1 Johannes
INLEIDING
Hoewel meestal wordt gesproken van (de) drie brieven van Johannes, valt bij de eerste – anders dan bij de beide andere – op, dat een aantal gebruikelijke kenmerken van een klassieke brief ontbreekt. Zo bv. afzender, geadresseerde en groet aan het begin en groeten en goede wensen aan het slot. Toch is 1 Johannes duidelijk een brief. Er is een concrete aanleiding tot schrijven; dertien maal zegt de ‘schrijver’ dat hij schrijft (bv. 2:1,7 enz.), waarbij de lezers twaalf maal met ‘u’ direct worden aangesproken. 1 Johannes is een schrijven aan een of een aantal bij elkaar in de buurt liggende gemeenten van de hand van iemand, die zich voor die gemeenten verantwoordelijk weet en die in die kring ook een bekend en gezaghebbend iemand moet zijn geweest. Het is voor hem niet nodig zijn naam of hoedanigheid te noemen!
De schrijver
Met nadruk stelt de schrijver in 1:1-4, dat hij behoort tot de kring van de ooggetuigen van het Woord des levens (vgl. ook Joh. 19:35v). Dat is de grond voor zijn autoriteit tegenover de lezers. De traditie identificeert hem met de schrijver van het vierde evangelie en denkt daarbij aan Johannes, de zoon van Zebedeüs, de apostel. Op grond van verschillen in stijl en ‘theologie’ ontkennen verschillende geleerden, dat de schrijver van 1 (en van 2 en 3) Johannes dezelfde is als die van het evangelie. Wel zijn velen dan weer van mening, dat de geschriften uit dezelfde ‘kring’ stammen, de zgn. johanneïsche. Veel uitdrukkingen, zoals bv. de tegenstellingen leven-dood, licht-duisternis, waarheid-leugen en waarachtig, wereld, een nieuw gebod, uit God geboren zijn, in Hem (of in de Zoon) blijven, enz. leggen op zijn minst een nauw verband tussen het evangelie en de brieven. Velen zijn dan ook van mening, dat de verschillen tussen het evangelie aan de ene kant en de brieven aan de andere kant, minder groot zijn dan bv. die tussen het derde evangelie en het boek Handelingen, het aannemen van één en dezelfde auteur niet verbieden, maar zich heel goed laten verklaren door een verschillend oogmerk waarmee ze geschreven zijn.
In wat meer recente literatuur worden (het evangelie en) de brieven nogal eens gezet op naam van de ‘oudste Johannes’. Deze figuur is geconstrueerd vanuit een citaat van Papias, overgeleverd bij Eusebius. Daar wordt twee maal de naam Johannes genoemd, eenmaal onder degenen die in het verleden spraken en eenmaal als iemand die blijkbaar nog niet tot het verleden behoort en ook in Papias’ tijd nog spreekt. Niets verzet zich er echter tegen om beide keren aan dezelfde Johannes te denken, welke immers volgens de traditie een zeer hoge ouderdom heeft bereikt en alle andere apostelen heeft overleefd. Een tweede Johannes, ‘de oudste’, kan het beste naar het rijk der fabelen worden verwezen.
Veel spreekt ervoor te blijven denken aan Johannes, de zoon van Zebedeüs, als de schrijver van het vierde evangelie en van de drie brieven. Deze heeft tot op hoge leeftijd gewerkt in Klein-Azië, hetgeen weer overeenstemt met het feit dat de dwaalleer, die hij in zijn brieven bestrijdt, daar voorkwam, zij het niet alleen daar.
Aanleiding tot het schrijven van de brief
Was het doel van het vierde evangelie het brengen tót het geloof in Jezus als de Christus, de Zoon van God (Joh. 20:31), het doel van 1 Johannes is het bewären bij het geloof, zoals dat van meet af aan was verkondigd door Johannes en de andere ooggetuigen (vgl. 1:3). Blijkbaar werden de lezers bedreigd door dwaalleraars, die niet wilden blijven staan bij het evangelie zoals dat oorspronkelijk was verkondigd, maar die verder wilden gaan (vgl. ook 2 Joh. 9). Tegenover deze ‘progressieven’ valt alle nadruk op hetgeen verkondigd was ‘van den beginne’ (vgl. 1:1; 2:7, 24; 3:11; vgl. ook 2 Joh. 5, 6).
De sleutel tot het verstaan van leer en dwaalleer is te vinden in 1 Joh. 4:2. Blijkbaar konden en wilden de dwaalleraars niet geloven, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, dat de ‘hemelse Christus’ en de aardse Jezus één en dezelfde is, dat Gods Zoon waarachtig méns geworden is, dat het Woord vlees geworden is. Dikwijls denkt men daarbij aan de dwaalleer van Cerinthus (die in Klein-Azië werkte!). Deze leerde, dat de hemelse Christus Zich met de mens Jezus had verenigd bij de doop en vóór het lijden aan het kruis Hem weer had verlaten (vgl. daartegen: water én bloed in 1 Joh. 5:6, 7). Dat hing weer samen met de typisch ‘gnostische’ gedachte, welke de stof, de zinnelijke aardse concrete werkelijkheid zag als tegen-goddelijk. Vanuit deze minachting van het ‘vlees’ is de gedachte dat de Zoon van God gekomen is in het vlees uiteraard stuitend.
Toch verkondigt Johannes dat nu juist met kracht. In het concrete leven, lijden en sterven(!) van Jezus Christus in het vlees heeft God Zich eens en voorgoed geopenbaard in zijn liefde, tot onze redding (1 Joh. 4:9vv). Het leven in gemeenschap met Hem bestaat nu ook niet in een zich losmaken van en daarom ook onbelangrijk vinden van onze aardse werkelijkheid, maar het speelt zich juist daar middenin af. Grote nadruk wordt dan ook in heel de brief gelegd op het houden van de geboden en wel in het bijzonder op dat van de (broeder)liefde. Tegenover een individualistisch-mystiek opgevatte gemeenschap met God – waarbij de houding in de dagelijkse praktijk van het (gemeentelijke) leven werd gezien als volstrekt onbelangrijk – stelt Johannes de gemeenschapmet God die onlosmakelijk verbonden is aan de gemeenschap met elkaar, ‘…dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jézus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons geboden heeft. En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem.’ (1 Joh. 3:23, 24a) geeft de bedoeling van de brief goed weer.
Tijd en plaats
Met volstrekte zekerheid valt hier niets te zeggen. Zelfs de vraag of de brieven geschreven zijn vóór (de uitgave van) het vierde evangelie of er nä is moeilijk te beantwoorden. Meestal dateert men de brieven in het laatste decennium van de eerste eeuw (tussen 90 en 100). Veel is te zeggen voor Klein-Azië als plaats waar zij geschreven werden. Volgens de traditie heeft Johannes daar gewerkt. De bestreden dwaalleer is daar goed te localiseren en in die omgeving werd het eerst uit 1 Johannes geciteerd.
