Menu

Premium

1 en 2 Koningen

Inleiding

Het boek Koningen is waarschijnlijk het werk van één of meer redacteurs, die voor hun geschiedwerk gebruik hebben gemaakt van diverse bronnen. Het redactieproces is heel moeilijk te reconstrueren, evenals de tijd en de omstandigheden waarin het boek uiteindelijk werd geschreven. Het boek laat zich goed lezen als een terugblik op de geschiedenis van Israël en Juda naar aanleiding van de verovering van de stad Jeruzalem en de verwoesting van de tempel in 587 voor Christus, waarbij de auteur vooral door zijn eigen theologische bril naar de gebeurtenissen en personen kijkt. Een koning wordt als goed of slecht beoordeeld al naar gelang hij deed wat goed of slecht is in de ogen van Jhwh. Wat hij werkelijk gepresteerd heeft in militair, economisch of politiek opzicht is voor de auteur niet zo van belang. Het gaat er vooral om hoe de koning zich in godsdienstig opzicht heeft gedragen. Hoe was zijn houding tegenover de tempel? Hoe zette hij zich in voor een zuivere godsdienst? Hoe diende hij de God van Israël? Koningen die breken met de verering van andere goden naast Jhwh en godsdienstige hervormingen doorvoeren, valt lof ten deel. Koningen die daarentegen heidense praktijken aanmoedigen of daar niets tegen ondernemen, worden als slecht beschouwd.

Die visie is vooral bepaald door denkbeelden zoals die in het boek Deuteronomium te vinden zijn. Men spreekt in dit verband wel van de deuteronomistische theologie. In de visie van de auteur is de loop van Israëls geschiedenis vooral beïnvloed door de houding van de koningen ten opzichte van God. Jhwh is de enige God die volgens hem vereerd moet worden, in het enige heiligdom dat in zijn ogen legitiem is: de tempel in Jeruzalem. De ondergang van de koninkrijken Israël en Juda wordt vanuit een theologische invalshoek bekeken. De ondergang van in 722 en Jeruzalem in 587 voor Christus is een gevolg van, een straf voor een eigenzinnige godsdienstpolitiek van de koningen. In dat kader speelt de strijd tussen koningen en profeten ook een belangrijke rol. Het boek Koningen is daardoor niet alleen een boek geworden over vorsten en politieke leiders, maar ook een boek waarin profeten in het centrum van de aandacht staan.

Het boek Koningen wordt gekenmerkt door het gebruik van een stereotiepe, herhalende stijl. Herhaling is een middel dat vaak wordt aangewend met het oog op een didactisch doel. Door het terugkeren van bepaalde wendingen wordt de boodschap van de tekst – de deuteronomistische visie van de auteur – er bij de lezers ingeprent.

Overzicht van I en II Koningen

Vaak neemt men de door de eeuwen wisselende historische situatie van de koninkrijken Israël en Juda als uitgangspunt en verdeelt men het boek in drieën:

a.

I 3-11

Israël vóór de rijksdeling of het koningschap van Salomo;

b.

I 12-II 17

de koninkrijken Israël en Juda vanaf de rijksdeling tot de verovering van ;

c.

II 18-25

het koninkrijk Juda vanaf Hizkia tot de verovering van Jeruzalem.

Anderen zien in het boek Koningen een literair werk dat is opgebouwd uit zeven thematisch bepaalde episoden:

A

I 3:1-11:25

Salomo’s koningschap voor de rijksdeling

B

I 11:26-14:31

Jerobeam en Rechabeam: de rijksdeling is een feit

C

I 15:1-16:22

Diverse koningen van Israël en Juda

X

I 16:23-II 12:22

De dynastie van Omri en de verering van Baäl in Israël en Juda

C’

II 13:1-16:19

Diverse koningen van Israël en Juda

B’

II 17:1-41

De verovering van het koninkrijk Israël

A’

II 18:1-25:30

Het koninkrijk Juda

Opzet van het boek

Het boek Koningen wordt met Jozua, Rechters en Samuël tot één groot geschiedwerk gerekend, maar het heeft wel een eigen opzet als boek. In Jozua speelt één figuur de hoofdrol, en de verteller volgt hem vanaf het moment dat hij de rol van Mozes als leider van Israël overneemt tot zijn dood. In het boek Rechters is een cyclisch patroon van onderdrukking en bevrijding kenmerkend, en het verhaal laat uiteindelijk zien hoe een samenleving reilt en zeilt zonder koning. In Samuël zijn de koningen Saul en David de belangrijkste personages, hun lotgevallen bepalen de eenheid van het boek. In Koningen wordt 400 jaar geschiedenis kernachtig verteld, met een sterke chronologische lijn van Salomo (ongeveer 973-933 v. Chr.) tot Sedekia (597-587 v. Chr.). Het is een vertelling waarin voor elk van de veertig koningen (negenendertig vorsten en één vorstin) een plaats is gereserveerd, waarin elke koning in principe op dezelfde stereotiepe manier wordt geïntroduceerd en geëvalueerd. Vaak worden opmerkingen van zuiver annalistische aard aangevuld met verhalen over confrontaties tussen koningen en profeten. En het zijn juist die gedeelten waarin de geschiedschrijver een boeiend verteller blijkt die zijn personages weet te typeren in hun zwakte of overmoed. Maar de geschiedschrijver verliest daarbij niet uit het oog waar het hem uiteindelijk ook om begonnen was: de geschiedenis van de koninkrijken Israël en Juda loopt uit op verwoesting en ballingschap, en daarvoor hebben de profeten de koningen en het volk keer op keer gewaarschuwd.

Opbouw van het boek

Het boek Koningen men op verschillende manieren indelen. De huidige indeling in I en II Koningen is praktisch van aard en heeft inhoudelijk gesproken geen basis.

In de reconstructie op de linker pagina blijkt de concentrisch symmetrische opbouw van het boek. De verschillende onderdelen van de structuur verwijzen inhoudelijk naar elkaar. Thematisch vertonen ze belangrijke raakvlakken. Zo correspondeert de eerste episode (A) met de laatste (A’), de tweede (B) met de voorlaatste (B’) enzovoort. In het midden staat de vierde episode (X) op zichzelf. Een dergelijke tekstopbouw is aanwijsbaar in vele oudtestamentische literaire eenheden. Het is zinvol enkele lijnen in dit complexe geheel te belichten.

In de eerste en de zevende episode worden de eerste en de laatste nakomeling van koning David op de troon in Jeruzalem getekend. Een belangrijk motief in de eerste episode is de bouw en de inwijding van de tempel in Jeruzalem, de laatste episode gaat over de ontwijding van de tempel door Manasse (II 21), het tempelherstel met een hervorming van de cultus onder leiding van Josia (II 22-23) en de verwoesting van de tempel door de Babyloniërs (II 25). Sommige passages vertonen opvallend gedetailleerde correspondenties. In II 25:13-17 presenteert de verteller de plundering van het tempelgereedschap analoog aan het verslag over de vervaardiging van de cultische voorwerpen in I 7:15-51.

De tweede en de zesde episode hebben ‘opkomst en ondergang’ als gemeenschappelijk thema. Jerobeam was volgens I 11:35 de door God aangewezen stichter van het noordelijke rijk of tienstammenrijk. Maar hij werd het model van een koning die in godsdienstig opzicht precies de verkeerde weg koos. In plaats van trouw te zijn aan Jhwh liet hij tweegouden stierbeelden maken en plaatste hij die in de tempels in Betel en Dan. In de zesde episode staat de ondergang van het noordelijke rijk met de wegvoering van de Israëlitische bevolking centraal. De verteller levert in II 17:7-23 uitvoerig commentaar op die rampzalige gebeurtenissen omstreeks 720 voor Christus: de ondergang is het gevolg van de afgodendienst die Jerobeam was begonnen.

