Menu

Premium

10. Het bezit van de aarde en het land Kanaan

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

In dit artikel komt het wonen van de mens op aarde aan de orde. God heeft hem plaatsen gegeven om te leven en die worden in het Oude Testament op allerlei wijzen beschreven en gewaardeerd. Als speciale plaatsen gelden de tuin in Eden, het land Kanaan en de stad Jeruzalem. Deze plaatsen zijn niet slechts verblijfplaatsen, maar hebben ook een functie in de dienst aan God. Daarbij is het steeds weer van belang hoe de relatie is tussen deze speciale plaatsen en de rest van de wereld.

Om zicht op dit onderwerp te krijgen, doorlopen we de bijbelboeken die hierover het meest vermelden. Daaruit blijkt dat de woonplaatsen niet permanent waren: de eerste mensen worden verdreven uit de tuin van Eden, de zondvloed maakt de aarde onbewoonbaar, en het nageslacht van Abraham mag gaan wonen in het land Kanaan, al wordt men daaruit later tijdelijk verdreven. Deze gebeurtenissen hebben alles te maken met Gods aanwijzingen en de menselijke reacties daarop.

Er zijn enige begrippen die vaak terugkeren, zoals ‘eres dat reeds in het eerste bijbelvers voorkomt. Het kan betekenen: aarde (in de kosmologische betekenis), wereld, land (in tegenstelling tot de zee), en grond.1 Nadat de aarde gemaakt is, wordt er een tuin geplant (Gen. 2). Verder is sprake van ‘adama, de bewoonbare aarde (12:3) en van sadeh ‘veld, gebied’ (14:7; 37:7). Ook worden begrippen als ‘plaats’ en ‘stad’ gebruikt. Zoals we zullen zien, krijgen deze woorden meermalen een diepe en rijke betekenis.

Preistercanon

De aarde en de tuin in Eden

De eerste zin in het boek Genesis stelt dat God de hemel en de aarde schiep (1:1). Het woord ‘eres betekent hier de gehele aarde. Verderop staat vermeld dat de wateren samenvloeien, waardoor het droge land tevoorschijn komt (1:9-10). Hier wordt ook het woord ‘eres gebruikt: het kan dus de gehele aarde betekenen, maar ook land of grond. Daarna wordt de schepping van de planten, de dieren en de mens verteld (1:1013, 20-30).

In vergelijking met andere verhalen uit het Midden-Oosten valt op dat de aarde geen voortbrengsel is van de strijd van goden. De Schepper roept door middel van woorden de wereld tot aanzijn. De aarde is zelf niet goddelijk, maar een geschapen werkelijkheid, onderscheiden van God zelf. Daarom is natuurverering niet geoorloofd, zoals in de latere wetgeving aan Israël naar voren komt. Ook is de aarde geen onafhankelijk ecosysteem dat losstaat van Gods werkzaamheid, zoals in de volgende hoofdstukken blijkt (bijv. Gen. 6:7; 8:1, 22). De beschrijving van de schepping loopt uit op de schepping van de mens, en de aarde is geschikt voor hem om daarop te leven.

De toenemende wetenschappelijke kennis over de kosmos toont dat de aarde zeer bijzondere leefomstandigheden heeft, terwijl die elders in de kosmos ontbreken (vgl. Ps. 115:16). Zie verder over de schepping in Genesis, par. 5.2.1.

De mens, die geschapen is als Gods evenbeeld, krijgt de opdracht talrijk te worden en de gehele aarde te onderwerpen (1:26-28). Dat is niet destructief bedoeld, maar geeft de taak van de mens als onderkoning onder God aan.

Hiermee wordt geen negatieve onderwerping bedoeld, maar een positief heersen, beheersen.

Het gebeurt o.a. door talrijk te worden. Zie G. McAfee, 158. Het uitoefenen van koninklijk ge

zag (in gerechtigheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid, weldoen) weerspiegelt Gods koningschap. Het werkwoord ‘onderwerpen’ ontbreekt in Gen. 9:1-7.

Na de weergave van de scheppingsweek volgt in 2:4 de formulering ‘Dit zijn de tóledót van hemel en aarde, waarmee bedoeld wordt wat daaruit voortkomt, wat de verdere geschiedenis is.

Zie bespreking in par. 2.3.3.

Het is opmerkelijk dat daarna de relatie tussen de mens en de tuin (hof) van Eden

De tuin wordt later ‘de tuin van Jhwh’ genoemd (13:10).

verteld wordt. De beschrijving in Gen. 2-3 gaat in op het handelen van de mens, dat voor de lotgevallen van de aarde van essentieel belang is. God plantte een tuin in Eden en plaatste daar de mens (2:8), om die tuin te bewerken en te bewaren (2:15). Met die opdracht zal bedoeld zijn het in stand houden en cultiveren. Vanuit de samenhang kunnen we concluderen dat de mens nog niet meteen heel de aarde hoeft te onderwerpen en te bewerken, maar dat hij eerst een veel kleinere plaats toegewezen krijgt. De werkzaamheden in de tuin (door ons vaak ‘paradijs’ genoemd) en het benoemen van de dieren zijn taken die voortvloeien uit de unieke positie van de mens op aarde.

Het ligt voor de hand dat de mens in deze plaats nageslacht zou krijgen, het werk zou aanvangen en in de relatie met God zou toegroeien naar een tijd dat hij ook buiten de hof zijn taak kon vervullen. De tuin dient als een proefplaats voor de gehele wereld. De ervaring hier is dan uitgangspunt voor het leven buiten de beschermde omgeving.

In deze tuin staan twee bijzondere bomen: de Boom van kennis van goed en kwaad/slecht, en de Levensboom. God verbiedt de mens van de eerste boom te eten. Hij vraagt gehoorzaamheid van de mens, maar laat hem de mogelijkheid ongehoorzaam te zijn. De straf op ongehoorzaamheid is de dood. Nadat de mens gezondigd heeft, ontvangen de slang, de vrouw en de man een veroordeling. In relatie tot het onderwerp ‘aarde’ komt het volgende naar voren:

  • De mens wordt uit de tuin verbannen. In plaats van deze mooie plaats te bewerken, moet de mens zijn werkzaamheden uitoefenen op de aardbodem buiten de hof (2:15; 3:23). Deze aardbodem wordt vervloekt

    Vervloeking van de aarde, vgl. 5:29 en 8:21.

    en brengt voortaan dorens en distels voort. De mens zal zwoegend eten van de opbrengst van de aardbodem.

  • De mens krijgt ook te horen dat hij zal sterven. Hij mag niet langer bij de Levensboom komen en hij keert door de dood terug tot de bodem waaruit hij gemaakt was (3:17-19; vgl. 5:5).

    Het is omstreden of het intreden van de dood ook de dieren betreft. jes. 11:6-9 en 65:25 wijzen wel in die richting, mede door de verwijzing naar de speciale behandeling van de slang. Zie M.j. Paul, 2010. De veiligheid van de mens in zijn omgeving wordt mede hierdoor bepaald.

In Gen. 4 wordt verteld dat Kaïn zijn broer Abel doodslaat. Een deel van de straf die Kaïn ontvangt, houdt in dat de aardbodem zijn volle opbrengst niet meer zal geven aan hem, en dat hij een zwerver en vluchteling op de aarde zal zijn (4:12). Adam en Eva krijgen een andere zoon, Set, en in zijn tijd begint men de naam vanJhwhaan te roepen (4:26). In dit nageslacht wordt Henoch geboren, die met God wandelt en daarna op een bijzondere manier weggenomen wordt van de aarde, waardoor hij niet op de gewone manier sterft (5:21-24). Nog weer later wordt No- ach geboren. Vader Lamech zegt daarbij: ‘Deze zal ons troost geven voor het werken en zwoegen dat ons deel is omdatJhwhde aardbodem vervloekt heeft’ (5:29).

Het kind geeft mogelijk enige troost te midden van de moeitevolle arbeid die Lamech moet verrichten, maar verder nemen de moeiten toe. Op een bijzondere manier wordt Noach later het middel waardoor het voortbestaan van de mensheid gewaarborgd wordt.

De zondvloed en een nieuw begin

In de tijd van Noach kondigt God het oordeel van de vloed aan. Dit is een straf op de vele zonden van de mensheid (6:5-12). Door deze vloed komen bijna alle mensen en landdieren om, en alle levensmogelijkheden op de aardbodem worden weggevaagd. Terwijl bij de schepping de wateren samenvloeiden en het droge tevoorschijn kwam, wordt dit tijdelijk ongedaan gemaakt. Noach, zijn gezin en de ingescheepte dieren overleven deze ramp in een groot schip, de ark.

De bouw van de ark ten behoeve van mens en dier kan gezien worden als een voorbeeld van beschermend heersen, vgl. 1:28.

Hierna krijgt de mensheid een nieuwe op aarde te leven. In Gods boodschap komen woorden terug die ook tot Adam gesproken waren, zoals de vruchtbaarheid, het talrijk worden en het vervullen van de aarde (9:1, 7). Noach wordt getypeerd als rechtvaardig en onberispelijk; hij wandelt met God (6:9). Zal de mensheid na de ramp zo gaan leven? De woorden die Noach uitspreekt over zijn zoons, maken duidelijk dat niet iedereen God dient. Het is zelfs zo dat Kanaan, zoon van Cham en kleinzoon van Noach, vervloekt wordt (9:25-27). Gen. 10 vermeldt de nakomelingen van Sem, Cham en Jafet, de drie zonen van Noach. Zij verspreiden zich over de aarde en ongeveer zeventig volken worden genoemd. Daarbij is opmerkelijk dat de grenzen van het gebied van Kanaan vermeld worden (10:19). Deze vermelding van Kanaan, eerst in de vervloeking door Noach en daarna in het woongebied, is van belang omdat het volk Israël later in dit land mag gaan wonen.