Inhoud van de brief
Proloog 1:1-4
Gemeenschap met God 1:5-2:6
Het nieuwe gebod 2:7-17
Christenen en antichristen 2:18-27
Kinderen van God 2:28-3:10
Hebt elkander lief 3:11-17
Vertrouwen 3:18-24
Beproeft de geesten 4:1-6
Ons liefhebben van elkaar vanuit Gods liefhebben van ons 4:7-13
Gods liefde in Jezus betuigd, beleden en geloofd 4:14-16
De liefde volmaakt geworden 4:17-21
De overwinning van het geloof 5:1-4
Het getuigenis aangaande Jezus als de Zoon 5:5-12
Het slot van de brief 5:13-21
VERKLARING
Proloog 1:1-4
De proloog geeft inhoud en doel van de brief aan. Polemiek met de tegenstanders klinkt er in mee. De hoofdzin staat in vs 3 hetgeen wij…verkondigen wij ook u.
1.Hetgeen: De schrijver verkondigt een boodschap, het evangelie, het Woord des levens. Tegelijk is van meet af aan duidelijk, dat het gaat om een Persoon, Jezus Christus, de Zoon des Vaders (vs 3). Hij, zijn woord en werk, werden gehoord, gezien en getast. Vandaar de vertaling: Woord des levens. Van den beginne herinnert aan Gen. 1:1 en Joh. 1:1. Een woord met een dubbele bodem. Johannes verkondigt wat altijd al in Gods plan bestond. Wat in Jezus verscheen was al van eeuwigheid her. En: zoals hij het nu (opnieuw) verkondigt, zo klonk het van de aanvang af, voordat de ‘vernieuwingen’ van de dwaalleraars het hadden aangetast.
Hetgeen wij gehoord hebben, enz.: Johannes kän met gezag spreken. Hij behoort tot de kring van de autorita-tieve getuigen van het eerste uur, de oog-, oor- en ‘tast’-getuigen (Luc. 24:39; Joh. 20:25, 27) rondom Jezus. In Hém is het leven in deze wereld verschenen, daar en toen. In Hem alleen is het te vinden, ook hier en nu. Johannes en de andere getuigen spreken het rechte woord in deze, eens en voorgoed en zij alleen.
Het gaat om het Woord des levens: het levende Woord, dat leven is en leven geeft, omdat Hij er de inhoud van is die leven geeft en is. Leven wordt bedoeld in de volle, goddelijke zin van dat Woord: eeuwig leven (vs 2), verschenen midden in de doodswerkelijkheid van deze wereld.
2.Dit vers – in z’n geheel een tussenzin – neemt de gedachte van vsJ_flp_en legt enkele accenten. Het knoopt aan bij het laatste woord van vs 1: leven. Het leven is geopenbaard, duidelijk aan het licht getreden, tóen Jezus verscheen. Het was te zien voor al zijn tijdgenoten. Het werd gelovig gezien door hen die nu (kunnen) getuigen in het grote rechtsgeding tussen God en de wereld en (het) verkondigen. Het eeuwige leven doelt vooral op de kwaliteit van dat leven: het is onaantastbaar en heerlijk. Het tijdsaspect speelt (hier) wel mee: het was bij de Vader, van eeuwigheid, (vgl. ‘bij God’ van het Woord, Joh. 1: 1), het wérd geopenbaard in Jezus Christus, het is nu al bezit van hen die geloven en het vindt zijn bekroning bij de wederkomst. Vader mogen christenen God noemen.
3.Nu het leven, dat bij God was, aan ons geopenbaard is, kunnen, moeten en willen Johannes en zijn mede-getuigen dat graag verkondigen, vertellen wat zij hebben meegemaakt aan hen die dat voorrecht niet ten deel viel maar die het toch moeten horen, opdat ook zij gemeenschap zouden hebben met hen. Het griekse ‘koinoonia’ betekent: met anderen samen deelhebben aan iets. Uiteraard gaat het om de gemeenschap ‘met de Vader en met zijn Zoon, Jezus Christus. Buiten God is er geen leven. Hij is alleen te kennen in en door Jezus Christus. Koinoonia geeft aan, dat de gemeenschap met God en Christus een gemeenschappelijke is. Individualisme is uit den boze. Het leven waaraan God ons deel geeft, kan alleen in een meedelende gemeenschap geleefd worden. Thema’s die door heel de brief heen blijven klinken.
4.Deze dingen: de inhoud van heel de brief. Opdat onze vreugde volkomen zij: Als de brief zijn doel bereikt is dat niet alleen tot heil van de lezers, maar ook tot vreugde van de schrijver. Die heeft hij al vanwege de gemeenschap met God. Volkomen wordt zij, indien en naarmate door zijn schrijven en verkondigen anderen samen met hem in die vreugdevol!? gemeenschap (blijven!) delen. De rabbijnen leerden, dat de volkomen vreugde eerst ‘straks’ zou komen, Johannes strekt zich er nü al naar uit. Daarom schrijft hij deze brief.
Gemeenschap met God 1:5-2:6
De dwaalleraars worden nu sprekend ingevoerd, hun woorden als nietszeggend aan de kaak gesteld. Het zijn verzen vol polemiek.
5.En dit is…u verkondigen: Geen zelfbedachte boodschap verkondigt Johannes. Slechts wat hij van Jezus Christus heeft gehoord én zoals hij het van Hem heeft gehoord, geeft hij het door. De inhoud is: God is licht enin Hem is in het geheel geen duisternis. Stellig konden de dwaalleraars het zo ook formuleren. Strekking en consequenties ervan waren echter totaal anders. Bij hen droeg de tegenstelling ‘licht-duisternis’ een kosmologisch karakter. Licht geeft de oneindige afstand aan tussen God en deze donkere wereld. Hij is er ook totaal niet in geïnteresseerd hoe christenen in deze wereld, binnen en buiten de gemeente, leven. Bij Johannes is de tegenstelling een ethische. Licht is een aanduiding van Gods zijn en handelen. Met liefde, gerechtigheid en goedheid heeft Hij alles te maken, met haat, ongerechtigheid, kwaad en zonde (duisternis) helemaal niets. Zo wil Hij het ook zien en realiseren in onze wandel hier op aarde.
6.Indien wij zeggen: Hiermee wordt in de vss 6, 8 en 10 gezinspeeld op bepaalde parolen van de dwaalleraars. Dat wij gemeenschap met Hem (di. met God) hebben: Stellig een geliefde term bij hen met hun zeer persoonlijke Godservaring en hun individueel Godsbezit. Maar hun concrete levenswandel is in flagrante strijd met wat zij zeggen. Wandelen ziet op een permanente leefwijze, in de duisternis op een niet gehoorzamen aan de geboden van God (zie vs 5). Wie zo tracht het onverenigbare toch met elkaar te verbinden liegt, zit er naast en brengt zichzelf en anderen op een dwaalspoor. Hij doet de waarheid niet: Voor ons een wat vreemde uitdrukking (vgl. Joh. 3: 20, 21). Niet alleen het hebben van de rechte theorie, maar ook het rechte spreken en het rechte doen zijn van het grootste belang. Het leven in gemeenschap met God (als gave én opgave) omvat alles.