De derde en de vijfde episode, C en C’, hebben een bescheiden plaats in de structuur van het boek Koningen. In krap 10 % van de totale verteltijd laat de auteur de helft van alle koningen van Israël en Juda de revue passeren! Beide episoden vormen een klein kader rondom de centrale episode X. Een groot deel van de geschiedenis wordt slechts in vogelvlucht behandeld, en de tekst bestaat ook nog in belangrijke mate uit introductie- en beoordelingsformules. De auteur van Koningen vraagt in het gedeelte I 16:23 – II 12:22 vooral veel aandacht voor een periode van veertig jaar, waarin de dynastie van Omri in het noordelijke rijk aan de macht is en ook ten zuiden daarvan, in Juda, zijn invloed doet gelden. Episode X gaat over een tiende deel van de vertelde tijd van in totaal vier eeuwen, en daarvoor reserveert de auteur veertig procent van de totale verteltijd! De introductie van de Baäldienst, de gevolgen ervan voor Israël en Juda, de strijd daartegen van een aantal profetische figuren, en de afschaffing van de Baäls zijn hier belangrijke motieven. Met de afschaffing van de Baäldienst komt ook een einde aan het koningshuis van Omri. De uitvoerige presentatie heeft tot doel de lezers ervan te overtuigen dat in de geschiedenis van Israël het beleid van de koningen ondergeschikt is aan de visie van de profeten. In een groot deel van de centrale episode staan de koningen uit het huis van Omri en de profeten Elia, Elisa en Micha ben Jimla onverzoenlijk tegenover elkaar.

Binnen de centrale episode X ziet men weer een concentrische ordening van thema’s en motieven. De kern van X – en daarmee ook de spil waar het boek Koningen om draait – is II Koningen 2, het verhaal over Elia en Elisa waarin de profetische continuïteit uitdrukkelijk naar voren komt. Het boek Koningen is immers meer dan geschiedschrijving, het is profetische literatuur. De andere hoofdstukken in episode X staan op hun beurt weer rond de kern gegroepeerd waarin in grote lijnen de opkomst van de Baäldienst, de uiteindelijke hervorming van de cultus en het herstel van de eredienst van Jhwh als de God van Israël aan de orde komen.

Raamwerk

Voor de presentatie van een geschiedenis van vier eeuwen heeft de auteur een duidelijke structuur gekozen. Alle koningen worden in het boek behandeld in een chronologische volgorde. Dat geeft de vertelling een duidelijke lijn van een bepaald begin naar een einde, van het begin van Salomo’s koningschap naar de verovering van Juda en de verwoesting van de tempel van Jeruzalem.

Elk gedeelte dat aan een koning is gewijd is in principe op dezelfde manier opgezet, maar voor iedere koning weer anders ingevuld. Daarvoor is een raamwerk ontworpen. De auteur herhaalt voortdurend deels formele, deels subjectieve en theologische elementen. Zo krijgt het raamwerk van het boek Koningen een opvallende vorm. Steeds zijn vermeld: de aanvang van de regering; de regeringsduur; de naam van de stad vanwaaruit de koning regeerde; een beoordeling waarin de auteur zijn theologische visie op een bepaalde koninggeeft; een verwijzing naar de annalen van de koningen van Israël of Juda en de mededelingen over; overlijden; begrafenis en opvolging van een koning. In de introductie van de Judese koningen noemt de auteur ook nog de leeftijd van de koning bij zijn troonsbestijging en de naam van diens moeder. Bij de koningen van Israël ontbreken die laatste gegevens.

De basisvorm van het raamwerk goed geïllustreerd worden met twee teksten. Het ene voorbeeld staat in II Koningen 13:10-13, het andere in II 15:3 2-38.

De regering van Joas van Israël (2 13:10-13)

10 Joachaz’ zoonJoas werd koning van Israël in het zevenendertigste regeringsjaar van koning Joas vanJuda. was zijn residentie en hij regeerde zestienjaar.11 Hij deed wat in strijd is met de wil vanJHWH. Hij brak niet met al de zondige praktijken waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had gebracht; hij volhardde .

12 Verdere bijzonderheden over Joas, al zijn daden en zijn krachtig bestuur en zijn strijd tegen koning Amasja van Juda staan opgetekend in dejaarboeken van de koningen van Israël.13 Joas stierf enJerobeam besteeg de troon. Joas werd begraven in , bij de koningen van Israël.

De regering van Jütam van Juda (li 15:32-38)

32 Azarja’s zoonJotam werd koning vanJuda in het tweede regeringsjaar van koning Tekach van Israël, de zoon van Remaljahu.33 Hij was vijfentwintigjaar toen hij aan de macht kwam en regeerde zestienjaar inJeruzalem. Zijn moeder heette Jerusa en was een dochter van Sadok.34 Hij deed watJHWH van hem vroeg; in alles volgde hij het voorbeeld van zijn vader Azarja.35 Alleen de offerhoogten verdwenen niet; het volk bleef doorgaan met het slachten en verbranden van dieren op de offerhoogten. Hij was het die de Bovenpoort van de tempel bouwde.

36 Verdere bijzonderheden over Jotam en al zijn daden staan opgetekend in dejaarboeken van de koningen van Juda.37 In die tijd lietJHWHJuda voor het eerst aanvallen door koning Resin van Aram en door Pekach, de zoon van Remaljahu.38 Jotam stierf en werd begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht van zijn voorvader David. Zijn zoon Achaz volgde hem op.

Commentaar

Het gedeelte over koning Joas van Israël geeft een goed voorbeeld van de toepassing van het raamwerk bij koningen over Israël. Het bestaat in zijn geheel uit elementen die tot het raamwerk worden gerekend. Het begin van zijn regering wordt vastgesteld met een verwijzing naar het regeringsjaar van de koning van Juda in dezelfde periode. Dergelijke zogenoemde synchronistische aantekeningen zijn ook voor de Judese koningen toegepast. Dat systeem van tijdrekening wordt natuurlijk onbruikbaar wanneer in 721 voor Christus de Assyriërs het noordelijke rijk Israël veroveren en het koningshuis in verdwijnt. In het raamwerk van de opvolgers van Hizkia komen dan ook de synchronistische aantekeningen niet meer voor. Het systeem blijkt overigens niet erg exact. Het valt moeilijk met zekerheid uit te maken welk jaar precies met het zevenendertigste regeringsjaar van Joas van Juda is bedoeld. Historici berekenen het niet allen op dezelfde manier, maar komen wel uit tussen 803 en 798 voor Christus.

In het raamwerk neemt de theologische beoordeling een belangrijke plaats in. De auteur legt daarbij steeds dezelfde maatstaf aan: doet een koning wat goed is in de ogen van Jhwh,of doet hij dat niet. Met de stereotiepe formulering: goed of kwaad doen in de ogen van God, wordt dus de godsdienstige houding van een koning gekwalificeerd. En dan betreft het meestal de bereidheid van de koning om alleen Jhwh als Israëls God te dienen en Hem alleen in de tempel van Jeruzalem te vereren.

Bij de koningen van Israël valt die beoordeling steeds negatief uit: zij deden wat kwaad was in de ogen van God, zij volgden het slechte voorbeeld van Jerobeam. Met dat laatste is een van de eerste regeringsdaden bedoeld van Jerobeam, de eerste koning van het noordelijke rijk Israël, zoals beschreven is in I 12:25-32. Jerobeam liet twee gouden stierbeelden plaatsen in de heiligdommen van Betel in het zuiden en Dan in het noorden van zijn koninkrijk, en hij bouwde tempels als alternatief voor de – volgens de auteur enige legitieme – tempel in Jeruzalem. Jerobeam is daarmee ongunstig gekarakteriseerd en hij wordt bijna altijd in de beoordeling van koningen vermeld als slecht voorbeeld. In die vergelijking valt vanzelf een negatief licht op de opvolgers van Jerobeam. De twintig koningen van het noordelijke rijk zijn volgens de auteur allemaal slecht geweest, en de gevolgen konden volgens de auteur dan ook niet uitblijven. Van de laatste koning Hosea wordt nog wel gezegd dat hij deed wat Jhwh mishaagt, zij het niet zo erg als zijn voorgangers (II 17:2). Maar uitgerekend gedurende Hosea’s koningschap komt er een einde aan het noordelijke koninkrijk Israël. De Assyriërs veroveren en deporteren de Israëlieten naar Assur. In II 17:7 volgt dan een evaluatie van die rampzalige gebeurtenissen: ‘Dit alles is gebeurd omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen Jhwh hun God en in die zonden waren de koningen het volk voorgegaan.