De verspreiding van de mensheid gaat niet vanzelf, want de bouw van een toren in is bedoeld om die verspreiding tegen te gaan. De verwarring van de taal zorgt ervoor dat dit toch gebeurt (10:25, 11:1-9).

De belofte van het land Kanaan aan Abraham en zijn nageslacht

Na de beschrijving van de verdeling op aarde wordt Abraham, uit het geslacht van Sem,

Hier wordt gekozen voor de naam Abraham, hoewel eigenlijk in Gen. 11-16 Abram gebruikt wordt. Voor het belang van de afstamming uit Sem, zie uitleg in hfst. 9.

geroepen tot een speciale bestemming. Hem wordt gevraagd zijn land (Ur der Chaldeeën) en zijn familie te verlaten, op weg naar het land dat hem gewezen zal worden (12:1). Dat blijkt later het land Kanaan te zijn (12:5). Abraham zal tot een groot volk worden en tot zegen zijn voor alle volken (12:3),

De passieve vertaling: ‘in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden’ verdient de voorkeur. Voor een argumentatie t.o.v. andere vertalingen (o.a. nbv), zie par. 8.2.2. Kanaan werd vervloekt (Gen. 9:25-27), maar het volk dat komt wonen in het land dat zijn naam draagt, zal tot zegen zijn.

voor alle volken die in Gen. 10 genoemd zijn. God laat de tientallen volken ogenschijnlijk aan hun lot over door een speciale relatie met één man en volk aan te gaan. Het land Kanaan wordt op den duur afgenomen van de ontaarde inwoners en God maakt een nieuw begin. Daarmee is er een concentratie op één klein gebied, één land, maar wel met het oog op de gehele wereld. We kunnen hier de vergelijking maken met het paradijs, dat ook bedoeld was met het oog op de gehele wereld.

De uitdrukking ‘pars pro toto’ kan hier gebruikt worden, mits het temporele aspect in de gaten wordt gehouden. Kanaan is geen representant van de gehele wereld. De streek van Sodom en Gomorra wordt als prachtig en vruchtbaar gebied vergeleken met de tuin van Jhwh (in Eden) en het land Egypte (13:10). J. McKeown, 2003 schrijft: ‘The acquisition of the Promised Land, while not explicitly described as a return to Edenic bliss, gives Israel the rest and security that was endemic to paradise’ (p. 489). ‘The tripartite relationship between God, humans and land in the garden of Eden portrays the ideal for which Israel must aim. In Eden God’s presence was openly manifest, and there was communion with him. There were laws to be kept concerning the land, and people had certain responsibilities in relation for caring to it (Gen. 2:15-17). (…) Canaan does not fully replicate the uninhibited communion with God or the harmony and fertility that were endemic in the primeval garden’ (p. 490).

Het is de taak van Abraham en zijn nageslacht om tot zegen te zijn voor de volken. Terwijl het gedrag van de torenbouwers te en van de inwoners van en Gomorra

Juist deze prachtige streek (zie vorige noot) wordt verwoest (Gen. 19). God spaart zijn eigen schepping niet als het kwaad de overhand krijgt. De Dode Zee en de zoutformaties moeten steeds daaraan herinneren.

bestraft wordt, kiest God mensen uit om zijn doel te realiseren. De zegen van Abraham zal naar de volken gaan, ‘want Ik heb hem uitgekozen. Hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen die Ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen. Dan zal Ik verwezenlijken wat Ik Abraham heb toegezegd’ (18:18-19). Het (latere) volk Israël behoort onderscheiden gedrag (‘rechtvaardig en goed’) te vertonen en is bedoeld als een voor-beeldsamenleving.

Chr.J.H. Wright, 2004, 50.

De concentratie op één persoon en geslacht is geen einddoel.

Wanneer Abraham in het beloofde land komt, zijn daar de Kanaanie- ten als eigenaren van het land (12:6; 13:7). De aartsvader krijgt van God de opdracht door het land te trekken en hoort dat zijn nageslacht het gehele gebied zal krijgen (13:14-17).

Volgens het Genesis-Apocryphon bereist Abraham een groot gebied, naar de Eufraat in het oosten, over de hele kust van het Arabische schiereiland tot aan de Nijl in het westen. Volgens het boek Genesis blijft Abraham na zijn tocht naar Egypte in 12:10- het Westjordaanland.

In een plechtige verbondssluiting wordt die toezegging bevestigd. Daarbij wordt gezegd dat er vierhonderd jaar zullen verlopen, want eerder is de maat van zonde van de Amo- rieten (als term voor de inwoners van Kanaan) nog niet vol (15:12-21). De verdrijving van de Kanaanieten heeft de vorm van een strafgericht, met God als Rechter. Omdat de straf pas in de toekomst voltrokken zal worden, blijft Abraham zijn leven lang vreemdeling. De enige plaats die hij in eigendom krijgt, is een begraafplaats, om zijn vrouw Sara te begraven. Het is het eerste stukje grond en dat dient tevens als teken van het toekomstige bezit van het gehele land (23:1-20).

Het graf is een bezit en kan als teken van de belofte van heel het land gezien worden. Zie W. Brueggemann, 2002, 23. Daar zijn later Abraham (25:9), Isaak (35:29), Rebekka, Lea en jakob begraven (49:29-33; 50:1-14).

De belofte van bezit van het land wordt diverse malen herhaald aan Abraham (17:5, 8; vgl. ook 22:17).

Isaak is de enige van de drie aartsvaders die nooit buiten het beloofde land is geweest, voor zover ons bekend. Hij is er geboren, heeft er geleefd, en is er gestorven en begraven, als vreemdeling in het land van de belofte. Ook aan hem is de belofte herhaald (26:3). Die belofte geldt zijn zoon jakob, en niet diens broer Esau. jakob moet het land verlaten, omdat zijn leven gevaar loopt door het bedrog dat hij gepleegd heeft. Na twintig jaar komt hij terug in dit land (31:38; 35:27-29; 37:1). Daar koopt hij een stuk grond (33:19), dat een voorproefje is op het bezit van het gehele land.

Vanwege de hongersnood halen zoons van jakob koren in Egypte. Daar ontmoeten zij jozef, die zij eerder naar Egypte als slaaf hebben verkocht, en die inmiddels onderkoning is geworden. jozef geeft aan jakob en zijn huisgezin (zeventig personen; 46:27) het land Gosen in de Nijl- delta (47:6). Het lijkt erop alsof zij daar beter af zijn dan in Kanaan, maar ook jakob weet dat Kanaan beloofd is (28:4, 13; 35:12; 48:4). Wanneer jakob gaat sterven, wil hij in Kanaan begraven worden (47:29-31; 49:2950:14). jozef kent de belofte aan de vaderen en vraagt aan zijn volk om later zijn gebeente mee te nemen naar Kanaan (50:24-26). Later gebeurt dit ook (Ex. 13:19; Joz. 24:32). Leven en begraven worden in het door God beloofde land toont geloof in deze God die ook door de dood heen zijn trouw zal tonen.

Over het leven na de dood in Israël, zie par. 7.2.4.

Het land in de wetgeving

Wanneer Israël uit Egypte verlost is en bij de Sinai arriveert, biedt God een verbondsrelatie met het volk aan. Als het volk dit doet, zal Israël een kostbaar bezit voor Hem zijn, kostbaarder dan de andere volken, terwijl de hele aarde aan Hem toebehoort. Israël zal dan een koninkrijk van priesters zijn, een heilig (afgezonderd en toegewijd) volk (Ex. 19:56). Het volk ontvangt een verheven positie, maar krijgt hiermee ook een taak te midden van de wereld.

In de wetgeving komt meermalen naar voren dat Israël mag leven in het beloofde land Kanaan, een land dat overvloeit van melk en honing (Ex. 3:8), een land met water en een overvloed aan opbrengst, zodat men geen gebrek hoeft te lijden (Deut. 8:7-10; 11:9-11). In de Tien Geboden klinkt de belofte bij het eren van de ouders, dat men lang zal leven in het land datJhwhgeeft (Ex. 20:12). Een groot deel van de wetten in de Tora heeft te maken met het leven in het toegezegde woongebied.

De bepalingen voor de landelijke feesten bevatten verwijzingen naar de oogst en naar de woonplaatsen (Lev. 23:10, 14, 22, 39). De Israëlieten mogen zes achtereenvolgende jaren zaaien en oogsten, maar het zevende jaar is een sabbatsjaar en zal het land rusten voorJhwh(Lev. 25:13), en na zeven sabbatsjaren is er een jubeljaar, waarin niet geoogst mag worden (25:8-12). Verkocht land moet dan teruggegeven worden aan de oorspronkelijke eigenaar (25:28). Dergelijke bepalingen gaan het grootgrondbezit en de uitbuiting tegen. Ook andere economische wetten zijn erop gericht dat grote armoede en grote rijkdom tegengegaan worden.

Ook het verbod om rente te vragen van volksgenoten en de vrijlating van slaven behoort hiertoe. Vgl. A. v.d. Rijst, 1994 voor hedendaagse economische consequenties.