7.Gods bedoeling met ons leven is dat wij in het licht wandelen, in gehoorzaamheid aan zijn geboden. Gezien het direct volgende is zeker (ook) aan de broederliefde te denken. Gelijk Hij in het licht is: De wandel van de gelovigen in het licht vloeit voort uit en heeft te beantwoorden aan het zijn van God in het licht. Gelijk is zowel redengevend als vergelijkend. Hebben wij gemeenschap met elkander: Wij zouden verwachten: met Gód. Alle accent blijkt nu te vallen op de gemeenschap met elkaar! Wat de dwaalleraars onbelangrijk vonden en verwaarloosden wordt hier tot toetssteen van de echtheid van de gemeenschap met God. Het een is met het ander onlosmakelijk verbonden. Niet dat de gelovigen nu al zondeloos wandelen in het licht. Dat beweren de dwaalleraars (vs 8), hoewel zij rustig in de duisternis wandelen. Johannes weet waarop de gelovigen voortdurend zijn aangewezen: Het bloed van Jezus, zijn ménselijke naam, maar ook het unieke van Hem wordt aangegeven, zijn (di. Gods) Zoon reinigt ons van alle zonde. Het bloed van Jezus is zijn dood in zijn heilsbetekenis: offer tot verzoening van de zonde. Omdat dit eens en voor altijd geldt en duurzaam werkt – reinigt – kunnen en mogen de gelovigen (blijven) leven in gemeenschap met God.
8.De dwaalleraars beweren, dat zij geen zonde hebben. Als verloste ‘geestelijke’ mensen kunnen zij niet meer door de onreine materie worden bevlekt. Zij zijn er onaantastbaar voor geworden. Dat is echter hoogmoedig zelfbedrog, een misleiden van zichzelf, langs Jezus heen, die is gestorven om voor zondaren verzoening te bewerken. De waarheid is in hen niet. Zij staan buiten alles wat God (betrouwbaar) sprak en (heilzaam) werkte.
9.Indien wij onze zonden belijden, er openlijk voor uitkomen, tegenover God (en – waar nodig – mensen), dan vinden mensen vol ongerechtigheid een God die vergeeft. Hij is immers getrouw en rechtvaardig. Die twee woorden vormen geen tegenstelling: wij kunnen op God aan in zijn belofte van vergeving. Niet omdat Hij onze zonden maar ‘goedmoedig’ laat voor wat zij zijn, maar omdat Hij vernietigend geoordeeld hééft, op Golgotha.
10. Wie tegenover die God blijft volhouden dat hij niet gezondigd heeft, spreekt zich uit tegen Hem. Hij maakt Hem tot een leugenaar. Feitelijk verklaart hij heel Gods werk in Christus tot verzoening der zonden voor van nul en gener waarde, onnodig, een misslag. Gods (evange-ié)woord, dat leven is en werkt, is niet in hem.
1, 2. Teder en met gezag (kinderkens) sluit Johannes een misverstand uit: opdat gij niet tot zonde komt. Het weten dat gelovigen zondaren blijven en dat God genadig vergeeft mag geen vrijbrief tot zonde worden. In de werkelijkheid van het zondaar blijven is er houvast: Jezus is bij de Vader onze voorspraak. Hij pleit (vgl. Rom. 8:34; Heb. 7:25). Als rechtvaardige die voor on-rechtvaardigen is gestorven, kan Hij voor de rechtvaardige God treden. Hij is blijvend de verzoening voor hun zonden. Door zijn offer heeft Hij de zonde, die de gemeenschap met God blokkeert, krachteloos gemaakt. Voldoende voor heel de wereld is zijn werk.
3, 4. God kennen, leven in gemeenschap met Hem, is voorrecht van iedere gelovige. Ik ken Hem, zeiden de dwaalleraars graag. Hun zgn. kennen van God kenmerkte zich echter door een zich losmaken van en een zich onverschillig opstellen tegenover het aardse leven hier en nu. Het échte kennen van God wordt (overeenkomstig de belofte van Jer. 31:31-34) gekenmerkt door het in acht nemen van Gods geboden in dit aardse leven. Anders ben je ernaast (zie voor leugenaar en waarheid op 1:8 en 6).
5, 6. Wie echter zijn woord, dat het nieuwe leven naar Gods geboden gebiedt én belooft, bewaart, in die is de liefde Gods volmaakt. Hier voor het eerst dit belangrijke woord. Gaat het om de liefde van God tot ons, betoond in Christus (vgl. 4:8vv) of om onze liefde tot God? Het eerste(!) blijft niet zonder het tweede, draagt daarin vrucht en komt erin tot zijn bestemming. Zo is in de werkelijkheid van het leven waarlijk te zien of en dat wij in Hem zijn. Zijn in Hem en blijven in Hem duiden weer de gemeenschap aan met Christus en met de Vader. Is daarvan echt sprake, dan is dat nooit zonder een wandel naar het voorbeeld en in de kracht van (zó…als) Jezus zelf. (vgl. daarvoor Joh. 13:14, 15; 1 Joh. 3:16).
Het nieuwe gebod 2:7-17
7-11. Wat eerder werd aangeduid wordt nu uiteengezet. Als geliefden() moeten zij liefhebben. Een oud gebod: Het klonk van meet af aan in de prediking van het Woord. Jezus noemde het ook een nieuw (Joh. 13:34), omdat Hij het een nieuwe fundering gaf: ‘gelijk Ik u heb liefgehad’. Het liefhebben (van de broeders) werd in Hem werkelijkheid (waarheid); het wordt nu in gemeenschap met Hem ook geboden en ontvangen werkelijkheid in de gelovigen. Zo is Gods nieuwe wereld, het waarachtige licht, begonnen en gaat de oude van haat en duisternis voorbij. Wie nu nog leeft zonder opmerkzame en zorgende liefde voor de broeders, kan wel zéggen in het licht te wandelen, zoals de dwaalleraars doen, maar zij behoren nog tot de oude wereld. Zo iemand is eenaanstoot, wekt bij anderen haat op, is zelf aan het verdwalen en is blind voor wat hij voor de broeders zou moeten zijn en doen.
12- zes zinnen, die beginnen met ‘(om)dat’, geeft de schrijver aan wat in tegenstelling tot de genoemde gevaren bij de lezers werkelijkheid is. Hun zonden zijn vergeven op grond van hun toebehoren aan Jezus, om zijns naams wil (vgl. 1:5-2:2). Zij kennen God werkelijk (vgl. 2:3-6). Zij hebben de boze overwonnen, door in liefde tot de broeders te leven (vgl. 2:7-11). In hen blijft het woord vol belofte en stuwende kracht, de kracht van Hem die de boze overwon (vgl. 3:8). Kinderkens, vaders en jongelingen ziet niet op onderscheiden groepen, maar is variatie om stilistische redenen.