Het raamwerk bevat ook een verwijzing naar de annalen van de koningen van Israël. Ongelukkig genoeg zijn die evenals de annalen van de koning van Juda verloren gegaan.

Het gedeelte over Jotam, de koning van Juda, geeft een goede indruk van het raamwerk van de koningen van Juda. Het bestaat voor het grootste deel uit de notities die men daar verwacht. De manier waarop wordt vermeld dat Jotam de koning was die de Bovenpoort van de tempel bouwde (II 15:35), past heel goed bij het soort aantekeningen.

In het raamwerk staat dat Jotam zestien jaar in Jeruzalem heeft geregeerd. Dat aantal past niet goed in het chronologische systeem van Koningen. Beter zou zijn niet ‘zestien jaar’ maar ‘zes jaar’ te lezen. Het ook zijn dat de jaren waarin hij regent was tijdens de ziekte van zijn vader, zijn opgeteld bij de jaren dat hij alleen koning was in Jeruzalem (ongeveer 740-735 v. Chr.).

In de theologische beoordeling staat dat hij deed wat Jhwh hem vroeg, maar de auteur plaatst wel de kanttekening dat de offerhoogten in het land niet verdwenen en dat het volk die ook voor godsdienstige doeleinden gebruikte. Voor de auteur blijft het een minpunt dat vele koningen van Juda de tempel van Jeruzalem niet als het enige legitieme heiligdom in hun land beschouwden. In de slotnotities valt de opmerking op dat Juda voor het eerst werd aangevallen door koning Resin van Aram en door Pekach van Israël. In II 16:5 wordt die notitie verder uitgewerkt. De zogenoemde Syro-Efraïmitische oorlog is gevoerd omdat Juda weigerde met Israël en Syrië een bondgenootschap aan te gaan tegen Assyrië. Deze politieke verwikkelingen zijn ook bekend uit Jesaja 7:1-9. Het slot van het raamwerk bevat de bekende stereotiepe formuleringen over het bijzetten van de koning in het familiegraf en over de opvolging door zijn zoon Achaz.

Literaire genres

In het boek Koningen is gebruik gemaakt van diverse literaire genres. Naast de teksten die gewoonlijk in geschiedwerken voorkomen, zoals historische aantekeningen, verslagen van bouwactiviteiten, lijsten, opsommingen, samenvattingen en commentaar, is het narratieve genre sterk vertegenwoordigd. Het boek Koningen bestaat voor een belangrijk deel uit verhalen, en daarbij treedt vooral het gebruik van het wonderverhaal op de voorgrond. Het komt regelmatig voor in die gedeelten waarin profeten centraal staan, vooral Elia en Elisa (I 17-II 9). Een wonderverhaal heeft tot doel de profeet te legitimeren of zijn profetisch woord kracht bij te zetten, doordat het laat zien hoe hij invloed uitoefenen op natuurlijke en bovennatuurlijke verschijnselen. Elia laat vuur van de hemel neerdalen op honderd soldaten om aan te tonen dat hij een man is die door God is gezonden (II 1). Elisa maakt in het water weer gezond, en als hij beledigd is door kinderen uit Betel vervloekt hij ze, waarna twee berinnen hen verslinden (II 2:19-25). Ook het verhaal van de drijvende bijl (II 6:1-7) en het bericht van een overledene die na contact met het gebeente van Elisa opstaat uit de dood (II 13:21), hebben tot doel te overtuigen van de legitimiteit en grootheid van de profeet. Elia wekt in de naam van Jhwh een kind op uit de dood, zodat de moeder tot de overtuiging komt dat hij werkelijk een godsman is en dat hij werkelijk het woord van Jhwh spreekt (I 17:21-24). In andere gevallen zijn wonderbaarlijke elementen toegevoegd met een didactisch doel, namelijk om mensen te doen geloven in Jhwh als de God van Israël. Dat is duidelijk het geval in het verhaal over Elia’s optreden op de Karmel (I 18:39). In II 5 wordt Naäman, een Syriër, genezen van een ernstige huidziekte doordat hij zich in de Jordaan wast. Naäman zegt vervolgens: ‘Nu weet ik dat er alleen in Israël een God is en nergens anders op aarde’ (II 5:15). De miraculeuze splijting van het altaar in Betel en de verstijving van Jerobeams hand (I 13:3-4) hebben ook een didactisch doel. Ze verwijzen naar het optreden van Josia driehonderd jaar later (II 23 U5-18), en de koning moet uit het gebeuren leren dat het woord van God dat de profeet in I 13:1-2 heeft gesproken, zeker in vervulling zal gaan.

Uit de boeken Samuël kennen we het thema van de troonopvolging, dat ook een enkele keer in Koningen voorkomt (II 11). Een vrouw uit het koningshuis van Omri en Achab, Atalja, komt in Juda op de troon. Zij is in Jeruzalem aan de macht gekomen na de moord op praktisch alle leden van de dynastie van David. Alleen een klein kind, Joas, wordt gered en door priesters in de tempel verborgen gehouden. Als Joas zeven jaar oud is, pleegt Jojada de priester een staatsgreep en brengt hij de jongen als de legitieme koning op de troon. Dergelijke verhalen zijn ook uit de klassieke oudheid bekend (Sargon II, Cyrus van Perzië). Zij hebben tot doel de aanspraken op het koningschap te legitimeren.

Een opvallend genre vormen de verhalen waarin de hervorming van de staatscultus centraal staat. De teksten over de als positief beoordeelde reformaties van Jehu (II 10) en Josia (II 22-23) zijn uitvoeriger dan de berichten over de cultushervormingen van Asa (I 15:12-13), Joas (II 11:17-18) en Hizkia (II 18:4). In deze gevallen houdt de hervorming in: terugkeer naar wat de auteur presenteert als de traditionele monotheïstische godsdienst waarin alleen plaats is voor de verering van Jhwh als de enige God van Israël. De schrijver van Koningen wijdt betrekkelijk veel aandacht aan de hervorming die Josia heeft ondernomen, en voegt aan het verhaal veel motieven toe om de geldigheid van de reformatie te onderstrepen, zoalsde vondst van een oud wetboek, het raadplegen van een profetes en het sluiten van het verbond met Jhwh. Daarnaast zijn er ook teksten waarin sprake is van een ‘anti-reformatie’, een door de auteur negatief beoordeelde verandering in de cultus, aangezien de desbetreffende koningen (Jerobeam, Achab, Achaz en Manasse) juist Kanaänitische religieuze praktijken invoerden in de als legitiem beschouwde traditionele godsdienst. Dergelijke vernieuwingen worden niet door profeten gesanctioneerd, maar juist hartstochtelijk door hen bestreden. Toonbeeld van afgekeurde hervormers van de cultus in het noordelijke koninkrijk Israël waren Jerobeam (I 12:25-33) en Achab (I 16:31-33), voor het zuidelijke rijk Juda is Manasse dat geweest (II 21:3-9). Hij is in feite de literaire tegenpool geworden van de hervormingsgezinde Josia, een koning die in trouw aan Jhwh en de wet van Mozes zijn gelijke niet heeft gekend (II 23:25).

Portretten

In het boek Koningen passeren veertig koningen de revue, meestal met een zwart-wit voorstelling die te weinig aanknopingspunten biedt voor een persoonlijke karakterisering van een koning. Toch creëert de auteur van het boek Koningen met literaire middelen meer dan eens een wat gedetailleerder portret van een koning. Het negatieve of positieve beeld krijgt daarin dan meer reliëf. Naast koningen treden er ook vaak profeten op. Een portret van de profeet Elia sluit deze paragraaf af.