Vanwege het verbond, maar tevens vanwege het feit dat God de Eigenaar is van de aarde, en ook van het land (25:23), kan Hij dit bepalen. Als Eigenaar kan Hij het geven aan wie Hij wil, maar het ook ontnemen. Dat komt tot uiting in de bepalingen over zegen en vloek (Lev. 26; Deut. 28). Bij gehoorzaamheid aan God zal het land zijn opbrengst geven en hebben vijanden geen kans om toe te slaan, maar bij ongehoorzaamheid aan het verbond zal God straffen: er zal dan hongersnood komen, de vijanden worden machtig en het is zelfs mogelijk dat de Israëlieten uit het land verdreven worden.

W. Zimmerli, 1978, 55 wijst erop dat er geen bezit is in de zin van ‘Blut und Boden’.

Na een langdurige tocht door de wildernis, waar de Israëlieten bedreigd worden door allerlei gevaren (zie het boek Numeri),

Vgl. W. Brueggemann, 2002, 27-41.

trekken zij onder leiding van Mozes naar het Overjordaanland. In de strijd met enige koningen komt dat land in bezit. Een deel van het volk wil er gaan wonen en krijgt hiervoor toestemming. Dit gebied valt buiten het eigenlijke land Kanaan (zie de volgende paragraaf), maar hoort voortaan wel bij het beloofde land. Daar en in het Westjordaanland worden steden toegewezen voor priesters en Levieten. Enige van die steden fungeren als vrijsteden waarheen zij die per ongeluk een ander gedood hebben, kunnen vluchten (Num. 35).

In Deuteronomium staan veel verwijzingen naar Gods belofte aan Abraham en zijn nakomelingen (bijv. 1:21; 6:3). Het land wordt omschreven als gift die God aan het volk geeft (4:40; 5:16). Wanneer God naar de belofte verwijst als een eed, benadrukt Hij daarmee zijn toezegging. De keerzijde is wel dat het volk gehoorzaamheid moet tonen en het land in bezit moet nemen als een geloofsdaad (1:8).

J.G. McConville, 2002, uitleg Deut. 1:6-8.

Het is belangrijk dat het volk in geloof en in gehoorzaamheid aan het verbond leeft. Als men dat niet doet, zal het verdelgd worden, en dus eenzelfde lot ondergaan als de Kanaanieten (4:25-28).

Volgens Deut. 27 moet het volk in het land Kanaan naar de bergen Ebal en Gerizim gaan, om daar een speciale ceremonie te houden (Deut. 11:2930; 27:1-26).

De uitvoering staat beschreven in Joz. 8:30-35.

Terwijl eerst de zegen en de vloek in evenwicht lijken te zijn, vanwege de gelijke verdeling van de stammen over de twee bergen, en een groot deel van de uitgesproken vervloekingen betrekking heeft op uitzonderlijke situaties, is het afsluitende vers zeer bedreigend vanwege zijn algemene formulering: ‘Vervloekt is hij, die de woorden van deze wet niet metterdaad volbrengt’ (vs. 26).

Hierna volgt in Deut. 28 een lijst met zegeningen en vervloekingen, vergelijkbaar met Lev. beide gevallen is de negatieve lijst veel langer dan de positieve. De uitspraken hebben betrekking op alle belangrijke gebieden van leven in het land.Jhwhzal zegenen in het land dat Hij geeft (vs. 8). Daarna komt een lange lijst van 44 verzen met vervloekingen. Een van de vloeken is dat er hitte en droogte zullen zijn, zodat er geen voedsel van het land kan komen (vs. 23-24). De vijanden zullen veel invloed in het land hebben (vs. 25). Zoons en dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, in slavernij (vs. 32). Er zullen nog meer ballingen zijn (vs. 36, 64). Het laatste vers noemt zelfs een terugkeer naar Egypte, een ongedaan maken van de verlossing (vs. 68).

In Deut. 29 wordt herinnerd aan de lotgevallen van Sodom en Gomorra: zo zalJhwhook Israël behandelen, als het volk andere goden gaat dienen. In dat geval zullen de volken zich afvragen waarom Hij Israël in grote verbolgenheid uit hun land gerukt en hen weggeslingerd heeft naar een ander land.

Deut. 30 begint met de mededeling ‘Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek die ik u voorgehouden heb, en u dit ter harte neemt te midden van het gebied van al de volken, waarnaar Jhwh, uw God, u verdreven heeft…’ (vs. 1)

De zinnen in Deut. 30:1-2 moeten worden opgevat als bijzinnen bij vs. 3. De zinsnede

kt leidt dan de bijzin in. Het komt vaker voor dat het woord kt een bijzin inleidt, terwijl het wordt gevolgd door een imperfectumvorm (o.a. Ps. 23:4). Sommige uitleggers zijn echter van mening dat de zinsnede wdhaya kt een hoofdzin inleidt. Dit benaderingsverschil heeft consequenties voor de uitleg van de tekst: in het eerste geval is bekering voorwaarde voor het opheffen van de vervloeking en in het tweede geval is de bekering van de Israëlieten onderdeel van het werk van God. Vanwege het genoemde taalkundige argument verdient de eerste opvatting de voorkeur. Een ander voordeel van deze opvatting is dat zij aansluit op Deut. 28, waar gehoorzaamheid voorwaarde is voor herstel.

Terwijl zegen en vloek meermalen gelijkwaardige mogelijkheden lijken te zijn, komt hier naar voren dat de vervloeking ook ervaren wordt. Er is een opvallende spanning in het boek Deuteronomium: een oproep tot gehoorzaamheid, maar ook de sombere verwachting dat het volk ongehoorzaam zal zijn en gestraft zal worden. Toch is dat niet Gods laatste woord, want hier is ook sprake van besnijdenis van het hart en terugkeer tot het beloofde land (vs. 2-6).

Vgl. de titel van J.G. McConville’s boek Grace in the End. In Deut. 29:3 nbv staat de weergave ‘maar pas vandaag heeft de Heer u werkelijk inzicht gegeven’. Gewoonlijk wordt gekozen voor ‘tot vandaag hebt u geen inzicht’, waarmee niet gezegd wordt of dat inzicht die dag kwam. Gezien het vervolg van de rede van Mozes is het uiterst twijfelachtig of het volk dat inzicht die dag kreeg.

In bepaalde opzichten lijkt het slot van Deuteronomium op de eerste hoofdstukken van Genesis; de uiteinden van de Tora raken elkaar. De verdrijving uit de tuin van Eden en de verdrijving uit het land liggen in elkaars verlengde. In Deuteronomium is echter sprake van terugkeer, door Gods genade.

Cf. P.A. Barker, 1998 en J.G. McConville, 1993.

In zeker opzicht kan de Tora beschouwd worden als ‘Van paradijs tot het beloofde land’.

Vgl. de titel van een boek van D.T. Alexander: From Paradise to the Promised Land.

In de wetgeving komt ook naar voren dat de omvang van het land dat Israël in bezit heeft, niet altijd hetzelfde is: de grenzen kunnen variëren. In Deut. 11:22-25 staat de belofte dat bij het liefhebben en dienen vanJhwhIsraël machtiger volken zal verdrijven en dat elk stuk grond dat de Israëlieten zullen betreden, voor hen zal zijn. Maar wat gebeurt er als men niet aan die voorwaarde voldoet? Deut. 12:20 spreekt over de situatie dat het gehele gebied gegeven is, maar dat impliceert nog niet dat dit direct het geval hoeft te zijn. Deut. 19:8-9 gaat in op die uitbreiding, waardoor er meer vrijsteden nodig zijn waarheen een onschuldige doodslager kan vluchten.

Er zijn ook negatieve consequenties mogelijk: het land kan kleiner gemaakt worden. Dit was de ervaring van Israël in de tijd van jehu (2 Kon. 10:32). In de tijd van Ezra en Nehemia was slechts de kleine provincie jehud overgebleven.

Volgens het laatste hoofdstuk van het boek Deuteronomium mag Mo- zes het land Kanaan niet in, maar hij krijgt het wel te zien. Het is beloofd aan de aartsvaders en het volk Israël staat op het punt erheen te gaan (34:1-4). De Tora heeft hiermee een open einde: vele malen is het land beloofd, maar wanneer zal het volk Israël het in bezit krijgen?

De omvang van het beloofde land Kanaan

Het beloofde land wordt diverse keren globaal aangeduid. Dit gebeurt in de volgende bijbelgedeelten:

  • Gen. 10:19 ‘En de grens van de Kanaaniet was van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboïm tot aan Lesa’.

  • Gen. 15:18 ‘van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat’.

  • Ex. 23:31 ‘het gebied van de Rietzee (lxx: Rode Zee) tot aan de zee van de Filistijnen [= Middellandse Zee], en van de woestijn tot de Rivier [Eufraat]’.

  • Num. 13:21 ‘van de woestijn Sin tot aan Rechob, waar de weg naar Ha- mat begint (of: bij Lebo-Hamat).

  • Deut. 1:7 ‘het bergland van Amorieten en naar al hun buren, in de Vlakte [jordaanvallei], het bergland, in de laagte/het heuvelland, de Negev en de kuststrook – de gebieden van Kanaanieten – en de Libanon tot aan de grote rivier de Eufraat’.

  • Deut. 11:24 ‘van de woestijn af tot aan de Libanon, van de rivier af, de rivier de Eufraat, tot de zee in het westen’.

  • 1 Kon. 8:65 en 2 Kron. 7:8 ‘vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi van Egypte’.

  • 2 Kon. 14:25 ‘van Lebo-Hamat tot de zee van de vlakte [Araba, d.w.z. de Zoutzee, de Dode Zee]’.

  • Jes. 27:12 ‘van de rivier [Eufraat] af tot de wadi van Egypte toe’.