15-17. Men blijve dan wel op zijn hoede voor het gevaar om zijn hart te verliezen en zich te conformeren aan de wereld, (voorzover) die wordt beheerst door het oude levenspatroon. Typerend daarvoor is een hovaardig leven: Heel wat willen lijken of denken te zijn, doordat men begerig naar zich toehaalt wat de ogen begerig zien. In zo’n leven is de liefde van en tot de Vader (zie op vs 4) niet. Het gaat ook voorbij, zoals heel de duisternis (vgl. vs 8). Wie echter de wil van God doet (zie vss 3-5,10), het nieuwe leven uit en met God al leeft, blijft tot in eeuwigheid.
Christenen en antichristen 2:18-27
18, 19. De laatste ure, de tijd vlak voor Christus’ komst (2:28) en het voorbijgaan van de wereld (2:17) zou een heel moeilijke zijn. Dan zou Christus’ grote tegenspeler, de antichrist, zich openbaren (vgl. 2 Tess. 2:1-11). Deze beslissende ure is echter al aangebroken blijkens het optreden van de met zijn geest vervulde dwaalleraars. Johannes brandmerkt hen als antichristen. Wellicht zagen zij zichzelf als moderne, bij de tijdse christenen. Echt christen zijn zij echter nooit geweest.
20, 21. De lezers horen echt bij Christus. Zij hebben een zalving (Gr. chrisma!) van de Heilige, di. van Christus. Bedoeld is de Heilige Geest die, naar de belofte van Christus (Joh. 14:26) door en in de overgeleverde leer (zie vs 24) hun alles geleerd heeft en leert. Niet maar een zich geestelijk achtende ‘elite-club’, maarallen kennen daarom de waarheid. Ook Johannes schrijft niets nieuws. Juist het hen bewaren bij de ‘oude’ waarheid en tegen de leugen beweegt hem.
22, 23. De grote leugen is het openlijk ontkennen dat Jezus de Christus is. De dwaalleraars loochenen, dat de door God gezonden Christus, de Zoon van God, werkelijk méns geworden is in Jezus van Nazareth. Zij verwerpen, dat Jezus en Christus één en dezelfde zijn, dat God Zich zou (kunnen en willen) afgeven met het vlees (vgl. 4: 2). Wie echter hier loochent raakt alles kwijt. Wat hij verder ook moge beweren aangaande de Vader en de Zoon komt in de lucht te hangen. De verlossing wordt een schijnverlossing. Wie hier gelovig belijdt heeft gemeenschap met God.
24-27. Het komt er dan wel op aan zich te houden aan de oorspronkelijke prediking aangaande Christus. Slechts dan blijft de band met God en ontvangen zij wat beloofd was: het eeuwige leven (zie op 1:2). Troostvol is het, dat zij temidden van het geweld van hen die proberen hen te misleiden een belofte ontvangen: De Geest (zalving) blijft hen betrouwbaar leiden en leren. Het gebod van vs 24 en 27b is op deze belofte gegrond.
Kinderen van God 2:28-3:10
28, 29. Blijven in Christus door gelovig vast te houden aan Hem, zoals Hij steeds verkondigd werd, is beslist noodzakelijk. Alleen zó zullen zij, bij zijn glorieuze komst als Rechter, niet beschaamd staan, maar vrijmoedigheid hebben. In het gericht (vgl. 4:17) hebben zij dan niets te vrezen en niets te verbergen. Elk funderen van deze vrijmoedigheid op eigen presteren is uitgesloten. Zij is juist gegeven met het ‘nieuwe zijn’ dat de gelovigen hebben ontvangen, door Johannes (én de dwaalleraars) genoemd: uit God geboren zijn. Dat uit God geboren zijn zal echter (moeten) blijken uit het doen van de rechtvaardigheid, nl. het nalaten van de zonde (vgl. 3: 4vv) en het betrachten van de broederliefde (vgl. 3: 10vv).
1-3. De vele gelovigen zijn kinderen van God, in onderscheiding van de ene Zoon, Jezus Christus. De grond van dit kindschap ligt in Gods (onbegrijpelijke, vgl.welk een) liefde. Omdat zij God in Christus niet heeft erkend, wordt deze heerlijke werkelijkheid door de Gode vijandige wereld miskend. Onuitsprekelijk heerlijk is de toekomst die deze kinderen van God wacht: Zij zullen Hem gelijk zijn, delen in Christus’ heerlijkheid, en zij zullen de Zoon zien, zoals Hij is, in al zijn heerlijkheid en heiligheid (vgl. Joh. 17:22, 24). Gespannen heenleven naar de dag waarop dit zijn en dit zien wordt ontvangen, heeft zijn consequenties voor het leven van elke dag: de gelovige reinigt zich, gelijk Hij rein is , (voor gelijk, zie op 1:7).
4.Kinderen van God hebben niet alleen een heerlijke toekomst, zij zijn ook kenbaar in hun doen in het heden. Daarin zat het bij de dwaalleraars grondig mis. Liefdeloos als zij zich gedroegen, zondigden zij rustig voort. De ernst daarvan bagatelliseerden zij. Het gewone leven was voor hen als ‘verlichte’ geestelijke mensen met een bijzondere Godskennis van weinig belang. Johannes typeert echter hun rustig doorzondigen als wetteloosheid. Een geladen woord. Het tekent hen als behorend tot de oude wereld van vijandschap tegen God en zijn gebod, welke zich vlak voor het einde (vgl. 2:18, 19) nog eenmaal krachtig zou doen gelden (vgl. 2 Tess. 2:3, 8).
5, 6. Wie werkelijk – zoals de dwaalleraars dat van zichzelf beweerden – Christus heeft gezien en gekend kan niet rustig blijven doorzondigen. Christus’ komen in de wereld was er immers op gericht de zonden weg te nemen (vgl. Joh. 1:29). In Hem was geen zonde. Op Golgotha droeg Hij de schuld en de straf en verloste Hij de zijnen ook van de macht van de zonde. Blijven in Hem én rustig blijven zondigen is niet mogelijk. Wie niet in Christus’ kracht strijdt tegen de zonde, strijdt tegen Christus.
7-10. Opnieuw waarschuwt de apostel de lezers voor het acute gevaar van misleiding. Daarom zegt hij het voorgaande nog eens met andere woorden en nu positief. Niet het hoog opgeven van rechte kennis is doorslaggevend voor het behoren bij Christus, op het doen van de rechtvaardigheid, met name het betrachten van de broederliefde (vgl. 3:10) komt het aan. Christus is maatstaf en krachtbron van zulk een leven (gelijk, vgl. op 1:7 Hij rechtvaardig is). Wie toch maar doorzondigt, behoort nog bij hem die sedert het begin der wereld nooit anders deed en doet: de duivel. Aan Gods heilshandelen in Christus heeft hij part noch deel. De Zoon van Godkwam immers om de werken van de duivel te verbreken. In het leven van Gods kinderen wordt het nieuwe bestaan, dat Christus aan het licht heeft gebracht, door de Geest nu ook gerealiseerd: Gods zaad blijft in hen. Heel sterk zegt de apostel: Hij kan niet zondigen.