Salomo

Aan het begin van het boek Koningen wordt het koningschap in Israël uitgetekend in het personage Salomo, met alle positieve en negatieve kanten. Aan hem besteedt de auteur de meeste verteltijd, meer dan aan enige andere koning. De verhalen over Salomo reiken de thema’s aan die verderop in het boek worden ontwikkeld, uitgewerkt en afgesloten. Salomo is enerzijds de ideale koning, de die het als erfopvolger van de grote David ook waarmaakt koning van Israël te zijn, en de verplichtingen van het verbond met God op zich neemt. Daarvoor zegt God hem zijn steun toe. Salomo wordt ook economisch en politiek een succesvolle koning. En wat voor de auteur zeker zo belangrijk is: hij bouwt de tempel in Jeruzalem, en realiseert daarmee een nog openstaande belofte uit II Samuël 7. Maar anderzijds is Salomo ook het voorbeeld van een goede koning die in religieus opzicht de verkeerde weg inslaat. Aan het einde van zijn leven gaat hij andere goden dienen, en daarmee verspeelt hij de gunst van God. Aan de steun van God is de voorwaarde verbonden dat de koning hem trouw blijft. Daarom kon volgens de auteur de reactie niet uitblijven: het koninkrijk valt in twee delen uiteen, het davidische koningshuis verspeelt het grootste deel van het rijk van David, en dat alles als een gevolg van de ontrouw van Salomo. Zo staat de trouwe en de ontrouwe Salomo model voor het koningschap dat de auteur in zijn boek wil schetsen.

Salomo wordt voorgesteld als een zoon die het koningschap aanvaardt en zich meteen een krachtige opvolger van zijn vader toont. Hij schakelt direct zijn oudere broer Adonia uit die eerst nog aspiraties koesterde om koning over Israël te worden. Vervolgens verbant Salomo de priester Abjatar en laat hij de legeroverste Joab doden, twee prominenten dieAdonia in zijn streven om koning te worden hadden gesteund. Tegelijk benoemt Salomo Benaja tot opperbevelhebber en wijst hij de familie van Sadok als leidinggevende priesters aan. Daarmee is in I Koningen feite de geschiedenis van de troonsopvolging afgesloten. De meeste exegeten beschouwen I Koningen 1 en 2 daarom als het sluitstuk van II Samuël. Maar beide hoofdstukken vormen een introductie van het personage Salomo, een koning die zowel de militaire als de godsdienstige zaken onder zijn controle brengt en die zijn positie met harde hand onmiddellijk veilig weet te stellen.

Natuurlijk speelt de manier van presenteren een rol bij de voorstelling van Salomo als koning. David is in II Samuël de hoofdpersoon in vele boeiende verhalen. Het beeld van Salomo in I Koningen 3-5 ontstaat door een samenvattende presentatie van alles wat hij als koning presteerde en wat voor gevolg zijn optreden had voor Israël. De lezer krijgt niet de om de figuur van Salomo stukje bij beetje in verschillende verhalen op te bouwen. De koning wordt op een gegeven moment eenvoudigweg als de grootste op het toneel gezet. De tekst zet vanaf I Koningen 3 nog wel narratief in, vanaf hoofdstuk 4 wordt het aandeel van het verhalende steeds kleiner.

Vanaf I Koningen 3 lijkt er een heel andere Salomo op te treden. De lezer krijgt de indruk met een sprookjeskoning te maken te hebben. Salomo wordt de wijze koning, de die zijn land tot welvaart en rijkdom weet te brengen, die grote bouwprojecten in Jeruzalem start, een paleis voor zichzelf en een tempel voor God, en die daarvoor ook de nodige lof in ontvangst mag nemen. Door zijn toedoen immers had de bevolking van Juda en Israël, zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee, te eten en te drinken en was iedereen gelukkig. Salomo onderwierp alle koninkrijken tussen de Middellandse Zee en de Eufraat en legde hun belasting op, waardoor hij onvoorstelbaar rijk werd. Zolang Salomo leefde kon iedere Israëliet veilig zitten onder zijn wijnstok en vijgenboom – een beeld van het ideale leven (I 4:20-5:5). Tegelijk schenkt God hem veel wijsheid en inzicht, zodat de wijsheid van Salomo groter was dan die van alle oosterlingen. Aan hem werden ook 3000 spreuken toegeschreven en 1005 liederen; traditioneel wordt hij wel ten onrechte genoemd als auteur van het boek Prediker, een deel van het boek Spreuken (die beide tot de wijsheidsliteratuur worden gerekend) en van Hooglied, een verzameling liefdesliederen. Uit alle volken kwamen mensen naar Salomo’s wijze woorden luisteren (I 5:6-14).

De auteur vertelt hoe Salomo eens in bij een bekende offerplaats was. Daar verschijnt God hem in een droom. Salomo mag een wens doen. Als de jonge onervaren koning dan vraagt: ‘Leer mij luisteren, zodat ik uw volk leiding kan geven en goed van kwaad weet te onderscheiden’ (I 3:9), reageert God daarop met de woorden: ‘Omdat je hierom vraagt -niet een lang leven of grote rijkdom of de dood van je vijanden, maar het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht – zal Ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat niemand voor of na jou je evenaart. Ook waar je niet om gevraagd hebt zal Ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren. En als je Mij gehoorzaamt en je houdt aan mijn bepalingen en geboden, zoals je vader David dat deed, zal Ik je een lang leven schenken’ (I 3:11-14).

Salomo wordt in de scène bij als een bescheiden koning getekend, geheel anders dan de gedecideerde Salomo die voor geweld niet terugdeinst, zoals men hem kent uit het voorgaande hoofdstuk I 2. Waartoe de wijsheid leidt die God hem schenkt, wordt directduidelijk gemaakt. Het is een anekdote in I 3:16-28, waaraan onze bekende uitdrukking ‘een Salomo’s oordeel’ (een handige beslissing in een delicate zaak) is ontleend. Het verhaal gaat zo. Twee moeders wenden zich tot koning Salomo met het verzoek als rechter een beslissing over hun geval te nemen – de koning gold in Israël als de hoogste rechter en alle moeilijke gevallen konden aan hem worden voorgelegd. Ze woonden in hetzelfde huis en hadden ieder een kind. Als één daarvan komt te overlijden, pakt zijn moeder het levende kind af van de andere vrouw en beweert zij dat het van haar is. Wanneer beide vrouwen voor Salomo’s rechterstoel volhouden de moeder te zijn van het levende kind, besluit Salomo hen op de proef te stellen. Hij beveelt het gestolen kind in tweeën te snijden, zodat ieder van de moeders een helft krijgen. Wat Salomo al dacht, gebeurt ook: de echte moeder smeekt dat het kind dan maar aan de andere vrouw moet worden gegeven, terwijl die juist de voorkeur geeft aan Salomo’s oplossing. Dan weet Salomo van welke van de twee vrouwen het kind is en geeft het aan de werkelijke moeder terug. Door deze wijze beslissing krijgt Salomo groot gezag in Jeruzalem, omdat men begrijpt dat hij het recht handhaaft met goddelijke wijsheid. En zijn roem verbreidt zich ook buiten de grenzen van Juda en Israël, onder de inwoners van Fenicië in het noorden, en van Egypte en de meest afgelegen streken van Arabië in het zuiden.

De verandering in de voorstelling van Salomo als koning vormt het voorspel op de bouw van de tempel in Jeruzalem, een onderneming die alleen lijkt te zijn weggelegd voor een ideale koning. Salomo is indrukwekkend groot geworden, nauwelijks meer lijkend op iemand met onhebbelijkheden naast zijn goede kanten, met heftige gevoelens van hartstocht en verdriet als zijn vader David. In zijn roem en grootheid bleef David een figuur met voluit menselijke trekken.

Deze koning van welvaart, wijsheid en vrede begint in I Koningen 5:15 met de voorbereiding van de tempelbouw. De realisering daarvan, vanaf het begin tot het feest na de inwijding (I 8:62-66), neemt bijna de helft van de verteltijd die aan Salomo wordt besteed in beslag. De verteller geeft dus veel aandacht aan Salomo als tempelbouwer. Hoezeer de tempel hem ter harte gaat, blijkt uit de wijze waarop sommige details zijn beschreven. Voor de beeldvorming van Salomo zijn de beschrijvingen van groot belang. Ze onderstrepen Salomo’s grote wijsheid: de tempel is door hem bedacht, het ontwerp is hem niet aangereikt zoals God eens aan Mozes in de woestijn aanwijzingen gaf voor de bouw van het heiligdom en het vervaardigen van de inventaris (zie Ex. 25-30; 35:30-38:31).