Deze algemene beschrijvingen geven globaal de grenzen van het land aan. De discussie over verschillende aanduidingen laten we aan de bijbelcommentaren en monografieën over. Voor onze probleemstelling is wel van belang of de Eufraat als noord- of als oostgrens aangeduid wordt. Als de Eufraat de oostgrens is, houdt dit in dat een heel groot gebied ten oosten van de jordaan is beloofd. Als de Eufraat de noordgrens is, hoort het gebied van Aram erbij, maar het gebied in oostelijke richting kan heel beperkt zijn geweest. Het Overjordaanland hoorde niet zonder meer bij het beloofde land. Teksten als Num. 32:30-32; 34:2, 12; 35:10; Deut. 32:49 en joz. 22:9-11 maken duidelijk dat het land Kanaan uitsluitend ten westen van de jordaan ligt. Dit maakt aannemelijk dat in de bovengenoemde globale beschrijvingen van het land de Eufraat de noordgrens is en niet de oostgrens.

Er zijn ook specifieke beschrijvingen. We vinden deze in Num. 34:1-12; joz. 15:1-12; Ez. 47:15-20 en 48:1, 28. Hier staan beschrijvingen van het land, geschreven in de woestijntijd, de tijd van de verovering en de tijd van de ballingschap en deze betreffen verschillende situaties. Bij onderlinge vergelijking blijken deze beschrijvingen goed overeen te komen. Het gebied van Aram wordt bij het beloofde land gerekend, maar het Overjor- daanland niet. De jordaan is de oostelijke grens. Hiermee wordt bevestigd dat de Eufraat bedoeld is als noordgrens in de eerdere beschrijvingen. Overigens zijn er een paar uitspraken in hetotdie aangeven dat Gilead, het noordelijke gedeelte van het Overjordaanland, ook toegezegd is aan Israël. Dit gebeurt in jer. 50:19 (Basan en het bergland van Gilead) en Zach. 10:10 (Gilead en Libanon). En in Ob. 19-20 wordt ook Gilead genoemd. De hoofdstukken 40-48 van Ezechiël geven een gedetailleerde beschrijving van een tempel en aan het eind wordt een verdeling van het land gegeven. Dit visioen stelt de uitleggers voor veel raadsels. Overzien we de gegevens van de landverdeling bij Ezechiël, dan bemerken we dat het land Kanaan in eigenlijke zin ten westen van de jordaan ligt.28 De genoemde grenzen komen goed overeen met de beschrijvingen van Mozes en jozua.

De vraag rijst nu, hoe de verhouding is tussen de algemene en de specifieke beschrijvingen. Het is duidelijk dat het gebied van de rivier de Nijl (of de wadi van Egypte) tot de rivier de Eufraat groter is dan de specifieke beschrijvingen aangeven. Er zijn twee mogelijkheden ze met elkaar in overeenstemming te brengen:

  • De algemene beschrijvingen zijn zo globaal dat ze niet als precieze grenzen opgevat mogen worden. ‘De rivier de Eufraat’ geldt dan slechts als globale aanduiding van de noordelijke richting, zonder dat de grens ook inderdaad bij deze rivier ligt.

  • De algemene beschrijvingen geven aan wat God uiteindelijk bedoeld heeft voor Israël, maar in de praktijk hebben de Israëlieten dit land nooit bezeten. De specifieke beschrijvingen geven de praktijk aan, de algemene beschrijvingen de ideale situatie (die eventueel in de toekomst nog gerealiseerd zal worden).

Tegen de tweede harmonisatie pleit dat de verslagen van de verovering in het land nergens blijk geven van pogingen dit uitgebreide gebied in bezit te nemen. Van speciaal belang is in dit verband Joz. 13:1-7 dat aangeeft welke gebieden nog veroverd moeten worden. Op grond hiervan verdient de eerste opvatting de voorkeur: de algemene beschrijvingen geven de grote lijnen, de specifieke beschrijvingen geven de details, en daar blijkt dan uit dat de eigenlijke grenzen een kleiner gebied beslaan.

De verovering van Kanaan, het wonen daarin en het verlies daarvan

Reeds in de tijd van Mozes is het Overjordaanland veroverd. Onder leiding van Jozua trekt het volk het beloofde land in, door een drooggevallen Jordaan. Het wonder lijkt op het doortrekken van de Rietzee, met de bedoeling dat alle volken van de aarde weten hoe machtig de God van Israël is (Joz. 4:23-24). Dat de verovering een godsdienstig karakter draagt, wordt duidelijk door de besnijdenisceremonie te Gilgal en het vieren van Pesach voordat men verder het land intrekt (Joz. 5:1-12). De stad Jericho valt op wonderlijke wijze de Israëlieten in handen. Hier wordt ‘de ban’ in de hevigste vorm voltrokken: een algehele vernietiging en toewijding aanJhwh(Joz. 5:13-6:27; vgl. Deut. 7). De stad mag niet meer bewoond worden. Daarna trekken zij naar het centrum van het land, de omgeving van Sichem en verrichten daar een plechtigheid op de bergen Ebal en Gerizim (Joz. 8:30-35), geboden door Mozes (Deut.

27). Pas daarna trekt het leger van de Israëlieten naar het zuiden en naar het noorden voor veldslagen (Joz. 10-11). Door deze veldslagen wordt de militaire macht van de volken van Kanaan gebroken, maar veel steden blijven nog Kanaanitisch. Vanuit het geloof wordt het gehele land verdeeld onder de stammen. Het is de taak van de afzonderlijke stammen om allerlei onveroverde gebieden en steden in te nemen.

Vanuit volkenrechtelijk standpunt roept de verovering van Kanaan veel vragen op. In de Bijbel wordt de verovering vooral vanuit Gods gezichtspunt bekeken. De vervloeking van Kanaan (Gen. 9:25) en de zonden van de Kanaanieten (Gen. 15:16; Deut. 7:25-26; 2 Kon. 17:8-10) vormden de hoofdreden voor de goddelijke straf, waarbij ook duidelijk wordt dat Israël met dezelfde maat gemeten zal worden.

Vgl. par. 8.5.4 en A. Versluis, 2012.

In Deuteronomium staat de aankondiging dat het volk rust zal krijgen in Kanaan (3:20; 12:10; 25:19), waarmee zowel een gebied als een toestand bedoeld wordt. In Jozua blijkt dat deze belofte uitgekomen is (21:43-45; 22:4; 23:1; vgl. ook 2 Sam. 7:1).

Het boek Rechters (Richteren) maakt duidelijk dat de Israëlieten de taak om het land verder te veroveren slechts gedeeltelijk uitvoeren. De Israëlieten gaan ook andere goden dienen (1:19-36). In Bochim kondigt een engel aan dat de vijanden zullen blijven wonen in het land (2:1-3). De beschrijving in het boek toont hoe machtig de vijanden vaak zijn; steeds weer komen er echter charismatische leiders die het volk tijdelijk bevrijden van die vijanden.

In de boeken Samuël staat de opkomst van het koningschap beschreven. Terwijl Saul allerlei overwinningen boekte op de volken rondom Israël, was het David die in staat was het gebied te vergroten en allerlei volken onderwierp. In zijn tijd kwam de grens in het noorden zelfs tot de Eufraat. Ook wordt Jeruzalem de hoofdstad van het rijk (2 Sam. 5). Nadat de Verbondskist hierheen gebracht is, wordt deze stad steeds meer het godsdienstige centrum van het land (2 Sam. 6). Salomo bouwt hier de tempel (1 Kon. 6-8). In het gebed dat deze koning uitspreekt bij de inwijding van de tempel noemt hij de mogelijkheid van ballingschap, maar vraagt hij ook of de zonden vergeven worden, zodat de Israëlieten in ballingschap terug mogen keren naar het land dat God aan hun vaderen gegeven heeft (1 Kon. 8:33-34; vgl. 46-51). Het is Salomo’s bede dat de vreemdelingen die in Jeruzalem zullen komen verhoring op hun gebed zullen ontvangen, opdat de volken van de aarde de naam vanJhwh zullen leren kennen (vs. 41-43). Door de aanwezigheid van de tempel bereikt Israël als priestervolk voor alle volken een belangrijke mijlpaal. De tempel wordt het centrale punt, waar belangrijke offers gebracht en godsdienstige feesten gevierd worden, zoals voorgeschreven in Deut. 12 en 16. De koningen Hizkia en Josia beperken het offeren zelfs helemaal tot dit geestelijke centrum (2 Kon. 18; 22-23).

Na de dood van Salomo treedt er een ingrijpende scheuring op in het rijk: het Tienstammenrijk en het Tweestammenrijk ontstaan (1 Kon. 12). Een typerende geschiedenis ten aanzien van grondbezit speelt zich af in de tijd van koning Achab. Hij wil het gebied rond zijn paleis uitbreiden en biedt Nabot hiervoor een vergoeding aan. Maar Nabot weigert de grond die hij van zijn voorouders geërfd heeft, te verkopen (1 Kon. 21:13). Hier botsen de machtsaanspraken van een koning en de eeuwenoude bepalingen hoe het land onder Israël verdeeld werd.

In 2 Kon. 17:1-23 staat de ondergang van Samaria en het Tienstammenrijk beschreven, met daarbij de godsdienstige verklaring waarom dit oordeel door de Assyriërs gebeurde. Er is nog uitstel voor Juda, maar op den duur worden ook Jeruzalem en de tempel verwoest en het volk wordt door de Babyloniërs in ballingschap gevoerd (2 Kon. 24-25). De laatste verzen van het boek vermelden de begenadiging van koning Jo- jachin (25:27-30; ook in Jer. 52:31-34). Er wordt nog geen terugkeer genoemd, maar het eerste signaal van herstel wordt gegeven. Het boek Deuteronomium vormt de sleutel om een dergelijke notie te verstaan (Deut. 29-30; vgl. Lev. 26:44-45).

