Zal ik helpen?
Bij Johannes 15,1-8
Bartje komt langs. ‘Zullen we gaan spelen?’ vraagt hij. Maar Simon en Andrea moeten in de tuin werken. Iedere week moeten ze iets doen: opruimen, schoonmaken of verven. Deze week de tuin. Onkruid trekken, oude bloemen wegdoen. ‘Zal ik helpen?’ stelt Bartje voor. ‘Ga maar dooie takjes knippen,’ zegt Simon. Bartje krijgt een kniptang. Ze werken een tijdje door. Het schiet niet erg op. Opeens geeft Andrea een gil: ‘Wat doe je, gek?’ Bartje heeft lange takken afgeknipt. Er ligt een enorme berg. ‘Wat vreselijk,’ huilt ze, ‘je hebt hem doodgemaakt. Daar moeten druiven aankomen, en nou komt er niks.’ ‘Mooi is dat,’ zegt Simon, ‘daar gaat ons zakgeld.’ ‘Ho, ho,’ zegt Bartje, ‘ik weet wel wat ik doe. Wijnranken moet je snoeien, dan lopen ze weer uit en dan krijg je nog meer druiven.’ ‘Ik geloof er niks van,’ zegt Simon. Andrea wil wel onder de grond kruipen van ellende.
Daar komt mama naar buiten om te kijken of het al klaar is. ‘Het is per ongeluk, we wisten ’t niet, ik heb het niet gedaan,’ roepen ze door elkaar. ‘Ik heb het gedaan,’ zegt Bartje, ‘ik heb het van mijn vader geleerd. Flink snoeien, dan gaat het groeien.’ ‘Heel goed,’ zegt mama, ‘ik weet het. In een echte wijngaard zie je het ook. Het lijken wel dooie stokken, en dan gaat het allemaal weer groeien.’ Simon en Andrea geloven er niks van. Maar later, in de zomer, zien ze hoe er nieuwe takken groeien en hoe er heel veel trosjes piepkleine druifjes komen. Met een schaartje knipt papa de helft van de trosjes weg, dan groeien de andere beter. Simon en Andrea geloven het pas echt als de druiven rijp zijn. Die Bart, wat een slim mannetje is dat.