Zelfverloochening als zelfverwerkelijking
Bij Marcus 8,27-9,1
Marcus 8,27-9,1 vormt het midden van en een keerpunt in het Marcusevangelie. Het bevat de overgang van Jezus’ optreden met grote volmacht in Galilea (Mar. 1,11-8,26) naar Jezus’ onderricht aan de discipelen op weg naar Jeruzalem (8,27-10,52), met name over de samenhang van Jezus’ optreden en zijn lijden, alsmede de samenhang tussen navolging en lijden. Aankondigingen van Jezus’ lijden klinken dan ook als een refrein door dit gedeelte van het Marcusevangelie (zie Mar. 8,27-9,1; 9,30-37; 10,32-45). De lezer wordt, met de leerlingen, meegenomen in een leerproces over deze samenhang. Tegelijkertijd speelt het zogenaamde ‘Messiaans geheim’ verder dat al in 1,32-34 geïntroduceerd werd, met name in 8,27-33 en 9,9-13. Thematisch hangen beide samen: het Messiaans geheim heeft de ware identiteit van de Messias tot inhoud en bestaat wederom ook uit zijn lijden.
Aan Marcus 8,27-9,1 gaat een terugblik op Jezus’ optreden in Galilea vooraf in 8,14-21 – waar de discipelen de betekenis van dit optreden echter niet lijken te begrijpen – en de genezing van een blinde man in Betsaïda in 8,22-26, die tegelijkertijd een gelijkenis vormt over het gradueel tot inzicht komen van volgelingen van Jezus; hun ogen worden als het ware stap voor stap geopend. Het lijkt de bedoeling van het Marcusevangelie te zijn, dat precies dit ook met de lezer gebeurt. De lezer ondergaat dit proces, terwijl hij of zij in het Marcusevangelie de weg van Jezus volgt met de discipelen, die op de weg van de navolging er eveneens van stap tot stap bijleren. Het Marcusevangelie is dan ook bij uitstek een catechetisch evangelie.
Wie is Jezus?
De handeling van Marcus 8,27-9,1 begint zich te ontplooien op grond van een vraag van Jezus: Wie zeggen de mensen dat Hij is? Het antwoord van de leerlingen is een echo van Marcus 6,15, waar de indirect door Herodus opgeworpen vraag naar Jezus’ identiteit eveneens met verwijzingen naar een opgestane Johannes de Doper of een teruggekeerde Elia wordt beantwoord (zie voor een identificatie van de twee: Mat. 11,14). De identiteit van Jezus is in de tussenliggende hoofdstukken ook aan de dag getreden: Jezus is, anders dan Herodes, degene die het volk van Israël en zelfs hen die daarbuiten vallen (zie Mat. 7) weer samenbrengt, het voedt en geneest. De conclusie van Petrus in 8,29 is dan ook juist: Jezus is inderdaad de Messias. Jezus reageert op deze ‘belijdenis’ van Petrus met verder onderricht over zijn lijden en sterven die nu op handen zijn en windt er wat dat betreft geen doekjes om (zie vs. 32). De reactie van Petrus hierop is even vrijmoedig, want hij neemt Jezus apart en begint Hem terecht te wijzen – wat Jezus zei, past wel niet bij het Messiasbeeld van Petrus, en, mogelijk, niet bij het beeld van de Messias dat vroege christenen meebrachten of zich konden voorstellen. Jezus’ antwoord is verassend heftig. Hij spreekt Petrus als ‘satan’ aan en Hij corrigeert Petrus op zijn beurt: Petrus’ opvatting over wie de Messias is en wat zijn lot dient te zijn, komt overeen met menselijke, niet met goddelijke opvattingen.
Uit Jezus’ weg en achter Hem
Vers 33 kan zo gelezen worden, dat Hij Petrus/satan letterlijk zijn plaats wijst: namelijk uit Jezus’ weg en achter Hem aan. Matteüs’ toevoeging aan dit vers, namelijk dat Petrus op deze manier voor Hem een struikelblok vormt (Mat. 16,23) dat zich wel voor Jezus’ voeten moet bevinden, lijkt erop te wijzen, dat hij Marcus 8,33 inderdaad zo gelezen heeft: in plaats van een obstakel op Jezus’ weg naar Jeruzalem, dient Petrus de weg van de navolging van Jezus – dus achter Hem aan – te gaan. Mocht Marcus 8,33 inderdaad zo gelezen kunnen worden, dan sluit dit thematisch goed aan bij het afsluitende onderricht van Jezus in Marcus 8,34-9,1. Dit tweede gedeelte van Marcus 8,27-9,1 vormt een afsluitend commentaar op de gebeurtenissen in 8,27-8,33, die hierdoor nog meer het karakter krijgen van een exemplarische anekdote over een ‘typische situatie’, die ook in het leven van de lezer van het Marcusevangelie zou kunnen voorkomen. Het onderricht van Jezus aan de menigte en de leerlingen is net zo controversieel als zijn opvatting over zijn identiteit en rol als Messias.
Neem je kruis op en volg Hem
Hoewel de afweging die Jezus maakt, namelijk tussen een kleiner aards goed en een groter hemels goed, zonder meer te begrijpen valt, staat zijn opvatting over de vorm van aards leven die tot dit grotere hemelse goed moet leiden, namelijk één van vernedering en zelfverloochening, haaks op de gangbare normen en waarden van de Grieks-Romeinse wereld. Kon hierin wel de strijd om een deugdzaam leven of het bereiken van een nobel doel als rechtvaardiging voor aards lijden en zelfs statusverlies gelden, dit was, tenminste in eerste instantie, niet het geval voor de nederige en vernederende navolging van de gekruisigde – de hoop op een glorierijke verrijzenis mét deze gekruisigde kon deze controversiële opvatting maar ten dele matigen.
Dit evangelie past uitstekend in de ‘groene’ tijd na Pinksteren. Deze tijd is er immers één waarin navolging in de kracht van de Geest van groot belang is en het Paasmysterie ‘uitgeleefd’ wordt. Marcus 8,27-9,1 heeft aan de ene kant betrekking op een groeiend inzicht in de identiteit en betekenis van Jezus, zoals dit op de weg van de navolging van Jezus plaatsvindt. Dit is op zich al een onderwerp voor de verkondiging: inzicht in wie Jezus nu eigenlijk is, vindt in eerste instantie plaats op de weg van de navolging. Aan de andere kant behandelt Marcus 8,27-9,1 ook een heel specifiek element van de identiteit van Jezus en het karakter van zijn navolging, namelijk de zelfverloochening en het lijden die ermee verbonden zijn. Gelezen in een cultuur van zelfverwerkelijking, geeft het evangelie een geheel eigen invulling aan dit doel: werkelijke zelfverwerkelijking bestaat uit navolging en zelfverloochening. Waar de context van de 21ste eeuw de kans geeft om de vraag naar zelfverwerkelijking duidelijk te stellen, biedt deze eveneens de kans om de visie van het Marcusevangelie als uitdagend en countercultural antwoord hierop te laten klinken.
Bij Marcus 8:27 – 9:1 / Marcus 8:27-9:1