Omgang met vreemdelingen

Het feit dat de aartsvaders als vreemdeling in Kanaan vertoefd hebben en de Israëlieten vreemdelingschap hebben ervaren, heeft diepe sporen getrokken in de geschiedenis van het volk. In de wetgeving staan heel wat bepalingen om barmhartig met vreemdelingen om te gaan (Ex. 22:21; 23:9; Lev. 19:34; Deut. 10:19; 14:29), al moet die vreemdeling zich wel aan bepaalde godsdienstige regels houden (Ex. 12:19, 43; 20:10; Lev. 17:10; 18:26; Deut. 31:12; Joz. 8:33). Het staat hem niet vrij de eigen godsdienst uit te oefenen (Deut. 13; 1 Kon. 11). In feite is het land door de zonden van de vorige volken verontreinigd en daardoor mochten die er niet blijven wonen (Lev. 18:24-29).30 God is en blijft de Eigenaar van het land en bepaalt wat daar mag plaatsvinden. In sommige opzichten zijn en blijven de Israëlieten vreemdelingen, ook in Kanaan. Zij zijn ‘vreemdelingen en bijwoners’ bij God (Lev. 25:23; Ps. 39:13).

Profetencanon

Jeremia

jeremia leefde in de tijd van de laatste koningen van juda. Zijn boek beschrijft het nationalisme van Israël en de rivaliserende belangen van pro-Babylonische en pro-Egyptische groepen. Te midden van dit alles wordt de profeet geroepen om het Woord van God te verkondigen. Eerst biedt hij Gods zegen aan als het volk berouw zal tonen, maar daarna, wanneer Gods oordeel niet langer worden afgewend, verzekert hij hen na de strafperiode van een toekomstig herstel.

Hij waarschuwt herhaaldelijk dat de Babyloniërs aan de macht komen en roept op zich te onderwerpen (jer. 27). Gods boodschap: ‘Ik heb de aarde, de mens en het gedierte, dat op het oppervlak van de aarde is, door mijn grote kracht en mijn uitgestrekte arm gemaakt, en Ik geef ze aan wie het Mij goeddunkt. Nu heb ik al deze landen in de macht van Nebukadnessar, de koning van , mijn dienaar, gegeven’ (vs. 5-6). Hier wordt God beleden als Schepper, en ook als Eigenaar van de landen. De profetie gaat verder met te vermelden dat allerlei volken aan deze koning dienstbaar zullen zijn, totdat anderen de macht zullen overnemen (vs. 7).

In jer. 30-33 komt naar voren dat God zich over zijn volk in ballingschap zal ontfermen. Hij zal een wending brengen in het lot van Israël en juda en hen terugbrengen in het land dat Hij aan hun vaderen gegeven heeft (30:3, 10). Het volk wordt wel getuchtigd, maar er wordt niet voorgoed mee afgerekend (vs. 11). De terugkeer wordt verbonden met een nieuw verbond (31:8, 31). Ook Jeruzalem wordt herbouwd (31:38-40). Als teken koopt jeremia vanuit de gevangenis een akker (jer. 32). jeruzalem zal wel verwoest worden door de Chaldeeën/Babyloniërs, vanwege de zonden van de Israëlieten (32:28), maar de verstrooiden zullen weer vergaderd worden en teruggebracht worden tot deze plaats (vs. 37). Dan zullen er weer akkers gekocht worden (vs. 43). De verwoeste plaats zal weer een geluid van vreugde horen (33:10-11). Een toekomstige zoon van David zal naar recht en gerechtigheid met het land handelen (33:15). Het is opmerkelijk dat het nieuwe verbond zich ook uitspreekt over het land Kanaan en de stad Jeruzalem.

Het nieuwe verbond is dus niet louter geestelijk, maar heeft ook betrekking op een concrete, aardse realiteit. Vgl. M.j. Paul e.a., 2013, vooral Excurs 1, ‘Het nieuwe verbond.

Voor jeremia isJhwhabsoluut soeverein over de wereld. Hij is de Schepper van het heelal, maar kan ook zijn hand van de schepping aftrekken en toelaten dat deze opnieuw uiteenvalt in de oorspronkelijk situatie van woestheid en leegheid wanneer Hij het oordeel over de wereld volvoert (4:23-27; 18:1-11). Hoewel Hij in het bijzonder de God van Israel is (2:3-4; 10:16; 17:13), voert Hij heerschappij over alle volken. Jeremia moest ook boodschappen brengen voor andere volken (1:5, 10). De uitgebreide profetieën over de andere volken getuigen van het vertrouwen van de profeet in Gods universele heerschappij.

Jeremia heeft ook een tijdsbepaling gegeven: de volken zullen Babel zeventig jaren dienen (25:11-12), daarna zal het volk Israël weer terug mogen keren naar het eigen land (29:10). Deze profetie is later door Daniël gelezen (zie onder).

Ezechiël

De profeet Ezechiël hoort bij de ballingen die in de tijd van koning Joja- chin zijn weggevoerd naar Babel, elf jaar voor de verwoesting van Jeruzalem in 587 v. Chr. Bij de rivier Chebar ontvangt Hij Gods boodschappen. In veel gevallen is de inhoud waarschuwend en dreigend voor de inwoners van Jeruzalem (hfdst. 1-24). Ook zijn er heel wat profetieën voor andere volken (hfdst. 25-32). Vanwege de bedreven zonden gaat Gods heerlijkheid weg uit de tempel (10:18-19; 11:23), en daarmee wordt in feite de ondergang aangekondigd. In Ez. 33 is sprake van een boodschapper uit Jeruzalem die de ondergang van de stad en de tempel komt meedelen (33:12). Vanaf die tijd geeft Ezechiël boodschappen van hoop en uitzicht. Gods heerlijkheid komt terug in de nieuwe tempel die gebouwd zal worden (43:2-4).

De profeet kondigt de terugkeer van de ballingen naar het beloofde land aan.Jhwhheeft zijn volk onder de volken verstrooid, als oordeel (36:19). Bij die andere volken ontheiligden zij Gods Naam, doordat men van hen zei dat ze wel het volk vanJhwhwaren, maar toch weg moesten uit zijn land (vs. 20). God zal echter ter wille van zichzelf de ballingen doen terugkeren en ook een innerlijke vernieuwing schenken (vs. 22-28). Daarna volgt het visioen van de dorre doodsbeenderen die herleven en tot levende mensen worden. De uitleg maakt duidelijk dat de boodschap is dat Israël uit het graf opstaat en terugkeert naar het land Israël, om daar te wonen (37:1-14). Die terugkeer houdt ook in een vereniging van het Twee- en het Tienstammenrijk (37:15-23), de regering van een koning uit het huis van David en de aanwezigheid van Gods Woning (37:24-28). Na twee hoofdstukken over Gog en Magog volgt een zeer uitgebreid tempelvisioen. Ten aanzien van het land is het slothoofdstuk 48 van belang. De stamgebieden zullen op een nieuwe manier gerangschikt worden, waarbij het opvallend is dat het Overjordaanse gebied buiten het beloofde land valt, tenminste het gedeelte ten zuidoosten van het Meer van Galilea. Ook zullen het heiligdom en de stad Jeruzalem verplaatst worden naar het midden tussen de Middellandse Zee en de Dode Zee (zie kaartje).

De twee kaartjes zijn ontleend and M.J. Paul e.a., 1993, 54-55.

De geografische wijzigingen zijn zo groot, dat een bijzonder ingrijpen van God nodig is om dit te realiseren.

Jesaja

jesaja leefde in de tijd van jotam, Achaz en Hizkia (1:1). Hij maakte de overheersing door het Assyrische Rijk mee, mede tot stand gebracht door de onderwerping van Achaz (2 Kron. 28:16-21). Wanneer Sanherib Jeruzalem wil veroveren, wordt de stad op wonderlijke wijze bevrijd (jes. 36-39). De aankondiging dat alle rijkdom van het koninklijk paleis naar Babel zal worden weggevoerd (39:6), geeft de overgang aan tussen de zorg rondom de Assyrische crisis en de toestand van de judese ballingen in Babel (jes. 40-66).

jesaja’s presentatie van God als de Heilige van Israël en als zijn Redder en Verlosser geeft een intense spanning. Hoe kan Gods heiligheid en de daaruit voortvloeiende straf op de zonde in overeenstemming worden gebracht met Gods genade en belofte? jesaja wijst op de oordelen die voltrokken worden aan het volk, maar kondigt ook aan dat een ‘rest’ of ‘overblijfsel’ behouden zal worden. Uit de verwoesting zal een rest terugkeren, die zich in het land zal vestigen en een vruchtbaar volk zal zijn. De naam van een van de zoons van jesaja geeft dit ook aan: Sear-jasub ‘een rest zal terugkeren’ (7:3).