De beschrijving van de tempelbouw is volgens een bepaald plan opgezet. Ze begint met de constructie van de buitenkant van het bouwwerk (I 6:2-10). Daarna wordt het werk binnenin het gebouw beschreven (I 6:14-36). Aan het eerste gedeelte gaat een uitvoerige datering in I 6:1 vooraf: ‘In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering, in de tweede maand van het jaar, de maand Ziw, begon Salomo met de bouw van de tempel’. In I 6:37-38 wordt weer het jaar van het leggen van de eerste steen vermeld, en vervolgens ook het tijdstip van de voltooiing: ‘in het elfde jaar, in de achtste maand van het jaar, de maand Bul, was de tempel in alle onderdelen en geheel volgens plan voltooid. Salomo had er dus zeven jaar aan gebouwd.’ In I 7:13-51 staat ter afronding beschreven welke voorwerpen Salomo voor de tempel en ten behoeve van de eredienst liet vervaardigen.

In I Koningen 8 staat Salomo ook centraal wanneer de voltooide tempel in gebruik wordtgenomen. Salomo is niet alleen de politieke leider, hij gaat zijn volk ook in godsdienstig opzicht voor. Hij regelt dat de verbondskist naar de tempel wordt gebracht en met groot ceremoniëel op zijn plaats wordt gezet. Een hoogtepunt in de voorstelling van Salomo als koning van Israël vormt het gebed dat hij vervolgens bij het altaar in de tempel uitspreekt ten overstaan van de samengestroomde Israëlieten. Daarbij wijst Salomo erop dat de tempel de plaats is waar God aanwezig is voor zijn volk Israël. Hij vraagt: ‘Houd deze tempel dag en nacht in het oog, deze plaats waarvan U zelf gezegd hebt dat men er U vereren. Luister dus naar het gebed dat ik in de richting van deze plaats uitspreek. Verhoor het smeekgebed dat ik en uw volk Israël in de richting van deze plaats uitspreken. Laat het doordringen tot de plaats waar U woont, de hemel, luister ernaar en schenk vergeving’ (I 8:29-30).

Het gebed van Salomo past goed bij de inwijding van de tempel. De tekst is fraai opgebouwd, waarin de herhaling als literair procédé duidelijk is toegepast (zie I 8:31-51). Zeven keer wordt een denkbare noodsituatie beschreven (o.a. hongersnood, pestepidemieën, oorlog), waarin de Israëlieten zich in de toekomst naar de tempel in Jeruzalem zouden kunnen wenden en een gebed uitspreken. De zeven passages beginnen met de situatieschets (zie I 8:31. 33. 35. 37-38. 41-42. 44. 46-48) en gaan vervolgens over op een oproep tot God om te luisteren en in actie te komen (zie I Kon. 8:32. 34. 36. 39-40. 43. 45. 49-51). De volgende passage biedt een goede illustratie van de vorm en de inhoud van de diverse onderdelen van het gebed van Salomo:

18:44 (situatie) Wanneer uw volk op uw bevel ten strijde is getrokken tegen een vijand en zij tot U

bidden in de richting van de stad die U hebt uitgekozen, in de richting van de tempel die ik ter ere

van u heb gebouwd,

18:45 (oproep) luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en kom voor hen op.

In verschillende delen van het gebed van Salomo anticipeert de verteller op situaties die elders in het boek Koningen werkelijk aan de orde komen. Zo gaat het in I 8:35 over een lange periode van droogte en het uitblijven van regen. Daarmee lijkt de verteller te zinspelen op de langdurige droogte tijdens de regering van koning Achab in I 17-18, waaraan dankzij het optreden van de profeet Elia een einde komt. Een andere noodsituatie is vermeld in I 8:46-53: ‘Wanneer uw volk zondigt tegen U – want geen mens is zonder zonden -en U bent boos op hen en laat hen de nederlaag lijden tegen een vijand die hen wegvoert naar een land, ver weg of wat meer nabij, en als ze dan in dat verbanningsoord tot bezinning komen en ze zich smekend tot U keren met de woorden: Wij hebben gezondigd, het was verkeerd wat we deden, we zijn schuldig, ja, als zij zich in dat verbanningsoord met hart en ziel keren naar U en bidden tot U in de richting van het land dat U hun voorouders hebt gegeven, in de richting van de stad die U heeft uitgekozen, in de richting van de tempel die ik ter ere van U heb gebouwd, luister dan vanuit de hemel Dit deel van het gebed bevat een zinspeling op de ballingschap waarmee de Israëlieten later worden geconfronteerd en waarmee het boek Koningen ook afsluit (zie vooral II 25:24). Behalve dat Salomo hier bijna profetische trekjes krijgt, is hij bij uitstek de koning die het goede zoekt voor zijn volk en voorbede doet voor Israël, in heel zijn roerige geschiedenis van de tiende tot de zesde eeuw, wanneer en waar dan ook! Dat is ongetwijfeld het hoogtepunt in de karakterisering van Salomo als koning over Israël.

In het vervolg op I Koningen 8 wordt Salomo voluit getekend als een succesvolle koningop het terrein van de politiek, de handel en de stedenbouw waarbij hij overigens niet schuwde arbeidsdienst verplicht te stellen voor niet-israëlitische bevolkingsgroepen. In I 9 en 10 wordt zijn wijsheid en rijkdom breed uitgemeten. Het verhaal over het bezoek van de koningin van Seba in I 10 onderstreept die op narratieve wijze.

Met I Koningen 11 komt er verrassend genoeg een abrupt einde aan de positieve beschrijving van koning Salomo. Aan de voorspoed die Israël kende en de steun die God de jonge Salomo gaf, was de voorwaarde verbonden dat de koning de verplichtingen tegenover God nakwam. Er pakken zich donkere wolken samen boven Salomo’s koninkrijk als gevolg van het feit dat hij zich volgens I 11:1-13 op latere leeftijd door zijn vele vrouwen laat verleiden om andere goden te vereren. ‘In tegenstelling tot zijn vader David was hij niet volkomen toegewijd aan Jhwh, zijn God. Hij zocht zijn heil bij Astarte, de godin van de Sidoniërs, en bij Milkom, die verfoeilijke afgod van de Ammonieten.’ Salomo bouwt ten oosten van de stad Jeruzalem een tempel voor Kemos, de god van de Moabieten, en ook voor Milkom, en hij gaf al zijn buitenlandse vrouwen de gelegenheid offers te brengen aan hun goden. God had Salomo juist verboden dat te doen. In de visie van de auteur ondermijnt Salomo met deze vorm van ontrouw aan God het voortbestaan van zijn koninkrijk en zijn koningshuis. God zegt tegen hem: ‘Omdat het zo ver met je is gekomen dat je je niet meer houdt aan mijn verbond en aan mijn wetten, zal Ik je het koninkrijk afnemen en het aan een van je dienaren geven. Maar omdat je vader David Mij zo dierbaar was, zal Ik ermee wachten tot na je dood (…) en omdat David Mij trouw gediend heeft en Jeruzalem de stad van mijn keuze is, zal Ik je zoon ook niet het hele koninkrijk afnemen; Ik zal hem één stam laten houden’ (I 11:11-12). En in plaats van steun van God krijgt Salomo als gevolg van zijn ontrouw nu te kampen met een aantal tegenstanders: Hadad uit , Rezon, de zoon van Eljada, en een zekere Jerobeam. Het is deze laatstgenoemde die van een profeet, Achia, te horen krijgt dat God hem heeft gekozen om koning te worden over het grootste deel van Israël. Salomo stelt alles in het werk om Jerobeam te doden, maar die slaagt erin naar Egypte te ontkomen om daar zijn af te wachten. Zo eindigt het relaas over Salomo’s koningschap met waar het mee begon. Zoals eerst zijn oudere broer Adonia zijn grote rivaal was in de strijd om het koningschap over Israël (zie I 1:5-2:25), zo is het nu Jerobeam. Maar deze keer slaagt de eens zo machtige Salomo er niet in met zijn tegenstander af te rekenen. En dat gegeven zal de lezer makkelijk interpreteren als een subtiele bevestiging van de door Achia aangekondigde strijd om het koningschap over Israël.

