Zeggen en doen
4e zondag van de zomer (Deuteronomium 30,9-14, Lucas 10,25-37 en Kolossenzen 1,3-20)
‘Doe wat je zegt.’ ‘Walk your talk.’ In alle menselijke culturen leven we onze kinderen voor dat je woorden en daden één horen te zijn. Op de achtergrond van het verhaal van de barmhartige Samaritaan speelt het ook een rol. Misschien zelfs dusdanig dat ik een nieuwe titel voor het verhaal wil voorstellen: ‘Een Samaritaan doet barmhartigheid’.
Wie op zoek is naar een positief mensbeeld in de Bijbel, kan terecht bij de lezing uit Deuteronomium. Het eindigt met een verzekering dat je de geboden kunt volbrengen: je kunt ze doen! We weten echter dat deze woorden, in de mond gelegd van Mozes, zijn geschreven vanuit de wetenschap dat het zo niet is gegaan. Al eeuwen hebben profeten gefulmineerd tegen onrecht. En toch zijn deze woorden van Mozes ons overgeleverd en behoren ze tot de woordenschat van de vertelgemeenschap van joden en christenen, zijn het woorden die we niet kwijt willen. Woorden die spreken van een onmogelijke mogelijkheid: stel je eens voor…! Ook de priester en de leviet uit Lucas 10 kennen deze tekst uit Deuteronomium. Maar handelen ze ernaar?
In 2019 publiceerde Rutger Bregman De meeste mensen deugen. Vijf jaar later volgde Morele ambitie: Stop met het verspillen van je talent en maak werk van je idealen. Die twee titels samen geven de tweeslag aan van enerzijds wel weten waar het goede te vinden is, en anderzijds de noodzaak van ook eens wat gaan dóén. Dat laatste is niet vanzelfsprekend.
Wie is de naaste?
Een wetgeleerde (Gr.: nomikos, een lievelingswoord van Lucas) stelt Jezus op de proef met een vraag naar deelkrijgen aan het eeuwige leven. Jezus pareert deze vraag door te vragen naar wat in de wet (Gr.: nomos) te lezen staat. Het antwoord van de wetgeleerde is een combinatie van Deuteronomium 6,5 (God liefhebben) en Leviticus 19,18 (je naaste liefhebben). Het laatstgenoemde wordt uitgewerkt in de direct erop volgende vertelling, het eerstgenoemde krijgt een plek in het daaropvolgende verhaal over Jezus’ ontmoeting met Maria en Marta.
Het antwoord van de wetgeleerde is correct en hij krijgt een compliment van Jezus, gevolgd door ‘Doe dat en u zult leven’. Waarop de wetgeleerde vraagt: ‘Wie is mijn naaste?’ Deze vraag is op zich niet vreemd, ook als we het vervolg van Leviticus 19 erbij halen, waar het in vers 33vv. gaat over de vreemdeling. Hoe ver strekt mijn concrete verantwoordelijkheid voor de naaste zich uit? De vraag heeft echter ook iets van zelf willen bepalen wie ‘binnen’ is en wie ‘buiten’. Heeft deze op zich correcte vraag misschien dus ook een negatieve, uitsluitende ondertoon? Dus: door wie hoef ik mij juist niet te laten raken? Over de actualiteit hiervan, wereldwijd en in ons eigen land, hoef ik hier niet uit te wijden.
Zien en geraakt worden
‘Een zeker mens’, op weg van Jeruzalem naar Jericho, wordt overvallen en halfdood achtergelaten. Naamloos is hij. Het kan iedereen overkomen, ook mij. Wie zal mij dan helpen? Driemaal komt er iemand langs die mij, arme reiziger, ziet. Eerst een priester, dan een leviet. In de commentaren wordt wel gesuggereerd dat het angst om reinheid te verliezen is die ervoor zorgt dat zij niets doen. Of dat juist is?
Ook van de derde persoon die langskomt wordt verteld dat hij ziet. Maar nu wordt er een woord aan toegevoegd: ‘Hij kreeg medelijden.’ Er staat een woord dat in het NT meestal van Jezus wordt gebruikt. ‘Met innerlijke ontferming bewogen’, vertaalt de HSV. Vanuit deze bijzondere manier van zien, van geraakt worden, ontstaat een adequaat handelen. Metterdaad gaat de derde passant, een Samaritaan, op de man toe. (Wat een risico! Wie zegt dat de rovers niet meer in de buurt zijn?) Hij biedt de eerste hulp en brengt hem naar een logement, om daar – na de nodige zorg geboden te hebben – de volgende dag weer te vertrekken, en de man over te laten aan de zorg van de herbergier. Terzijde: dat biedt ook een aanknopingspunt voor diaconaal werk – niet alles zelf gaan doen, maar anderen inschakelen.
Als de vertelling over de barmhartig handelende Samaritaan ten einde is, verschuift de focus geheel. Nu is het niet meer: wie mag ik uitkiezen als mijn naaste? Nu is het: wie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers? Dus van activiteit naar passiviteit. Van: ‘wie zal ik helpen?’ naar: ‘door wie word ik geholpen?’
Oorsprong en eerstgeborene
Stel dat we onze hoorders op deze zomerdag vaste kost geven en ook de epistellezing laten klinken, inclusief de christushymne uit Kolossenzen 1,15-20. Dat is uiteraard een heel ander taalveld. Maar zitten we inhoudelijk wel zo ver van de vertelling over de Samaritaan die barmhartigheid doet? In de evangelielezing als geheel gaat het om deelkrijgen aan eeuwig leven. In de taal van Kolossenzen hebben we het dan over door de Geest gewekte liefde, over kennis van God en over Christus als oorsprong en eerstgeborene uit de dood. ‘Alles bestaat in Hem’ (Kol. 1,17), staat er. Nu zouden we zeggen: ‘De liefde van God in Christus is het materiaal waaruit het universum is gemaakt.’
De taal van Kolossenzen behoedt ons ervoor de evangelielezing te versimpelen tot een oproep het goede te doen. Dat behoort een universele kennis te zijn. De meeste mensen deugen toch? Maar in de gemeente bidden en handelen we terwijl we ons opgenomen weten in een trinitarische beweging die aan onze kennis en aan ons concrete handelen voorafgaat. Vader, Zoon en heilige Geest laten zich raken door elkaar. Wij laten ons raken door deze beweeglijke God en mogen ons laten raken door een ander.
Deze exegese is opgesteld door Erik van Halsema.