In jes. 2 staat het visioen van het toekomstige vrederijk opgetekend. In het laatste van de dagen zal de berg van het huis vanJhwhvaststaan op grote hoogte. Alle volken zullen daarheen gaan en elkaar aansporen naar die berg te gaan, met als doel daar de God van jakob te leren dienen. Ook zal er dan vrede komen, gesymboliseerd door het omsmeden van zwaarden tot ploegscharen (2:1-4). Hier is sprake van een centripetale beweging: de volken komen, zoals ook in het gebed van Salomo genoemd is (1 Kon. 8:41-43). jesaja kondigt aan dat in die toekomstige tijd alleenJhwhverheven zal zijn (2:11, 17), de zilveren en gouden afgodsbeelden zullen weggedaan worden (vs. 20). De aarde zal vol worden van de kennis van Jhwh, zoals water de bodem van de zee bedekt (11:9). In jes. 11 wordt verder aangekondigd dat de verdrevenen van Israël verzameld zullen worden, uit Assur, Egypte, Patros, Nubië, Elam, Sinear, Hamat en de eilanden/kustlanden van de zee. Dit betreft niet alleen de ballingen uit het Tienstammenrijk (tijdgenoten van Jesaja), maar ook de vluchtelingen uit Juda (11:11-12).

Jesaja spreekt, evenals Jeremia, heel wat profetieën uit over de andere volken. Aan het eind van hoofdstuk 19 staat een opmerkelijke profetie: er zal een weg lopen van Egypte naar Assyrië. De volken van die landen zullen samenJhwhdienen. Israël zal zich dan als derde erbij voegen, tot zegen voor de hele wereld.Jhwhzal hen zegenen: ‘Gezegend is Egypte, mijn volk, en Assyrië, werk van mijn handen, en Israël, mijn bezit’ (19:23-25). Gods heil is dan blijkbaar ook voor die twee andere volken. Jes. 24 vermeldt het oordeel over de gehele aarde. Daarna is er sprake van het heil voor alle volken: Hij zal een feestmaal aanrichten, de sluier/bedekking bij de volken weghalen en de dood vernietigen (25:6-9; 26:19). Jes. 35 beschrijft een weg te midden van de wildernis. Daarop zullen de verlosten, de vrijgekochten wandelen en terugkeren in Sion, te Jeruzalem.

In Jes. 42-53 is diverse malen sprake van de Knecht/Dienaar van Jhwh. Soms wordt hij geïdentificeerd met het volk, andere keren is hij daarvan onderscheiden. In Jes. 42 noemt God eerst dat Hij de hemel en de aarde schiep. Hij gaf het leven aan de mensen die wonen op aarde. Hij geeft aan dat de Knecht gesteld is tot een verbond voor het volk (nl. Israël) en tot een licht voor de volken (43:6). De Knecht zal dus ook een taak hebben voor de andere volken, om hun blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden (vs. 7).

In Jes. 40-55 wordt het verlossende handelen van God meermalen vergeleken met de uittocht uit Egypte: opnieuw zal Hij zijn volk brengen naar het beloofde land (vgl. 43:16-21).

Het laatste hoofdstuk van het boek Jesaja kondigt aan dat God de volken bijeen zal brengen; boden vanuit die volken zullen naar allerlei landen gaan, om daar Gods luister te tonen. Uit alle volken zullen de ballingen komen naar Gods heilige berg te Jeruzalem. Dat zal steeds herhaald worden, maar de afvalligen zullen streng gestraft worden (66:18-24). In de laatste twee hoofdstukken komt de uitdrukking ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ voor (65:17; 66:22). Er zullen grote veranderingen optreden, onder andere in de dierenwereld, waarin wolf en lam samen zullen weiden en de leeuw stro zal eten (65:25); Jeruzalem blijft een sleutelrol vervullen (65:18). VoorJhwhis de hemel zijn troon en de aarde de voetbank van zijn voeten (66:1). Hij zal te vuur en te zwaard gericht oefenen, en zijn heerlijkheid zal onder de volken verkondigd worden (vs. 16, 19). De heilige berg in Jeruzalem zal centraal komen te staan (vs. 22).

Hoewel uitleggers meermalen de concrete geografische aanduidingen opvatten als symbolisch taalgebruik voor een geestelijke, wereldwijde werkelijkheid, lijkt het aannemelijker dat de geestelijke vernieuwing zich voltrekt op de concreet aangeduide plaatsen, waarbij zowel Israël als de volken betrokken zijn.

Zie M.J. Paul e.a., 2012, Excurs 3, ‘De uitleg van de profetieën over de toekomst van Israël’ 854869.

Jona, Sefanja, Zacharia en Maleachi

Het is mogelijk diverse passages te noemen uit de Kleine Profeten, maar we beperken ons tot Jona, Sefanja, Zacharia en Maleachi.

De profeet Jona wordt naar Ninevé gezonden om het oordeel van de vernietiging aan te kondigen. Dit houdt in datJhwhook het gedrag van volken elders op aarde beoordeelt en kan straffen. De inwoners bekeren zich echter, en het oordeel wordt uitgesteld, tot verdriet van Jona. Deze profeet heeft echter liever de ondergang van een belangrijke stad van de Assyrische vijand.

De Assyriërs hebben later Samaria ingenomen en een groot deel van de bevolking gedeporteerd (2 Kon. 17).

Het laatste vers van het boek laat zien dat God met ontferming bewogen is over de grote stad, met daarin veel jonge mensen (4:11). De ondergang van Ninevé is hiermee uitgesteld, maar is later toch voltrokken, zoals door de profeet Nahum aangekondigd is.

Het boek Sefanja wordt getypeerd door de uitdrukking ‘Dag van Jhwh’. De opening van het geschrift spreekt er direct over dat mens en dier van de aardbodem weggevaagd zullen worden (Sef. 1:2-3). Het is een dag dat de mensen zeer angstig zullen worden. Ook over Jeruzalem zal het oordeel voltrokken worden. Toch blijkt in het slot van het geschrift dat deze stad hersteld zal worden en Gods nabijheid zal mogen ervaren (3:14-20).

In aansluiting op het gebruik van ‘Dag van Jhwh’ in Am. 5:18-20 en Jes. 2:7-22 beschrijft Sefan- ja de vernietiging van de aarde en de kosmos, zodat de orde van de schepping omgekeerd wordt (Gen. 1:20-27). Evenals bij andere profeten het geval is, lopen uitzichten op korte termijn (1:7, 14) en op langere termijn (kosmische effecten) door elkaar. Te midden van de rampen blijkt dat er ook verlossing komt en dat de volken Jhwh zullen dienen. Vgl. M.J. Paul e.a., 2012, Excurs 5, ‘Heils- en onheilsprofetieën’.

De profeet Zacharia leeft gelijktijdig met de profeet Haggai en profeteert in de tijd dat de tweede tempel in Jeruzalem gebouwd wordt. De boodschap klinkt dat God zijn volk verlost uit het land van de opgang en van de ondergang van de zon. Hij brengt het terug en het zal in Jeruzalem wonen (8:7-8; 10:9-10). Veel volken zullen in de toekomst naar Jeruzalem komen om de gunst vanJhwhaf te smeken. Ze zullen de slip van de jas van een judese man vastgrijpen en zeggen: Wij willen met u gaan, want we hebben gehoord dat God met u is (8:20-23). In hoofdstuk 12 is sprake van het optrekken van alle volken van de aarde naar Jeruzalem, dit keer om haar te belegeren (12:1-3), en ook hoofdstuk 14 spreekt hiervan (14:1-2). Tijdens de strijd zal de Olijfberg splijten en zo komt er een vluchtweg. Daarna is sprake van een geografische verandering: levende wateren stromen uit Jeruzalem, naar de Middellandse Zee en naar de Dode Zee.Jhwhzal Koning zijn over de gehele wereld/aarde

Het woord ‘eres kan zowel land als aarde betekenen. In vs. 10 is het land bedoeld, maar het vervolg van het hoofdstuk wijst op een heerschappij over allerlei volken.

en het hele land zal worden als een grote vlakte, met Jeruzalem op een veilige plaats (vs. 8-11). De volken die het op Jeruzalem voorzien hadden, zullen gestraft worden en de overgeblevenen zullen jaarlijks naar deze stad trekken om het Loofhuttenfeest te vieren (vs. 12-19).

Het boek van de profeet Maleachi besluit het canondeel, en tevens is hij de laatstvermelde profeet van het Oude Testament. Hij bekritiseert het volk en de priesters, maar kondigt ook de komst van een profeet Elia aan. Gehoorzaamheid en bekering zijn nodig, zodat God niet zal komen om het land met de ban te treffen (3:23-24).

Voor de ban (volledige vernietiging), zie Deut. 7:2 en joz. 6:17-19.

Wijsheidscanon

Ruth

De mededeling dat er een hongersnood in Israël is (1:1), in de tijd van de rechters, is een signaal voor de lezers dat God toornig is op zijn volk. Hij heeft immers de vruchtbaarheid van het land en een goede oogst beloofd als zegen op het verbond (Deut. 28). In de tijd van de rechters deden velen echter wat goed was in eigen oog. Ook het woord Moab heeft een negatieve klank (Gen. 19:30-38; Deut. 23:4-7).

Vgl. j. Steinberg, 2006, 215v, 444.

In plaats van boete en bekering tot God, gaan Elimelech en zijn gezin daarop naar Moab, in een vrijwillige ballingschap. De lotgevallen daar zijn negatief: kinderloosheid en dood. Blijkbaar is het niet mogelijk om Gods toorn te ontlopen door te verhuizen naar een ander land. Ook is daar het gevaar van vermenging met andere godsdiensten. Noömi adviseert haar schoondochters niet mee te gaan naar Kanaan en te blijven in Moab, met als gevolg dat Orpa terugkeert ‘naar Moab en haar goden’ (1:15). Noömi en Ruth gaan naar Kanaan, omdat ze gehoord hebben datJhwhnaar zijn volk omgezien heeft door brood te geven (1:6). Ze nemen de toevlucht onder de vleugels vanJhwh(2:12). Uit het huwelijk van Ruth met Boaz wordt uiteindelijk David geboren (4:17-23). De terugkeer tot God en het land leidt tot de geboorte van een verlosser voor het volk Israël en ten slotte voor de hele wereld.