Rechabeam

De lezer weet dat het koningschap van Rechabeam, de opvolger van Salomo, in het teken zal staan van de gevolgen van de ontrouw van zijn vader. Op grond van deze voorkennis is een scenario denkbaar waarin Rechabeam tamelijk passief zijn lot zal ondergaan. Maar zo eenvoudig wordt het woord van de profeet Achia niet bewaarheid. De opstand tegen Rechabeam wordt niet verteld vanuit het perspectief van de zonden van Salomo. De auteur laat Rechabeam zelf verstrikt raken in een conflict met zijn onderdanen. Rechabeam mag de kuil waarin hij vallen moet, zelf graven. Na de dood van Salomo komen vertegenwoordigers van het volk met Jerobeam bij Rechabeam en zij zetten hem voor het blok: ‘Uw vader heeft ons een hard juk opgelegd. Daarom zullen wij u alleen dienen als u het harde werk waartoe hij ons heeft gedwongen, verlicht en ons het zware juk afneemt dat hij ons heeftopgelegd’ (I 12:4). De raadgevers van Rechabeam die ook in dienst waren geweest van zijn vader Salomo, zien in dat een gevaarlijke confrontatie met het volk moet worden voorkomen, en zij stellen voor tegemoet te komen aan de wens van het volk om de stabiliteit van het koninkrijk op lange termijn veilig te stellen. ‘Als u een dienaar van het volk wilt zijn,’ zeggen ze tegen Rechabeam, ‘bewijs hun dan een dienst door gunstig te beslissen en hen vriendelijk te woord te staan; dan zullen zij altijd uw dienaren zijn’ (I 12:7). Met de herhaling van het woord ‘dienaar’ wordt de welwillende loyaliteit onderstreept. Wie goed doet, goed ontmoet! Maar het is typerend voor Rechabeam dat hij die wijze woorden naast zich neerlegt. Hij raadpleegt adviseurs van zijn leeftijd, hij legt zijn lot in handen van jongemannen met weinig ervaring – en hij brengt zo ongewild de vervulling van de profetie van Achia gevaarlijk dichtbij. De jongemannen stellen de harde lijn voor: ‘Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog zwaarder maken; heeft mijn vader u met de zweep afgeranseld, ik zal een gesel gebruiken’ (I 12:11). Daarmee is de confrontatie met het volk een feit, en zullen tien stammen van Israël zich afsplitsen en een zelfstandige staat gaan vormen. Rechabeam is daardoor voor altijd getekend als de onhandige staatsman die groter wilde zijn dan zijn vader, maar die uiteindelijk ternauwernood aan steniging door zijn onderdanen wist te ontkomen (I 12:18). Het commentaar van de verteller daarbij is veelzeggend: ‘Jhwh had hierop aangestuurd, want hij wilde de belofte aan Jerobeam nakomen zoals Achia die had overgebracht’ (I 12:15).

Achab

De auteur besteedt relatief veel aandacht aan het koningschap van Achab. In zijn ogen dient deze koning meer dan alle andere koningen negatief beoordeeld te worden. Voor Achabs vader Omri had de auteur al weinig goeds over: ‘Omri deed wat in strijd is met de wil van Jhwh en maakte het nog erger dan al zijn voorgangers. In alles volgde hij het voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat; hij volhardde in de zonde waartoe Jerobeam de Israëlieten had gebracht en wekte met zijn waardeloze afgoden de woede op van Jhwh, de God van Israël’ (I 16:25-26). Achab is zijn vader niet alleen gevolgd in het kwaad, hij heeft hem daarin ook overtroffen. Dat Achab de verering van Baäl introduceerde wordt hem door de bijbelschrijver zwaar aangerekend: ‘Achab deed wat in strijd is met de wil van Jhwh en maakte het nog erger dan al zijn voorgangers. Alsof hij het voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, nog niet slecht genoeg vond, trouwde hij ook nog met Izebel, de dochter van koning Etbaäl van de Sidoniërs, en ging hij ertoe over Baäl te dienen en zich voor hem neer te buigen. In liet hij voor Baäl een tempel bouwen, waarin hij een altaar voor hem oprichtte. Ook liet hij een heilige paal oprichten en behalve dat deed hij nog zoveel ander kwaad, dat hij de woede van Jhwh meer opwekte dan alle koningen van Israël vóór hem’ (I 16:30-33).

Het eigenaardige is echter dat het negatieve beeld van koning Achab in de verhalen die in de periode van zijn koningschap spelen, helemaal niet zo prominent is. Een van de hoofdrolspelers in die verhalen is de bekende profeet Elia (zie I 17-21). In opdracht van de God van Israël kritiseert Elia de koning herhaaldelijk om zijn godsdienstpolitiek, en haalt hij zich daarmee de woede van Achab op de hals. Tegelijk legt Achab niet elk woord van Elia of van een andere profeet naast zich neer. In het verhaal over Elia ‘s optreden op de berg Karmel doet Achab wel steeds wat Elia hem opdraagt. In I 20:13-14 overlegt hij met een nietmet name genoemde profeet over de te volgen tactiek in de strijd tegen de Arameeërs. En in I 20:28 kondigt een profeet namens God zelfs de overwinning van Achab aan.

Een ander moment waarop het uitgesproken negatieve beeld dat de auteur eerder van Achab schetste lijkt te worden gerelativeerd, wordt verhaald in I 21:27-29. Achab heeft zich eerder onrechtmatig de wijngaard van een zekere Nabot toegeëigend, die vlak naast zijn paleis lag; Achab wilde graag voor de grond betalen, maar Nabot weigerde op dat voorstel in te gaan. ‘Bij Jhwh, geen sprake van dat ik afstand zou doen van de grond die overgegaan is van vader op zoon,’ zo motiveert Nabot zijn weigering, en hij beroept zich daarbij op de regel in het oude Israël dat familiebezit nooit definitief in vreemde handen kan overgaan. Nabot houdt zich dus tot grote woede van Achab aan de voorschriften in Numeri 3 6:7. De koning zorgt er met zijn vrouw Izebel voor dat Nabot uit de weg wordt geruimd. Als Achab dan na de dood van Nabot in de wijngaard aankomt om zijn nieuwe bezitting te inspecteren, ontmoet hij Elia. De profeet kritiseert hem fel en kondigt het einde van het koningshuis van Omri en Achab aan. Daar reageert Achab heel anders op dan verwacht. ‘Zodra Elia was uitgesproken, scheurde Achab zijn kleren en deed een boetekleed aan. Hij vastte, sliep in zijn boetekleed en liep berouwvol rond. Toen richtte Jhwh het woord tot Elia uit Tisbe: “Heb je gezien hoe Achab zich voor Mij heeft vernederd? Omdat hij dat gedaan heeft, zal de ramp die Ik over zijn koningshuis heb aangekondigd, niet tijdens zijn leven plaatsvinden maar tijdens het leven van zijn zoon”‘ (I 21:27-29).

Maar wat betekenen die momenten van berouw en onderdanigheid voor de beeldvorming van de meest goddeloze koning die Israël ooit gekend heeft? Minder dan men zou denken. In de verhalen hebben ze niet tot gevolg dat het negatieve oordeel over Achab wordt afgezwakt. Ze versterken eerder de kritische beoordeling van Achab. Hij komt over als een koning die maar al te snel lijkt te capituleren voor elke vorm van tegenstand. Doen religieuze, morele en politieke waarden er wel iets toe bij Achab? Waar staat Achab nu eigenlijk zelf voor? Hij luistert niet alleen serieus naar een profetisch woord, hij tolereert ook de vervolging van de profeten. Tegelijk zwicht hij ook onmiddellijk voor de zogenaamd kameraadschappelijke woorden van de Aramese koning Benhadad die nota bene aan Israël de oorlog had verklaard, en toont hij zich boos en verdrietig wanneer een profeet hem daarover kapittelt (I 20:42). Met zijn onverwachte berouwvolle houding in de affaire-Nabot maakt Achab alleen maar duidelijk hoe wispelturig hij is. Al met al moet de lezer wel tot de conclusie komen dat Achab een zwak, volgzaam en opportunistisch figuur is.

