannes de Doper) ongebruikt blijft liggen (vs 4). Men schaamt zich zelfs zó, dat men zich uitgeeft voor een ‘horige’ (sommigen lezen: ‘een gekochte slaaf’) en evenals de Baälpriesters verwondden ze zichzelf ‘tussen de armen’ (= op de borst) en dan veinst de valse profeet, dat hij die wonden opgelopen heeft bij een vechtpartij met zijn vrienden! Op te merken valt, dat de vss 7- deze pericoop anders zijn van toon en inhoud.
De herder, di. de goede leidsman van het volk wordt door het zwaard gedood (vs 7). Dit betekent de ondergang van het volk, zelfs de ‘kleinen’ (= armen en geringen) worden verdrukt. Slechts één derde deel ontkomtaan het gericht en door de nood gelouterd zal dit deel van het volk zich tot God bekeren (vss 8, 9).
De redding van Jeruzalem. Het koningschap is aan de HERE 14:1-21
Dit laatste hoofdstuk van Zacharia tekent de toekomst van Juda en Jeruzalem in een eschatologische (over de laatste dingen handelende) profetie. Het gaat hier over de grote eindstrijd, waarvan ook in Joël 3 en Ez. 38, 39 (Gog en Magog) wordt gesproken. We zullen wat de beschrijving betreft steeds voor ogen dienen te houden, dat de toekomst van het Koninkrijk van God hier in oudtestamentische kleuren beschreven wordt. Dit brengt met zich mee, dat we geen letterlijke vervulling moeten verwachten, bv. de viering van het Loofhuttenfeest (vs 16). Dan openbaart God Zich op de Dag des HEREN (zie Ob.: 15). Jeruzalem wordt ingenomen (vs 2), maar waar de helft van de bevolking in ballingschap wordt weggevoerd, zal de rest een hoopvolle toekomst krijgen. En wel door het ingrijpen van de HERE, Die vanaf de Olijfberg voor het volk zal strijden. Doordat God de berg aanraakt met Zijn voeten (een mensvormige wijze van spreken), splijt de berg doormidden van oost naar west, zodat tussen de twee delen een groot dal ontstaat. Dit dal reikt tot Azal, een (ons onbekende) plaats bij Jeruzalem, ten o. van de Olijfberg. Dit dal biedt een weg ter ontkoming, zoals bij de aardbeving in de dagen van Uzzia, vgl. Amos 1:1 (vss 3-5). Ook de natuur verandert: geen koude of hitte (vs 6: ‘kostelijk licht noch verstijving’, dwz. de schrijnende tegenstellingen tussen felle zonneglans en vrieskoude zullen niet meer bestaan), geen wisseling van dag en nacht, maar een nimmer eindigende dag, vgl. Op. 21:25; 22:5. Jeruzalem wordt de plaats, vanwaar levende wateren zullen vloeien: één stroom naar het o. (de DodeZee) en een naar het w. (de Middellandse Zee) (vs 8). De HERE zal als Koning worden erkend in het hele land (Kanaän) van Geba (de noordelijkste plaats van Juda) tot Rimmon (ten z. aan de grens van Edom) en hóóg boven dit lage land zal Jeruzalem zich verheffen (vs 9, 10). In dit verhoogde Jeruzalem zal men zonder ban (= goddelijk oordeel) wonen van N. tot Z. en van W. tot O. (vs 11). De Benjaminpoort (vs 10, di. de Schaapspoort?) lag aan de noordzijde van Jeruzalem; de Hoekpoort aan de zuidkant en de Hananeëltoren aan de westzijde van de stad.
De heerlijkheid van Jeruzalem betekent de bestraffing van de vijanden (vs 12); dezen zullen zelfs in paniek (‘ontsteltenis’, vs 13) elkaar bestrijden (vgl. Ri. 7:22)! Daarbij komt nog, dat de Judeeërs binnen de muren van het veroverde Jeruzalem de overmoedige vijanden verslaan (vs 14). Juda zal tegen Jeruzalem strijden. Dit wijst op een onderlinge verdeeldheid. Sommige uitleggers den^ ken dat vs 14a bij 12:2 behoort. De plaag die de vijanden treft, geldt ook hun vee (vs 15). Er zijn onder de volken echter ook mensen, die zich bekeren tot de God van Israel: zij vieren het voornaamste van de joodse feesten mee, het Loofhuttenfeest (vs 16). Wie niet naar Jeruzalem gaat – en dat geldt ook Egypte – zal geen regen ontvangen en misoogst treffen (vss 17-19). In de Messiaanse heilstijd zal alles de HERE zijn gewijd, zelfs op de bellen van de paarden staan de woorden: DEN HERE HEILIG, die ook staan op de tulband van de Hogepriester (Ex. 28:36). Er zal geen onderscheid meer zijn tussen de sprengbekkens vóór het altaar en de potten voor het koken van het vlees. De toekomstige tempel zal van alle heidense smetten gezuiverd zijn (‘geen Kanaaniet’, vs 21; de vertaling ‘koopman’ lijkt ons minder juist) en eens zal God zijn alles in allen! (zie 1 Kor. 15:28).