Daarbij is het beslist niet zijn bedoeling (de mogelijkheid van) een leven zonder zonde hier en nu te leren (perfectionisme). In hst. 1:5-10 ontkent hij dat zelfs met zoveel woorden. Moet hij daar echter tegenover een hoogmoedig ontkennen zondig te zijn de blijvende betekenis van Christus’ verzoenend sterven voor ons handhaven, hier benadrukt hij, tegenover een even hoogmoedig bagatelliseren van de zonde, dat het onmogelijk is, dat Christus’ Paasoverwinning in ons leven zonder effect zou (kunnen) blijven. Het ‘nog niet’ gekomen zijn van de voleinding (vgl. 3:2) mag het ‘al reeds’ van het gegeven heil (vgl. 3:5, 8b) niet doen vergeten. Daarom zijn kinderen van God en kinderen van de duivel duidelijk (te) onderscheiden, ook al zijn eerstgenoemden nog niet zonder zonde.
Hebt elkander lief 3:11-17
11. Dat wij elkander zouden liefhebben, hoorden de lezers als boodschap. Van den beginne voegt Johannes er in diepzinnige dubbelzinnigheid aan toe, dwz. van het begin van de christelijke verkondiging af werd dit hun voorgehouden. Maar óók (vgl. vs 8 en Kaïn in vs 12): zo lang er mensen zijn heeft God nooit anders gewild. Johannes noemt het gebod van de onderlinge liefde inhoud van de verkondiging. Nimmer behoeft (en mag) het gehoord en gedaan worden los van het geloof in de heilsbelofte van God. Alleen zo opent zich ook de mogelijkheid ertoe.
12, 13. Kaïn (Gen. 4) is voorbeeld van het tegenovergestelde. Zelf behorend tot het kamp van de boze (vgl. 3: 8), slachtte hij zijn rechtvaardige (vgl. vss 7, 10) broeder af. Waarom? Een leven in rechtvaardigheid is een aanklacht tegen een leven vol boze werken. Kaïns doodslag werd ahw. door Abels rechtvaardig leven geprovoceerd. Op dezelfde wijze roept het leven vol liefde in de gemeente haat op bij de wereld die zich daarvoor toesluit. Christenen moeten dan ook voortdurend bedacht zijn op de haat-reactie van de kant van de wereld (vgl. Joh. 15:1719).
14, 15. Door te geloven in de Zoon en gehoorzaam te worden aan zijn woord zijn de lezers ‘verhuisd’ uit de sfeer van de dood in die van het leven (vgl. Joh. 5:24). Dat nieuwe leven uit God wordt beslissend gekenmerkt door het liefhebben van de broeders. Waar dit liefhebben ontbreekt bevindt men zich nog in de sfeer van de dood. Niet liefhebben is haten en haten is in feite moord. Haat wenst de ander het liefste dood. Het echte leven in gemeenschap wordt erdoor vergiftigd. Zo’n men-senmoorder verdient niet te blijven leven (vgl. Gen. 9:6). Zijn leven is ook het echte leven niet. Eeuwig leven en haten sluiten elkaar wederzijds uit.
16, 17. Wat liefde is heeft Jezus laten zien door zijn leven af te leggen (vgl. Joh. 10:11, 18; 13:37vv) ten behoeve van zijn broeders, tot hun behoud. Zijn zelfovergave tot in de dood is voorbeeld én krachtbron voor ons liefhebben van de broeders. In een grenssituatie kan dat zelfs inhouden het geven van eigen leven. Midden in het leven betekent het bv. heel praktisch voor de broeder in gebrekkige omstandigheden zijn binnenste niet toesluiten, maar medelijden met hem hebben en barmhartigheid betonen. Negatief wordt hier weer de houding van de dwaalleraars getekend. Zij worden in deze woorden aangeduid en ontmaskerd. Immers, hoe zou in iemand die zo handelt de liefde Gods, de door Hem in Christus getoonde en in de zijnen werkende liefde, ooit kunnen (blijven) wonen?!
Vertrouwen 3:18-24
18-20. Na het voorafgaande is een extra vermaning om lief te hebben wel op zijn plaats. De schrijver heeft daarbij geen goedkope ‘liefdevolle’ woorden op het oog, maar een liefhebben in concrete daden. In waarheid legt de verbinding met het uit de waarheid zijn van vs 19. Daarmee wordt bedoeld het door God geschonken nieuwe leven en de daaruit voortvloeiende leefwijze, waarvoor de liefde kenmerkend is. Aan het metterdaad liefhebben wordt het al dan niet uit de waarheid zijn onderkend. Echter, gelovigen zijn (ook) in dit liefhebben (nog) geen volmaakte mensen. Hun hart beschuldigt hen in deze. Juist hün hart. Zij hebben immers de liefde leren kennen uit en in Gods gave in Christus! Slechts op één manier is hun hart – Johannes gebruikt geen apart woord voor geweten – te overtuigen, tot rust te brengen ten overstaan van God: door te zien op God die meerder is dan ons hart en kennis heeft van alle dingen. Dat betekent zeker niet, dat God ook al het goede van ons leven kent en dat mede in zijn oordeel betrekt. Alsof het daar beter van zou worden! Wij zullen deze woorden mogen lezen in het licht van het ‘Gij weet alle dingen’ van Joh. 21:17 en van bv. 2 Tim. 2:11-13 en Ps. 103:8-13. Gods grootheid is zijn vergeving die niet ophoudt. Daarop ziende komt het geweten tot rust.
21, 22. Waar ons hart ons zo niet meer hoeft te veroordelen, ontvangen wij vrijmoedigheid tegenover God. Anders dan om 2:28, waar het woord wordt betrokken op het oordeel straks, gaat het hier om: de vertrouwensvolle verhouding tot God in het heden, zoals die met name geoefend wordt in het gebed waarin vrijmoedig alles aan Hem wordt gevraagd wat wij nodig hebben. Dat wordt ook van Hem ontvangen. Zulk een leven heeft ook een bepaalde kleur: een doen wat God behaagt en een bewaren van zijn geboden. En dat zal ook de gebeden weer kleuren (vgl. Joh. 15:7, 8).
23, 24. Dit gedeelte van de brief tot een afsluiting brengend, vat Johannes nog eenmaal samen het éne dat God van ons vraagt: Geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus. De ‘naam’ is niets anders dan de persoon. Heel kenmerkend wordt tegenover de dwaalleraars de dubbele naam gebruikt: Jezus Christus. De Christus in Wie God Zich heeft doen kennen is Jezus, de in het vlees gekome-ne (vgl. 4:2). Het geloof dat God bedoelt is daarom altijd geloof in deze naam, waarin God zijn liefde gedefinieerd heeft. Vandaar dat in één adem met dit geloven genoemd wordt het liefhebben van elkaar. Het tweede vloeit uit het eerste voort, waarbij de orde die Johannes noemt -geloof en liefde – niet omkeerbaar is. Maar het eerste laat zich ook weer niet zonder het tweede denken. Kenmerkend voor de waarachtige gelovigen is de beleving van de eenheid van het rechte geloof en de rechte liefde.