Dat laatste komt ook naar voren in het verhaal over de dood van Achab in I Koningen 22. Naar aanleiding van het bezoek van koning Josafat van Juda aan stelt Achab voor Ramot in te gaan heroveren op de Arameeërs. Josafat zegt zijn steun toe, en daarvan wil Achab listig gebruik maken. Hij maakt van Josafat zijn militaire stand-in. Wanneer beide koningen zich op de veldtocht voorbereiden vermomt Achab zich, maar hij laat Josafat in vol ornaat ten strijde trekken. Het gevolg is dat de Arameeërs in Josafat hun echte tegenstander zien en hem proberen te doden. Door Josafat in gevaar te brengen heeft Achab een grotere om levend het slagveld te verlaten. Hij mengt zich in het strijdgewoel, maar hij wordt staande in zijn strijdwagen dodelijk verwond door een toevallig afgeschoten pijl. Uiteindelijk heeft Achab in zijn strijd om Ramot in niets bereikt, en laat hij zelf het leven. En dat terwijl hij zijn leven zou hebben gered als hij de woorden van een profeet van Jhwh, Micha de zoon van Jimla, serieus had genomen. Maar voor de zoveelstekeer blijkt Achab de koning die willens en wetens verkeerd kiest en daarvoor in de ogen van de bijbelschrijver dan ook moet boeten.

Elia

Bij een karakterisering van personages in het boek Koningen mag een portret van de profeet Elia niet ontbreken. Hij is een van de profetische tegenspelers van koning Achab, en de aandacht die is gewijd aan Elia raakt ook de beeldvorming van Achab. Achab heeft volgens de bijbelschrijver tijdens zijn regering de Baälcultus in Israël geïntroduceerd na zijn huwelijk met de Fenicische prinses Izebel. Kan Baäl naast Jhwh, de God van Israël, worden vereerd, of zal Baäl voor de Israëlieten de plaats van Jhwh moeten overnemen? Welke van de twee goden moet Israël kiezen? In I Koningen 18 worden die vragen meesterlijk aan de orde gesteld.

De naam van de profeet Elia is veelzeggend: ‘mijn God is Jhwh.’ En de profeet toont zich vastberaden en strijdvaardig om die naam waar te maken. Tijdens een periode van grote droogte organiseren Achab en Elia op de berg Karmel een duel tussen de profeten van Baäl en de godin Asjera en de profeet van Jhwh. Achab nodigt alle Israëlieten daarbij uit. Elia houdt het volk dan de keuze voor: ‘Hoelang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als Jhwh God is, volg Hem dan; is het Baäl, volg dan Baäl.’ Maar het volk reageert niet. Daarom daagt Elia de profeten van Baäl uit om een godsoordeel te vragen. Het volk moet dan getuige zijn van een beslissend teken uit de hemel. Op een altaar worden brandhout en een offer gelegd, maar geen vuur. Men zal aan zijn eigen god vragen het vuur te ontsteken! En de god die met vuur antwoordt, die bewijst daarmee de ware god te zijn. Wanneer de profeten van Baäl van de morgen tot de avond tot hun god roepen, een hinkdans rond het altaar maken en zich zelfs met messen verwonden om de god Baäl tot een antwoord te bewegen, maar er geen enkele reactie van Baäl te vernemen valt, worden de profeten overladen met de spot van Elia. Hij oppert de mogelijkheid dat de godheid in gepeins verzonken is, zich even heeft teruggetrokken, op reis is of in slaap is gevallen. En hij spoort de profeten aan luider te roepen, maar als de vierhonderdvijftig profeten van Baäl op een antwoord van hun god wachten, blijft het doodstil op de Karmel. Daarna neemt Elia het initiatief. Hij bouwt op de Karmel een vervallen altaar voor Jhwh weer op en graaft er een geul om heen. Hij legt er hout op en een in stukken gehouwen offerstier. Merkwaardig genoeg giet hij er driemaal vier kruiken met water over uit. Is het op zichzelf al onwaarschijnlijk dat een offergave vanuit de hemel wordt ontstoken, nog wonderlijker wordt het wanneer het altaar waarop het offer ligt, druipt van het water. Sommige uitleggers menen dat hier sprake is van een ritueel van waterplenging dat men uitvoert vlak voor het begin van de regentijd. Na het optreden van Elia daalt inderdaad de regen over de Karmel neer. Maar het water op het altaar heeft zeker ook het effect te garanderen dat er een wonder plaats vindt. Met een kort gebed vraagt de profeet: ‘Jhwh, God van Abraham, Isaak en Jakob, laat nu zien dat U de enige God in Israël bent en dat ik uw dienaar ben die dit alles doe in opdracht van U. Geef antwoord, Jhwh, geef antwoord. Laat dit volk merken dat U de ware God bent en dat U hen weer op U richt’ (I 18:36-37). Dan daalt er vuur van de hemel neer en het hele altaar staat in een oogwenk in lichterlaaie. Als de Israëlieten dat zien, werpen zij zich voorover en roepen: ‘Alleen Jhwh is God, alleen Jhwh.’ Voor de Baälpriesters rest nog slechts de ondergang. Op bevel van Elia wordt er bij de beek Kison met hen afgerekend. Daarna zegt hij totkoning Achab dat hij zich naar huis moet haasten, omdat hij in de verte al het geruis van zware stortregens hoort die aan de periode van droogte een einde zal maken. Boven de zee verschijnt er een wolk zo groot als een hand, en weldra wordt de hemel zwart, een storm steekt op en het begint te stortregenen. De tijd van grote droogte is voorbij.

Elia wordt voorgesteld als de profeet met soms bovenmenselijke trekken, die de regie van de gebeurtenissen op de Karmel vast in handen heeft. Wat hij plant voeren de anderen uit, of het nu de koning van Israël betreft, de profeten van Baäl en Asjera, of duizenden Israëlieten, en hij lijkt ook de macht te bezitten om de natuurkrachten te beïnvloeden. In I Koningen 19 verandert plotseling dat beeld van de profeet met de sterke persoonlijkheid, wanneer één persoon, Izebel, de vrouw van Achab, woedend blijkt over zijn optreden op de Karmel en hem met de dood bedreigt. Dat raakt Elia zo dat hij mentaal instort en vlucht voor zijn opdracht. De strijd tegen de verering van Baäl valt hem zwaar, hij is moe en hij besluit te vluchten in de richting van de berg Sinaï. De Sinaï is de plaats waar God aan Mozes zijn wet en de geboden heeft bekend gemaakt (zie Ex. 19 e.v.), en bij die plaats van goddelijke openbaring zoekt Elia rust. Hij wil zijn opdracht teruggeven, voor hem is het genoeg geweest: ‘Het is nu genoeg, God, neem mij uit het leven weg, ik ben niet beter dan mijn voorouders’ (I 19:4). Als God hem de kracht geeft bij de Sinaï aan te komen en Elia daar overnacht in een grot, raakt hij in gesprek met God. ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor Jhwh,’ zegt hij, ‘maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten vermoord. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien’ (I 19:10). Als antwoord daarop draagt Jhwh hem op uit de grot te komen, en daar trekt Jhwh aan hem voorbij. Aan zijn verschijning gaan drie geweldige natuurkrachten vooraf: een geweldige storm, een aardbeving en een vuur. Maar in het geweld van de natuur vindt Elia de God van Israël niet. Pas in een ademloze stilte hij de stem van God verstaan. Elia krijgt nog éénmaal de gelegenheid te klagen dat zijn leven en zijn opdracht hem zwaar vallen. Dan wordt hij teruggezonden met een nieuwe opdracht, en met de verzekering dat hij er niet langer alleen voor zal staan; ‘Ik zal er voor zorgen dat er in Israël zevenduizend man overblijven die zich niet buigen voor Baäl en zijn beeld niet kussen,’ belooft God hem (I 19:18). Vermoeidheid en zorgen vallen van Elia af, en we zien hem weer uit het Sinaïgebergte terugkeren in zijn grootheid, als een profeet die koningen vrijmoedig de les leest, en politieke en maatschappelijke misstanden tot op het hoogste niveau aan de kaak stelt.