Vgl. ook hoofdstuk 3 voor de positie van het boek Ruth in de canon.

Psalmen

Ps. 2, een van de openingspsalmen, bezingt de koning die over Sion, Gods heilige berg in Jeruzalem, aangesteld is.Jhwhbelooft aan de gezalfde koning de andere volken, de einden van de aarde. De volken krijgen het advies zich te onderwerpen. Hierna volgen echter allerlei Psalmen waarin nood en aanvechting genoemd worden. In de Psalmen 8 en 47 komt naar voren datJhwhde God van de gehele aarde is.

De Psalmen 60 en 108 vermelden dat David de overwinning behaalt op Moab, Edom en Filistea. Ps. 67 roept de volken op God te loven, omdat Hij hen bestuurt en regeert (vs. 5). In het bijzonder de Psalmen 93-99 bezingen het koningschap van Jhwh. Hij is de Rechter van de aarde (94:2; 96:10, 13) en daarom wordt heel de aarde opgeroepen Hem te erkennen. In Ps. 72 wordt de koning toegewenst te regeren van de Rivier tot aan de einden van de aarde (vs. 8). Koningen van allerlei landen zullen zich aan hem onderwerpen.

Ps. 87 noemt allerlei volken die God leren kennen en gerekend worden als inwoners van Jeruzalem. Hier en elders, bijvoorbeeld ook in Ps. 122, wordt de bijzondere positie van Jeruzalem/Sion bezongen. Het is de hoofdstad van het land, maar ook de plaats van het huis van God. Van- daaruit regeert Hij; daarmee sluiten deze liederen aan bij allerlei eschatologische profetieën over Sion (zoals Jes. 2).

Voor de Israëlieten is het bezit van het land niet vanzelfsprekend. Ps. 37 waarschuwt herhaaldelijk dat de goddelozen uitgeroeid zullen worden (al hebben zij weleens tijdelijk voorspoed). Door Gods ingrijpen zullen de rechtvaardigen het land beërven. Deze woorden hebben betrekking op dit leven, maar ook een wijdere strekking naar de eschatologische toekomst.

De ballingschap komt naar voren in Ps. 106:47 ‘Verzamel ons, Jhwh, onze God, verzamel ons weer uit de volken’. Ps. 107 sluit daarop aan ‘Dat de verlosten doorJhwhzo spreken, die Hij uit de macht van de tegenstander heeft verlost en uit de landen heeft verzameld (vs. 2-3). Mogelijk heeft Ps. 126:1 hierop ook betrekking (de gevangenen van Sion keerden terug). Ps. 137 bezingt de droevige situatie aan Babels stromen. Toch zullen Gods gunstgenoten, de kinderen van Sion, overwinnen en het oordeel uitvoeren over de volken en hen ketenen (Ps. 149:2, 6-8).

Voor de interpretatie van de Psalmen is het van belang dat de uiteindelijke redactie na de terugkeer uit de ballingschap heeft plaatsgevonden, toen het Joodse volk geen eigen koning meer had. Des te opvallender is het dat de koningspsalmen een prominente plaats innemen. Men verwachtte in de toekomst een herleving van het koningshuis van David en die regering zou niet beperkt blijven tot het eigen land, maar wereldwijd erkend worden (Ps. 2; 72)

Voor de eschatologische strekking van het Psalmboek, zie D.C. Mitchell, 1994 en M.J. Paul e.a., 2010, Excurs 2, ‘Messiaanse psalmen’ 857-867.

Wijsheidsboeken

De Wijsheidsliteratuur is internationaal van oriëntatie, maar de boeken Spreuken, Prediker en Hooglied hebben betrekking op het land Kanaan. Dat blijkt uit het auteurschap van Salomo, maar ook uit het Israëlitische stempel dat op de wijsheid gedrukt wordt: het ontzag voorJhwhligt ten grondslag aan echte wijsheid (Spr. 1:7; 9:10; Pr. 3:14; 12:13; vgl. ook Job 28:28).

De verbinding tussen de wijsheid en het beloofde land ligt in koning Salomo, de wijze koning te Jeruzalem (1 Kon. 3:12); terwijl hij voorafgeschaduwd wordt door Job, die in het land Us (in de omgeving van ) leefde. Grote wijsheid was in Israël en Jeruzalem aanwezig. Salomo is wijzer dan alle voorgangers en uit alle volken komen mensen om de wijsheid van Salomo te horen (1 Kon. 5:9-14). De koningin van Seba raakt daarvan onder de indruk (1 Kon. 10). Hier is iets te merken van de zegenrijke invloed op andere volken.

Vgl. de beloften in Gen. 12:3; 18:18; 22:18.

Er is in Jeruzalem ook een school van wijzen, tot in de tijd van koning Hizkia toe (Spr. 22:17; 24:23; 25:1).

Jeruzalem als plaats wordt slechts in twee van de vier Wijsheidsboeken genoemd, in Prediker en Hooglied.

Het boek Spreuken wil de jongeren het fundamentele verschil tussen vromen en goddelozen bijbrengen. Dit komt ook tot uiting in het leven in het land, want 2:21-22 stelt: ‘Oprechten/wie rechtschapen zijn, zullen het land bewonen

NBV heeft tamelijk algemeen ‘het land der levenden’ maar Kanaän is bedoeld.

en de vromen zullen daarin overblijven, maar de goddelozen zullen uit het land worden uitgeroeid en de trouwelozen zullen eruit worden weggerukt’. De vergelding van gedrag heeft vaak te maken met het leven op aarde, in het land (vgl. 19:16; 11:31; 14:11). Evenals in diverse Psalmen (zoals genoemd bij Ps. 37) hebben deze woorden betrekking op de situatie tijdens dit leven en op de eschatologische toe- komst.

Vgl. M.j. Paul e.a., 2011, Excurs 7, ‘De vergelding van gedrag in Spreuken, Prediker en job, 930936.

In het boek Hooglied staan de bruid en bruidegom centraal, en daarbij worden veel beelden uit de natuur gebruikt en ook landschappen (Saron, Libanon, Gilead) en steden (Jeruzalem, Chesbon, ). Tevens worden tuinen en wijngaarden vermeld (bijv. 5:12-16). De schildering roept herinneringen op aan de tuin van (Gen. 2). De dochters van Sion worden opgeroepen te letten op de gekroonde koning (3:11).

Klaagliederen en Daniël

Het boek Klaagliederen is geschreven na de verwoesting van Jeruzalem. Het gaat over de worsteling van het verlies van het land en de vraag naar de terugkeer, zowel naar God als naar het land (5:21). Op diverse plaatsen worden de zonden van het volk genoemd als oorzaak van de verwoesting (1:8, 18; 4:6, 13; 5:7). Halverwege het boek wordt de uitweg gewezen: Goed isJhwhvoor wie Hem verwachten, voor wie Hem zoekt (3:25). God verstoot niet voor eeuwig, en Hij zal zich weer ontfermen (vs. 31-32).

Daniël behoort bij de ballingen die in de tijd van koning jojakim uit juda weggevoerd werden. In het land Babel, aan het hof, handhaven Daniël en zijn vrienden de Israëlitische spijswetten en zij knielen niet voor de afgoden. Hun kennis en wijsheid blinken uit en ze komen tot een hoge positie. In dat vreemde land blijft er het besef van de centrale positie van Jeruzalem en de tempel, want Daniël bidt driemaal per dag in die richting (Dan. 6:11; vgl. 1 Kon. 8:48).

In de hoofdstukken 2 en 7 staan visioenen over de toekomstige rijken. Het is de God van Israël die inzicht verschaft in de toekomst en boven de machten van deze wereld staat. Dat toont zijn positie als ‘God der goden en heer der koningen’ (2:47).

Daniël heeft een boekrol met woorden van de profeet jeremia ter beschikking. Daarin leest hij over de periode van zeventig jaar (Dan. 9:2; vgl. jer. 25:11; 29:10). In het daaropvolgende gebed belijdt hij schuld voor de zonden van zijn volk, en noemt hij ook de ballingschap een straf van God (vs. 7). Daarom zijn Jeruzalem en het volk tot een smaad geworden (vs. 16). In aansluiting bij de zeventig jaren krijgt Daniël een boodschap over zeventig (jaar)weken (vs. 24-27). In Dan. 8:9 en 11:16, 41 wordt het land Kanaan het Sieraadland genoemd (waarschijnlijk in aansluiting op Jer. 3:19 en Ez. 20:6, 15).

Het lijkt erop dat Perzië de wereld regeert, maar de gerichtheid van Daniël op Jeruzalem en deze profetieën maken duidelijk dat het land Israël en de stad Jeruzalem centraal blijven staan in de eschatologische toekomst. In de toekomst zal Michaël opstaan, de grote vorst, die Israël terzijde staat, waarna de opstanding van hen die slapen in de aarde, in het stof, volgt (12:1-3). De veroordeling van Gen. 3 ‘tot stof weerkeren’ is niet het laatste woord, maar een tussenfase.

Ester en Ezra-Nehemia

Evenals Daniël is Ester een balling. Door bijzondere omstandigheden komt ze aan het hof van het Perzische wereldrijk en wordt ze koningin. Door de plannen van Haman dreigt voor het Joodse volk de totale uitroeiing, maar door een ongedachte wending komt er verlossing. Het wonen in een ander land, met andere machthebbers, is blijkbaar gevaarlijk. Hoewel de Naam vanJhwhniet genoemd wordt, is indirect duidelijk dat Hij zijn volk beschermt. Als teken daarvan wordt het Poerimfeest ingesteld.