De overgang naar het volgende gedeelte wordt gemaakt, wanneer de apostel (voor het eerst) de Geest noemt als het teken, dat God in ons blijft. Ongetwijfeld doelt hij daarbij niet op spectaculaire ‘geestesuitingen’, maar op het vasthouden aan het geloof in Jezus Christus, het houden van de geboden, het betrachten van de broederliefde, hetgeen alles werk is dat God door zijn Geest in ons werkt.
Beproeft de geesten 4:1-6
1-3. Blijkbaar traden de tegenstanders op met de pretentie, dat zij de Geest hadden en door de Geest hun boodschap brachten. De lezers moeten derhalve de geesten beproeven of zij uit God zijn dan wel of zij met valse profeten te maken hebben. Echt uit Gods Geest is de geest die Jezus Christus belijdt als in het vlees gekomen of kortweg die Jezus belijdt. Die belijdenis is het criterium of een geest al dan niet uit God is. De ‘menselijke’ naam Jezus en het woordje ‘vlees’ vormen de kern en tevens de tegen de dwaalleraars gerichte spits van de belijdenis. Hier ligt de controverse met hen. Theorieën over een hemelse Christus en Zoon van God hingen zij wel aan, maar dat deze Christus en de concrete mens Jezus één en>’ dezelfde zijn en dat in Hem en in het offer van zijn leven het heil ligt, ontkenden zij. De werkelijke mens Jezus (vgl. Joh. 1:14) betekende voor hen niets. Deze controverse acht de apostel zo fundamenteel, dat hij in de boodschap van de tegenstanders de geest van de antichrist zich ziet openbaren. De tegen het einde (vgl. 2:18) verwachte laatste strijd woedt reeds.
4-6. De lezers (vgl.Gij met nadruk voorop) staan aan de goede kant. Zij zijn wel in de minderheid (vgl. het ‘vele’ in vs 1) en dus in gevaar, toch is de overwinning aan hen, omdat Hij, die in hen is, di. God, meerder is dan die in de wereld is, nl. de boze. Uit Góds overwinningskracht leven zij. Het is duidelijk dat de tegenstanders gehoor zullen vinden in de wereld, die zich voor Gods handelen in Jezus Christus toesluit: zij maken er zelf deel van uit en spreken haar naar de mond (vgl. Joh. 8:47). In die kring hoort men niet naar ons, de oorspronkelijke getuigen van het evangelie (vgl. 1:1-4). Dan moge men, zoals de dwaalleraars stellig doen, nog zo beweren uit God te zijn en Hem te kennen, zulk beweren is loos. De Geest der waarheid, door Christus beloofd om tot de volle waarheid te leiden (vgl. Joh. 14:17; 15:26; 16:13), bindt aan de oorspronkelijke verkondiging, zoals beleden in vs 2. De geest die daarvan afleidt is een dwaal-geest.
Ons liefhebben van elkaar vanuit Gods liefhebben van ons 4:7-13
7-9. Het tweede aspect van het ene gebod (vgl. 3:23) opnemend, zegt de schrijver: Laten wij elkander liefhebben. Daarmee doet hij geen appèl op een vermogen tot liefhebben in óns. De liefde heeft haar grond en oorsprong in God. Wie geboren is uit Hem die liefde is, leeft uit die liefde. Hij alleen zal en kan ook in liefde tot de ander leven. Het uit God geboren zijn is daaraan te herkennen en wie niet liefheeft is nog nooit aan het kennen van God toegekomen. Gods liefde is onder ons aan de dag getreden in de zending van zijn eniggeboren Zoon. ‘Eniggeboren’ onderstreept de unieke relatie tussen de Zoon en de Vader en geeft aan hoe groot Gods liefde is:Hij gaf alles wat Hij had. Opdat wij zouden leven.
10-13. Wezen en oorsprong van het echte liefhebben liggen niet in ons liefhebben van God. Het initiatief is van Hém uitgegaan. In de zending van zijn Zoon heeft Hij de liefde getoond. Onze liefde (tot Hem en) tot elkaar wordt door Gods liefde geïnspireerd en mogelijk gemaakt. De obstakels van onze kant tot het leven in gemeenschap met God neemt Hij zelf weg, doordat Christus verzoening voor onze zonden heeft bereid aan het kruis. Omdat (!) God de gelovigen zó heeft liefgehad, behoren zij nu ook elkaar lief te hebben. Dit gebod is nu niet zwaar meer, omdat Gods opgave in deze deel uitmaakt van zijn gave. Evenals in 1:7 valt op dat ‘elkaar liefhebben’ inhoud van het gebod wordt genoemd en niet ‘God liefhebben’. Dat heeft alles te maken met de polemiek tegen de dwaalleraars die beweerden dat zij God konden aanschouwen en (zo) gemeenschap met Hem konden hebben, buiten de liefde tot de broeders om. Daartegenover stelt Johanntes dat, waar de liefde van God ons brengt tot de liefde tot elkaar, de liefde van God in ons volmaakt is geworden, di. tot haar doel komt. Een gemeente waar de onderlinge liefde heerst is doel van de liefde van God. Daar is blijvende gemeenschap met Hem, gewerkt door de Geest.
Gods liefde in Jezus betuigd, beleden en geloofd 4:14-16
‘Niemand heeft ooit God aanschouwd’ (vs 12). Wel hebben de oorspronkelijke ooggetuigen (‘wij’ in vs 14 met nadruk vooraan; vgl. ook 1:1-4) Jézus gezien en Gods handelen in Hem. Gelovig hebben zij gezien (aanschouwd): Hij is de Zoon die de Vader gezonden heeft als Redder der wereld (vgl. Joh. 4:42). Immers, opdat wij zouden leven (vs 9) en verzoening zouden ontvangen (vs 10) zond de Vader Hem. Daarvan getuigen Johannes en de anderen ook, wereld-wijd! Alwie, en ook alléén wie, die concrete mens Jezus als de Zoon van God belijdt, leeft in nauwe en duurzame verbondenheid met God. Deze belijdenis is voorwaarde en teken van die verbondenheid. Datzelfde wordt echter ook gezegd van wie blijft in de liefde (vs 16b). Verwonderlijk is dat niet. Immers: God is liefde. Zijn liefde jegens ons heeft Hij geopenbaard in het zoenoffer van Jezus, zijn Zoon. Wie die liefde heeft onderkend en in de God-van-die-liefde heeft geloofd, kan en wil niet anders dan ook zelf de broeders – hen niet alléén, wèl hen allereerst – liefhebben. Met een liefde die dan ook van concrete offers weet. Het gelovig vasthouden aan de rechte belijdenis en de praktijk van het leven in de broederliefde verhouden zich tot elkaar als onmisbare bron en onopgeefbaar doel.