Intertekstueel

De Hebreeuwse Bijbel bevat veel passages waarin de ene auteur citeert uit het werk van een andere, verwijst naar een personage of een gebeurtenis die beschreven wordt in een ander boek of in bedekte termen zinspeelt op wat elders in de canon voorkomt. Daarbij gaat het niet zelden om teksten uit het boek Koningen. In deze paragraaf geef ik daarvan een paar voorbeelden. De ene keer verwijst een auteur op een creatieve manier, de andere keer wordt een tekst in min of meer dezelfde bewoordingen letterlijk overgenomen.

Wat dat laatste betreft zijn Jesaja 36-39 en Jeremia 52 naast II Koningen 18:13-20:21 en 24:18-25:12 mooie voorbeelden van parallelle teksten. Wanneer hier inderdaad sprake is van literaire afhankelijkheid en de overeenkomst niet te verklaren is uit het gebruik van dezelfde literaire bron, dan is de vraag interessant welke tekst de originele is, en welke bedoeling er achter de overname steekt. Die vraag lijkt niet meer actueel voor de relatie tussen de boeken Koningen en Kronieken. De auteur van Kronieken heeft het grote geschiedwerk Genesis – Koningen als een classic opgevat, en vervolgens heeft hij ernaar gestreefd dat werk op eigen wijze te imiteren. Van de geschiedenis van Israël en Juda zoals die beschreven is in I en II Koningen maakt hij vanuit zijn eigen perspectief een nieuwe versie, waarvoor hij naar eigen zeggen gebruik heeft gemaakt van diverse andere historische bronnen.

De bovengenoemde gevallen van intertekstualiteit zijn tamelijk eenvoudig te signaleren. Het gaat om verhalen waarin de personages en de rollen die zij spelen dezelfde zijn, en de gebeurtenissen waarin ze zijn betrokken, zich afspelen op dezelfde plaats en in dezelfde tijd. Veel moeilijker is het een relatie tussen teksten op te sporen wanneer de narratieve bouwstenen (personages, plaats, tijd gebeurtenissen) niet alle gelijk of zelfs allemaal verschillend zijn.

Wanneer in I Koningen 6-7 de bouw van de tempel en het vervaardigen van de inventaris wordt verhaald, doet die beschrijving in een aantal opzichten denken aan het relaas over de bouw en de inrichting van de tabernakel in Exodus 25-30; 35:30-38:31. Daarmee wordt indirect de rol van Salomo bij de tempelbouw vergeleken met die van Mozes bij de bouw van de tabernakel. Die verhouding tot Mozes is voor de beeldvorming van Salomo als koning bijzonder gunstig, aangezien hij zo op één lijn wordt gesteld met de grote leider en wetgever uit Israëls verleden.

In I Koningen 21 wordt het verhaal verteld over koning Achab die zijn macht als koning misbruikt om de wijngaard van Nabot in bezit te nemen. Dat verhaal heeft niet een directe parallel elders in de Bijbel. Maar er zijn wel veel verbanden te leggen met een ander verhaal uit het deuteronomistische geschiedwerk: de geschiedenis van David, Uria en Batseba in II Samuël 11-12. Volgens I Koningen 21 tracht Achab eerst met legitieme, vreedzame middelen eigenaar te worden van het bezit van zijn buurman, en wendt vervolgens gefrustreerd list en bedrog aan om Nabot ter dood te brengen. Als hij daarna de wijngaard in bezit wil gaan nemen, komt Elia, de profeet van God hem tegemoet. Elia veroordeelt het gedrag van de koning en kondigt de ondergang van Achabs koningshuis aan. De koning toont ten slotte berouw en het oordeel wordt daardoor enigszins verzacht.

In II Samuël 11-12 verlangt David de vrouw van een ander die dichtbij zijn paleis woont, en om zijn doel te bereiken misbruikt hij zijn macht als koning. In die tijd gold Batseba als het bezit van Uria. Wanneer David met Batseba heeft geslapen en zij zwanger blijkt te zijn, wil de koning de feiten verdoezelen. Maar als hij daarin niet slaagt, zorgt hij ervoor dat Uria op gewelddadige wijze om het leven komt. David neemt vervolgens Batseba tot vrouw. Maar dan komt de profeet Natan naar hem toe en namens God veroordeelt hij hem vanwege zijn gedrag. Als David diep berouw toont, wordt de straf verzacht.

Beide verhalen vertonen dezelfde structuur, ook de woordkeuze is soms opvallend gelijk. De auteur van het boek Koningen heeft bij de presentatie van de geschiedenis van Achab en Nabot in I Koningen 21 gebruik gemaakt van het oudere verhaal over David en Batseba uit het boek Samuël, waarbij alle narratieve elementen zijn aangepast aan de specifieke situatie in Koningen.

In het Nieuwe Testament wordt vaak op passages uit het boek Koningen gezinspeeld. De ene keer is dat explicieter dan de andere. In de brief van Paulus aan de christenen in citeert de auteur uit één van de verhalen over Elia. ‘U kent ongetwijfeld het verhaal uit de Schrift waarin Elia het volk van Israël bij God aanklaagt: Heer, ze hebben uw profeten gedood en uw altaren omvergehaald; ik alleen ben overgebleven en ook mij staan ze naar het leven. Maar wat antwoordt God hem? Zevenduizend man heb ik voor mezelf gehouden; zij hebben de afgod Baäl niet aanbeden’ ( 11:3-4). Paulus citeert hier uit I Koningen 19:10- het Grieks, en hij creëert voor het citaat een passende setting in zijn betoog.

Meer frequent zijn de bedekte toespelingen op personen of gebeurtenissen uit I en II Koningen. Een voorbeeld daarvan vinden we in Lucas 9:54. Toen Jezus op weg naar Jeruzalem onderdak zocht in een dorp van de Samaritanen, wilden de mensen hem daar niet ontvangen omdat Jeruzalem zijn reisdoel was. ‘Toen twee van zijn leerlingen, Jakobus en Johannes, dat hoorden, vroegen ze: “Heer, wilt U dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te vernietigen?”’ De vraag van de leerlingen verwijst naar een passage in II Koningen 1 waarin het vuur uit de hemel tegenover een gezantschap van koning Achazja moet bevestigen dat Elia door God gezonden is: ‘Als ik een profeet ben, laat er dan vuur uit de hemel komen dat u met uw vijftig manschappen vernietigt.’ Onmiddellijk kwam er vuur uit de hemel dat de officier met zijn vijftig manschappen vernietigde (II 1:10,12). Ook hier zien we dat Lucas als auteur slechts dat uit de tekst in Koningen aanhaalt of weglaat wat relevant is voor zijn eigen verhaal.

Datering van koningen

Lijst van koningen van Israël en Juda na Salomo, met het vermoedelijke jaar van hun troonsbestijging. De chronologie is niet geheel zeker. De jaartallen geven bij benadering aan om welk jaar het gaat:

noordelijke rijk

zuidelijke rijk

Jerobeam 933

Rechabeam 933

Nadab 911

Abiam 915

Basa 910

Asa 912

Ela 887

Josafat 870

Zimri 886

Joram 848

Omri 886

Achazja 841

Achab 875

Atalja 841

Achazja 853

Joas 835

Joram 852

Amasja 796

Jehu 841

Azarja/Uzzia 781

Joachaz 814

Jotam 740

Joas 803

Achaz 735

Jerobeam II 787

Hizkia 716

Zacharia 747

Manasse 687

Sallum 747

Amon 642

Menachem 746

Josia 640

Pekachja 736

Joachaz 609

Pekach 735

Jojakim 609

Hosea 732

Jojakin 598

(val 722 v. Chr.)

Sedekia 597

(val Jeruzalem 587 v. Chr.)

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken