Zien, geloven en leven
Pasen (Johannes 20,1-18)
De laatste woorden van Jezus in hoofdstuk 20 van het Johannesevangelie luiden: ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’ (20,29). Waarna de auteur opmerkt dat Jezus’ tekenen zijn beschreven ‘opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam’ (20,31). Deze drie thema’s – zien, geloven en leven – kleuren dit hele hoofdstuk, ook de evangelieperikoop van vandaag.
Zien
Maria uit Magdala: haar naam wordt genoemd in het eerste en het laatste vers van de perikoop, die daarmee een eenheid van achttien verzen vormt. Als Maria bij het graf komt, ziet zij dat de sluitsteen weg is en trekt zij de ongefundeerde conclusie dat ‘ze’ de Heer hebben weggehaald. Maria denkt niet aan een levende Heer, maar aan een dood lichaam.
Wat ze gezien heeft, vertelt Maria meteen aan twee andere leerlingen. Simon Petrus, die als eerste het graf ingaat, ziet linnen zweetdoeken liggen; waarbij de doek die Jezus’ gezicht bedekte, ergens apart ligt opgerold. Maar wat Petrus ziet, maakt geen bijzondere reacties of inzichten los bij hem. De ‘leerling van wie Jezus veel hield’ had Petrus eerst het graf laten betreden, maar treedt nu ook binnen. En: ‘Hij zag het en geloofde’ (20,8). Wat hij zag voedde zijn vertrouwen.
Als de twee leerlingen huiswaarts zijn gegaan, doolt Maria nog rond bij het graf. En hoewel ze naast twee engelen zelfs Jezus in hoogsteigen persoon te zien krijgt, ziet ze niets. Ze is ziende blind voor het wonder dat zich voltrokken heeft. Dat Jezus, aan de dood voorbij, weer leeft! Maria ziet niets. Haar tranen, het verdriet en haar eigen plannen en verwachtingen – die cirkelen rondom het dode lichaam van een dierbare – ontnemen haar het zicht.
Het zijn niet haar ogen, maar haar oren die uiteindelijk uitkomst brengen en haar duidelijk maken dat haar Heer weer leeft. Haar naam klinkt. En zij antwoordt, als zij zich omkeert, met ‘Rabboeni’. Dat is de Aramese aanspreektitel die de blinde Bartimeüs in het Marcusevangelie gebruikt als hij Jezus vraagt: ‘Zorg dat ik weer zien kan!’ (Marc. 10,51). Hier in het Johannesevangelie klinkt de titel ten teken dat Maria van haar blindheid genezen is. En daarmee zijn oude verwachtingen en plannen overbodig geworden, want er is helemaal geen dood lichaam te verzorgen en te bewenen. En mede daarom zegt Jezus tegen haar: ‘Raak me niet aan…, maar…’ (20,17). Maria’s eigen plannen maken nu plaats voor de plannen van haar Heer. Van Hem krijgt zij een opdracht, die ze met verve vervult.
Vertrouwen/Geloven
Het is de ‘geliefde leerling’ die de feitelijke hoofdrol speelt in het verhaal. Hij zag het en geloofde! Of beter: hij doorzag het, en vond zo een hernieuwde basis waarop hij zijn vertrouwen in God en in de Heer kon grondvesten. Vertrouwen dat toentertijd nog niet gestut en ondersteund werd door Schriftkennis, want die zouden de leerlingen pas veel later opdoen. Het zien van de geliefde leerling is een inzien. En dat inzicht leidt tot herwonnen vertrouwen.
In het Johannesevangelie worden meerdere termen voor ‘zien’ gebruikt. De auteur speelt met het begrip ‘zien’ (Gr.: blepein) dat vooral ‘kijken’ betekent, en een andere term voor ‘zien’ (Gr.: idein) waarin het veel meer gaat om ‘inzien’ en ‘geloven’ of ‘vertrouwen’.
Leven
In het Johannesevangelie geeft Jezus de begrippen ‘dood’ en ‘leven’ een nieuwe betekenislaag, doordat Hij niet zegt: ‘Ik héb het leven’, maar: ‘Ik bén het leven’ (14,6).
Jezus is de goede herder die zijn leven geeft voor zijn schapen (10,11). En ‘ieder die in Hem gelooft’ zal daardoor ‘eeuwig leven’ hebben (3,16). En dit ‘eeuwige’ vangt reeds aan in dit leven, hier en nu. Daar waar Jezus na zijn dood en opstanding zelf of via de pleitbezorger (de heilige Geest) aanwezig is, en diens roepstem beantwoord wordt door een mens die zich toe- of omkeert naar Hem, daar vangt nieuw leven aan. Jezus is de Opstanding en het Leven (11,25) voor hen die door zijn geestkracht bezield worden. Door zijn leven uit handen te geven én ‘het weer terug te nemen’ vervult Hij de opdracht van zijn Vader (10,18) en opent Hij de deur naar het leven ‘in al zijn volheid’ (10,10).
Getalsymboliek
Het Johannesevangelie bestaat echter niet alleen uit teksten en verhalen. De auteur maakt gebruik van een meerduidige beeldtaal en schept daarmee een symbolisch universum. Het Hebreeuwse woord voor ‘leven’ speelt daarin een verborgen hoofdrol.
De Hebreeuwse letters chet en jod vormen samen het woord chai, dat zich laat vertalen als ‘levend’ en ‘in leven’. Het systeem van Hebreeuwse cijfers is een quasi-decimaal alfabetisch getalssysteem dat gebruikmaakt van de letters van het alfabet. Hierbij wordt elk cijfer weergegeven door een aparte letter. De chet is de achtste en jod de tiende letter. In de joodse numerologie (gematria) heeft chai dus de letterwaarde 18. Zou het dan toeval zijn dat het verhaal van Jezus’ opstanding precies achttien verzen telt; net als de proloog en het tekstgedeelte over de goede herder (10,1-18), dat exact in het midden van de oorspronkelijke boekrol staat? Ik denk het niet.
Daar komt nog iets bij. Het Johannesevangelie bestaat tegenwoordig uit 879 verzen. Echter, mijn oude studiebijbel (KBS 1983) bevat drie voetnoten die verklaren dat vijftien verzen (5,4,7,53–8,11 en 21,24-25) ooit zijn toegevoegd aan het originele manuscript. Dat zou dan dus 864 verzen hebben bevat. En 8 + 6 + 4 = 18! En 864 is zelf weer een veelvoud van dit getal, namelijk 48 x 18. Op deze symbolische wijze onderstreept het manuscript wat in de teksten en verhalen staat opgeschreven over Jezus, de schepper van (nieuw) leven: die levensbrood is en levend water schenkt; die ieder die in Hem gelooft leven geeft.
Deze exegese is opgesteld door Sjoerd Hertog.