De liefde volmaakt geworden 4:17-21
17, 18. Leven uit en in de liefde Gods heeft ook als doel en vrucht, dat wij nü al vrijmoedigheid hebben voor de dag des oordeels (vgl. op 2:28). Wij hebben in het gericht niets te vrezen. Men houde hierbij wel in het oog, dat de grond van dit vertrouwen niet ligt in een (volmaakte) liefdes-prestatie van onze kant – heel het verband spreekt dät tegen, zie in het bijzonder vs 19 – maar juist in Gods liefde, ons in Christus betoond (vgl. vss 9,10 en ook Joh. 3:17-21). Naarmate wij uit die liefde, waardoor ons verzoening werd bereid (vs 10) gelovig leven, groeit de vrijmoedigheid. Die liefde van God zet zich in ons leven echter ook door, zó dat wij in deze wereld vol haat ook leven in (de) liefde. Wij worden naar Christus’ beeld vernieuwd: gelijk Hij is (vgl. Joh. 13:13-15). ‘Gelijk’ geeft daarbij weer aan, dat Hij niet slechts voorbeeld is maar ook krachtbron voor dat leven in liefde. Aan enig presteren van onszelf uit wordt niet eens gedacht. Wie nog vreest voor de straf op de oordeelsdag leeft nog niet uit en in de liefdesbeweging die van God naar ons uitging. Zou de Rechter hen veroordelen die Hij eerst maakte tot voorwerp van zijn reddende liefde! (vgl. ook Rom. 8: 15).
19-21. Wij hebben lief. ‘Wij’ staat met nadruk vooraan. Van de lezers geldt dat zij leven uit en in de liefde. Dat komt alles bij God vandaan, die hen eerst heeft liefgehad. In schril kontrast daarmee staat het spreken en handelen van de dwaalleraars. Met een ‘indien iemand zegt’ treden zij weer voor het voetlicht (vgl. 1:6, 8, 10 en 2:4, 6, 9). Stellig beweren zij, dat zij staan in een rechtstreekse verhouding van liefhebben tot God. Johannes ontkent dat even stellig. Wie niet dicht bij huis metterdaad, in de broederkring, hen die hij dagelijks voor ogen heeft, liefheeft, zit er met zijn bewering dat hij God liefheeft helemaal naast. Zo’n leugenaar bedriegt ook zichzelf. Van liefde tot God kan geen sprake zijn, wanneer men de mens die naar zijn beeld geschapen is, liefdeloos negeert. Gods gebod leert wel anders, zie vs 21. Wanneer hier, anders dan in de synoptische evangeliën, bij het dubbelgebod niet de naaste in het algemeen, maar de broeder wordt genoemd, is dat geen beperking van het gebod, maar een concentfatie daarvan op de verhoudingen binnen de gemeente. Toegespitst op (wan)toestanden in die gemeente. Het ‘ook’ in het laatste vers sluit eveneens het misverstand uit, als zou de liefde tot God zich uitsluitend op de broeders richten en niet ook op God zelf.
De overwinning van het geloof 5:1-4
De apostel gaat afronden en toespitsen. Herhaling en voortgang kenmerken de volgende verzen. Polemiek met de dwaalleraars klinkt voortdurend mee, meteen al bij het begin. Een ieder die – en ook: alléén wie! – gelooft in die concrete Jézus als de Christus en in zijn heilswerk, is uit God geboren. Zulk een kind van God heeft niet alleen de Vader lief, aan wie hij het (nieuwe) leven dankt, maar ook zijn mede-kinderen. Van waarachtige broederliefde is bij de tegenstanders geen sprake. Die wordt immers gekenmerkt door zulk een liefhebben van God dat (mede) zichtbaar wordt in de gehoorzaamheid aan zijn geboden. Voor het doen van Gods geboden in de concrete aardse werkelijkheid hadden de dwaalleraars geen enkele belangstelling. Het liefhebben van de broeders, hét houden van de geboden, werd door hen verwaarloosd of beperkte zich tot de exclusieve groep van verlichte geesten. Met een leven, waarin de liefde Gods doorwerkte, had hun handelwijze dan ook niets te maken.
In de gemeente is dat anders. Daar is gehoorzaamheid aan Gods geboden, die niet zwaar zijn. Wel stelt God in zijn geboden zware eisen, toch is het nakomen ervan geen loodzware last. Immers, wie uit God geboren werd, ontving van Hem nieuw leven, waarin zich de eenmaal door Christus behaalde overwinning (vgl. Joh. 16:33; Rom. 8:37) doet gelden. In de strijd tegen de wereld, waar meer-willen-hebben en meer-willen-zijn-dan-anderen, en waar haat en onbroederlijkheid hoogtij vieren, geeft ons geloof ons deel aan de overwinning die Jezus Christus eens behaald heeft.
Het getuigenis aangaande Jezus als Zoon 5:5-12
5, 6a. Tegenover de dwaalleraars stelt Johannes heel nadrukkelijk, dat alleen zij het geloof hebben dat de wereld overwint, die geloven dat Jezus, die concrete mens, de Zoon van God is. Van Hem wordt nu nader gezegd, dat Hij gekomen is door water en bloed. Met name het bloed ontvangt accent. Te denken is aan Jezus’ doop in de Jordaan (water), waar Hij Zich solidair betoonde met ons in onze schuld, én aan zijn gewelddadige kruisdood (bloed), waardoor Hij de gelovigen verloste vén hun schuld (vgl. 1:7; 2:2). Dachten de tegenstanders aan een tijdelijke verbinding van de hemelse Christus, de Zoon van God en de mens Jezus, vanaf zijn doop tot vóór zijn dood, Johannes benadrukt dat de éne Jezus Christus juist door Zich te geven tot in de dood, verzoening, leven en heil heeft aangebracht.
5:6b-8. Zij die in hun ‘geestelijke hoogstand’ het menszijn van Christus en zijn dood voor ons ontkennen, moeten wel weten dat de Geest juist van deze gebeurtenissen getuigt. Toen en nu doet Hij die in hun ware (heils)bete-kenis verstaan. Dat Hij de waarheid is (vgl. Joh. 14:7, 15:26, 16:13) geeft niet alleen aan, dat Hij als Geest van God niet liegt, maar ook dat Hij alleen zicht geeft op en licht geeft over de vraag waar God in deze wereld waarlijk (ge)werkt (heeft), nl. in Jezus’ heilswerken. Drie getuigen zijn volgens Deut. 19:15 voldoende om een zaak vast te doen staan. Het geloof verlaat zich (dus) op een hecht fundament: Het sprekende gebeuren van ‘water en bloed’, in het oorspronkelijk getuigenis van de eerste getuigen (vgl. 1:1-4) gepredikt, welk getuigenis door de Geest wordt gedragen en tot zijn doel gebracht, nl. tot in het hart.
[Vs 7b, 8a is een latere toevoeging, die in de oudste griekse handschriften van het Nieuwe Testament nog niet voorkomt en ook het verband min of meer breekt.]
9, het bovengenoemde getuigenis is het God Zelf die getuigt. Dan kun je maar één ding doen: Het aannemen. Zo treden wij het getuigenis van mensen al tegemoet; hoeveel te meer dat van de betrouwbare God! En zeker, als Hij getuigenis geeft van zijn Zoon. Wie anders dan God zelf is in deze volkomen te vertrouwen? Hier voltrekt zich een (de!) scheiding. Wie gelooft in de Zoon van God – Jezus – leeft uit datgene waarvan God getuigt, en hij alléén. Wie God niet gelooft – dat geldt voor degene die Gods getuigenis aangaande Jezus Christus niet gelovig aanvaardt – maakt daarmee God tot Iemand die zomaar wat heeft gezegd, een leugenaar (vgl. 1:10).
