Ziekte, dood en troost in de late Middeleeuwen
‘Geen tijd heeft de doodsgedachte met zoveel nadruk aan allen opgedrongen als de vijftiende eeuw.’ Zo begint het elfde hoofdstuk van Johan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen, waarin hij schetst hoe de dood een hoofdrol ging spelen in kunst en literatuur van de Late Middeleeuwen. Thema’s waren droefheid om degenen die ons ontvallen zijn, een zwelgend afgrijzen over lichamelijk verval en het gegeven dat de dood geen onderscheid maakt, treffend verbeeld in de dodendans, in de vijftiende eeuw een nieuw onderwerp. Afbeeldingen bevonden zich in de openbare sfeer, bijvoorbeeld op het kerkhof van de Innocents in Parijs, en werden wijdverbreid door nieuwe media zoals houtsneden en de boekdrukkunst.Ook wat er aan de dood voorafging in de vorm van lijden werd in de Late Middeleeuwen steeds prominenter. Afbeeldingen van Christus werden gruwelijker: meer bloed, gedetailleerder weergegeven wonden, het lichaam meer uitgemergeld. Naast de crucifix kwamen gespecialiseerde afbeeldingen zoals de Arma Christi op, waarop de instrumenten van zijn pijniging werden afgebeeld. Christus’ leven werd bewerkt tot meditatiehandleidingen, waarin lezers ertoe aangezet werden zich in zijn lijden in te leven.Hoe belangrijk het onderwerp van lijden en lichamelijke kwelling was, blijkt ook uit de populariteit van martelaren. Wie hun beeltenis aanschouwde, werd meteen aan hun pijniging herinnerd door het attribuut dat ze bij zich droegen: Katharina met het rad, Laurentius met het rooster waarop hij geroosterd werd. In laatmiddeleeuwse levens werd hun lijden extra aangezet, bij voorbeeld door in een nieuwe vita van Barbara haar borsten met stompe mes- sen te laten afsnijden. Eerdere hagiografen hadden geen mededelingen over de kwaliteit van het snijmateriaal gedaan. Bij recentere heiligen en vromen bleef het lijden belangrijk: zij hadden gruwelijke ziekten of pijnigden zichzelf. Dat laatste was niet voorbehouden aan religieuzen. De vader van een beroemde priorin van het regularissenklooster Sint Maria en Agnes in Diepenveen, Salome Sticken (ca. 1369–1449), geselde zichzelf, droeg een pantser met een haarkleed daaronder en sneed de zolen uit zijn schoenen.