11, 12. Duidelijk zal moeten zijn wat hier op het spel staat. Gods getuigenis heeft immers betrekking op het wonder dat Hij eeuwig leven gaf en geeft in en door Jezus, de Zoon en door Hem alléén. Hier moet gekozen worden. Vs 12 doet duidelijk denken aan Joh. 3:36. De spits is wat anders. Johannes schreef inmiddels (bijna) een hele brief over wie die Zoon is: Jezus, gekomen door water en bloed. Wie Hém niet heeft, heeft het leven niet!
Het slot van de brief 5:13-21
13. Mede omdat dit vers zo sterk doet denken aan Joh.20:31, het zgn. eerste slot van het evangelie, zien velen dit vers als het slot van de brief en beschouwen zij het vervolg als een aanhangsel. Toch laat het zich ook heel goed lezen als samenvatting van al het voorafgaande en tevens als overgang naar het volgende. Heel de brief is geschreven, opdat de gelovigen zouden weten dat zij eeuwig leven hebben. Op dat vaste en blijvende weten komt het temidden van alle gevaar en bedreiging aan. Het vervolg is van dat weten dan ook vol (zie vss 15,18,19, 20). Dit weten nu is het deel van hen die geloven in de naam van de Zoon van God, dwz. in de Zoon van God zoals Hij Zich geopenbaard heeft, hetgeen in deze brief steeds weer betekent: in Jezus als de in het vlees gekomene.
14, 15. Door dat geloof hebben zij vrijmoedigheid tegenover God, dwz. een uit genade geschonken recht om vrijuit in het gebed tot God te spreken. Dat mogen zij doen in de zekerheid, dat God verhoort, indien zij bidden naar zijn wil. Stellig is hierbij te denken aan een bidden vanuit de bereidheid om Gods wil te doen (vgl. 3:23), welke wil Hij ons heeft bekend gemaakt in Jezus’ woorden en daden (vgl. Joh. 15:7). Daar (bij het begin van vs 15 beter dan ‘Indien’) zij van die verhoring zeker weten mogen, hebben zij het afgebedene als het ware al verkregen, wanneer zij zo bidden (vgl. Mar. 11:24 par.). Zo zeker mogen zij zijn van Hem die verhoort.
16, 17. Uiteraard zal ook voor de zondigende broeder worden gebeden. Wie dat doet wordt instrument in de hand van God, door wie de zondaar behouden blijft bij het leven in volle zin: in de eeuwige gemeenschap met God. Moeilijk te verstaan is wat Johannes bedoelt met zonde, resp. zondigen tot de dood, dwz. die voert tot het eeuwig van God gescheiden zijn. Aangezien de apostel een en ander zelf niet duidelijk omschrijft, is voorzichtigheid geboden bij het trekken van welke conclusie dan ook. Vaak denkt men aan de zonde tegen de Heilige Geest (Mar. 3:29 par.) en de zonde waarop geen bekering kan volgen (Heb. 6:4-8). Over dat laatste zegt Johannes niets. Verder is het nauwelijks aan te nemen dat hij de ene zonde ziet als zwaarder dan de andere. Immers: dlle ongerechtigheid is zonde (zie ook 1:7b!). Het ligt mi. het meest voor de hand niet te denken aan verschillende soorten zonde(n), maar aan soorten zondaren. Wie bewust blijft (dóór)zondigen – door zich te verzetten tegen het geloof in Jezus als de Christus en tegen het betonen van broederliefde – nadert een uiterste grens, een ‘deadline’. Wanneer die grens precies bereikt wordt geeft de apostel niet aan. Wellicht kan een mens dat ook niet. Zie ook het voorzichtig geformuleerde ‘daarvoor zeg ik niet, dat hij moet vragen’. Zulk een voorbede wordt niet geboden, zij wordt echter evenmin verboden. Intussen zij elke lezer wel gewaarschuwd: Er is een uiterste grens!
18. Na deze ernstige waarschuwing klinken in een drievoudig ‘wij weten’ beloften door, waardoor de gelovigen zich mogen laten bemoedigen. Wie uit God geboren is gaat niet op die donkere weg ten dode (vss 16, 17), immers hij zondigt niet. Daarmee wordt niet beweerd, dat de gelovige geen zonde meer doet (zie 1:8; vooral ook 3:9 en het daar opgemerkte), wél echter dat in hun leven Christus’ overwinning op de zonde zich doorzet en zichtbaar wordt. Daarbij leveren niet de gelovigen de (een) prestatie, maar wórden zij bewaard door Christus (Hij die uit God geboren werd). Hij zorgt ervoor, dat de boze niet slaagt in zijn opzet wanneer hij hun leven bedreigt en in verzoeking brengt.
19, 20. De Gode vijandige wereld is helemaal in (de machtssfeer van) de() boze. Daar kan hij doen wat hij wil. De gelovigen zijn uit zijn macht bevrijd en leven nu in gemeenschap met God. Van hén geldt die andere, heerlijke werkelijkheid: Sinds en door het komen van de Zoon van God in de wereld mogen zij de Waarachtige (God) kennen (vgl. Jes. 65:16; 1 Tess. 1:9 e.a.), Hem die volkomen te vertrouwen is. Het vervolg geeft aan, dat deze gemeenschap met de Waarachtige alléén mogelijk is in en door zijn mensgeworden Zoon, Jezus Christus. Heel de inhoud van de brief tot-nu-toe klinkt door. Zij komt ook tot een climax: Dit is… (juister: Deze is). Strikt genomen is niet uit te maken of hier God wordt bedoeld of de Zoon (vgl. Joh. 20:28, het zgn. eerste slot van het evangelie). Het komt mij voor dat hier ook niet gekozen mag worden. Van de Vader én van de Zoon is te zeggen: Hij is en heeft en geeft eeuwig leven. Oorsprong van het leven is wel de Vader, maar de bron waaruit men putten kan is Christus. Hém te kennen is leven (Joh. 17: 3).
21. Wie (als ik) vss 13-21 niet als een aanhangsel aan maar als behorend bij de brief beschouwt, zal geneigd zijn bij afgoden te denken aan alles en allen die de gelovigen van God af zouden kunnen (proberen te) trekken. Dat het zou gaan om de valse godsvoorstellingen van de dwaalleraars laat zich niet bewijzen. Na en op grond van het krachtige en steun biedende ‘wij weten’ en ‘wij zijn’ van de voorafgaande verzen, waarin heel de heerlijkheid en de vastheid van het in Jezus Christus gekomen en ontvangen heil nog eens is samengevat, is er nu ook de ruimte om nog één maal te vermanen: Zoek het leven dan ook niet en nooit bij wie-of-wat-dan-ook buiten Hem!