In Ezra 1 wordt teruggegrepen op de profetie van Jeremia. De Perzische koning Kores, die aangeeft dat Jhwh, de God van de hemel, alle koninkrijken van de aarde aan hem gegeven heeft, geeft toestemming aan de ballingen om terug te keren naar Jeruzalem, om daar de tempel te herbouwen (1:1-3). Na allerlei tegenwerking wordt dit heiligdom herbouwd (Ezra 3-6). Ezra vertrekt naar Jeruzalem en neemt maatregelen tegen de gemengde huwelijken, een situatie die het eigen karakter van het Joodse volk bedreigt. Enige tijd later krijgt Nehemia van koning Artachsasta toestemming om de muur van Jeruzalem te herbouwen. Door de herbouw van de stad kan Jeruzalem weer de hoofdstad worden (in plaats van Mispa; 2 Kon. 25:23; Neh. 3:7). Land en stad zijn belangrijk en vervullen ook een symbolische waarde: zij zijn de plaatsen waar God woont.

Kronieken

In het boek Kronieken wordt veel aandacht besteed aan de tempelbouw. Wanneer de ark overgebracht is naar Jeruzalem, klinkt een lofprijzing (1 Kron. 16:8-36). Daarin wordt Israël opgeroepen onder de volken Gods daden bekend te maken (vs. 8, 24). De volken worden opgeroepen deze God te erkennen en voor Hem te offeren (vs. 28-30). De tempel heeft daarmee een wereldwijde, universele functie. In het gebed van Salomo komt naar voren dat de Israëlieten in de tempel (en van elders naar de tempel) bidden. Er zullen echter ook vreemdelingen uit andere landen komen en het is van belang dat alle volken Gods Naam leren kennen en Hem vrezen (vs. 32-33).

Het boek Kronieken begint met Adam en eindigt met Cyrus/Kores, de Perzische koning. De gebeurtenissen van Israël staan ingeklemd tussen universele gebeurtenissen. Israël is er niet alleen voor zichzelf, maar er is ook een relatie tot de volken.

Zie H.J. Koorevaar in hoofdstuk 3.

Samenvatting en verdieping

De aarde

De aarde is door God geschapen, onder meer als woonplaats voor de mens. Deze kreeg het beheer van de tuin in Eden toevertrouwd en in het verlengde daarvan van de aarde, maar door ongehoorzaamheid moest hij het paradijs verlaten en zijn de leefomstandigheden op aarde sterk verslechterd. De strafuitoefening door de zondvloed vernietigde bijna de aarde, maar door Gods goedheid werd deze toch weer leefbaar voor de mens (Gen. 9). De blikrichting van de Schrift is daarna grotendeels op Kanaan gericht, terwijl het besef steeds aanwezig is dat er allerlei andere landen zijn. De gebeurtenissen in Kanaan hebben gevolgen voor heel de wereld. Terwijl Gods heil vooral Israël betreft, is er het toenemende besef bij de profeten dat de volken zullen delen in Gods regering door de messiaanse koning. De vijandschap van andere volken kan hevig zijn en Israël kan bijna vernietigd worden, maar toch zal blijken dat God Koning is over de gehele aarde. De andere volken kunnen zich noodgedwongen of vrijwillig hieraan onderwerpen.

Door oordelen en gerichten heen komen er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Jes. 65:17; 66:22). De gelovige Israëlieten mogen deze aarde beërven, maar de goddelozen zullen worden weggedaan (Ps. 37; Dan. 12:2). De gelovige volken mogen delen in die toekomst. De relatie met God is voor iedereen beslissend.

Door alle gebeurtenissen heen volvoert God het plan dat Hij met de tuin in Eden had. De mens is eruit verdreven, de aarde is bijna vergaan door het water en zal in de toekomst opnieuw ingrijpende gebeurtenissen meemaken (ook als onderdeel van de kosmos), maar er zal een nieuwe aarde komen, waarop de mensheid Jhwh, de God van Israël en de volken, zal dienen.

Het land Kanaan

Nadat eeuwen wereldgeschiedenis verstreken zijn, komt Abraham in het beloofde land Kanaan. Een paar honderd jaar later mogen zijn nakomelingen het land binnentrekken en bewonen. In dat land komt de relatie tussenJhwhen zijn volk tot uiting, waarbij Israël een voorbeeldfunctie heeft voor de andere volken (Ex. 19:5-6; Deut. 26:19). Van groot belang is de dienst van God in de tabernakel en de tempel: het volk is geroepen tot geloof, gehoorzaamheid en lofprijzing. Deze houding behoort in het gehele leven door te klinken en in het hele land in praktijk gebracht te worden (Deut. 6:1-9; 26:1-15).

In bepaalde opzichten lijkt het wonen van Israël in het land Kanaan een tijdelijke maatregel, omdat het God te doen is om de gehele wereld. Toch is het opvallend dat in de eschatologische teksten het land nooit veralgemeniseerd wordt tot de aarde, maar steeds een eigen plaats blijft behouden.

Israël mag wonen in het land, maar nooit als eigenaar.Jhwhbezit het land en de Israëlieten mogen hier verblijven op voorwaarde van geloof en gehoorzaamheid. In zekere zin is de positie te schetsen als vreemdelingschap. Zij zijn ‘vreemdelingen en bijwoners’ bij God (Lev. 25:23).

Jeruzalem

Hoewel Jeruzalem reeds aangeduid kan zijn in de benaming Salem (Gen. 14:18) en de bergen van het land Moria (Gen. 22:2), krijgt de stad pas een duidelijke functie in de tijd van David. Deze koning maakt haar tot hoofdstad van zijn rijk en tot een geestelijk centrum. De benaming ‘Sion’ wordt steeds meer gebruikt om het heiligdom en de geestelijke betekenis van de stad aan te duiden. In de Tora is nog in het algemeen sprake van ‘de plaats dieJhwhverkiezen zal om daar te wonen’ (Deut. 12v) en uiteindelijk blijkt Jeruzalem dat te zijn (1 Kon. 8:16, 29). Enerzijds kan de hemel der hemelen God niet bevatten, maar toch wil Hij in een tempel op aarde wonen, te midden van zijn volk (8:27). De Psalmen geven aan dat Jeruzalem/Sion een grote rol speelt in de toekomstige regering van de gezalfde koning uit het geslacht van David over de gehele wereld (Ps. 2; 72; 132). De volken komen naar Israël, en speciaal naar Jeruzalem, om daar onderwezen te worden in de dienst van God (Jes. 2; Zach. 14).

De aarde en het land Kanaan

De taak van Israël ten opzichte van de andere volken en de relatie van het land Kanaan met de gehele wereld is grondig doordacht door Chr.J.H.Wright, vooral met het oog op de ethiek. Hij geeft een verhelderend schema.

Chr.J.H. Wright, 2004, 184. Zie ook par. 6.5.2.

De eerste hoofdstukken van Genesis beschrijven de verhouding tussen God, de mens en de aarde. Die kan visueel worden weergegeven in een driehoek. Op den duur komt er van de mensheid een concentratie op Abram en zijn nageslacht, en van de gehele aarde op het land Kanaan. Ook dit kan getekend worden in een driehoek, maar terwijl God dezelfde blijft, is het volk Israël kleiner dan de mensheid en het land Kanaan kleiner dan de wereld. De onderste zijde van deze driehoek is daarom korter. Van belang is dat hij de verhouding tussen Israël en de wereld met het woord ‘paradigma’ beschrijft: Israël is een voorbeeld hoe God de mensheid bedoeld heeft, dat geldt ook in de omgang met het land en de aarde.

Wright noemt de begeerte naar meer land als oorzaak van oorlogen, evenals het feit dat mensen steeds meer bezittingen willen hebben ten koste van anderen. God laat echter door de redding van het volk Israël en door het geven van het beloofde land zien hoe Hij het omgaan met de aarde en het bezit oorspronkelijk bedoeld heeft. Hij gaf regels aan het volk Israël als ‘prototype’ van de redding van de mensheid. Maar Israëls land krijgt ook de functie van een prototype, namelijk van de nieuwe schepping. Er zijn regels waardoor iedereen van het land en de opbrengst ervan mag genieten. Dat is tegelijk ook het ideaal voor de toekomst. In Mi. 4:4 staat bijvoorbeeld met betrekking tot het komende vrederijk dat de Israëlieten zullen zitten, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn eigen vijgenboom, zonder dat iemand hen opschrikt. Gods regels voor het land bepalen ook dat er een eerlijke verdeling van werk moet zijn en dat er een tijd is waarop mensen die slaven geworden zijn, weer kunnen worden vrijgelaten. Er zijn regels om meesters, knechten en dieren, enzelfs het land te laten uitrusten: op de sabbat, in het sabbatsjaar en het jubeljaar.

Ook het verbod om rente te vragen van volksgenoten en de instelling van het losserschap zijn leefregels die eraan bijdragen dat de aarde niet door een paar mensen wordt uitgebuit, maar dat iedereen een eigen plaats heeft in het beloofde land.

Israël laat door deze regels na te volgen Gods ‘model’ aan de wereld zien. Het volk is bedoeld als een paradigma in een in zonde gevallen wereld. Tegelijk wijst Israël daarmee (als een soort eersteling) naar de toekomst, want de wereld is nog niet volmaakt, en Israël in Kanaan ook niet. In de toekomst zullen de hele mensheid en de hele aarde verlost zijn.

Het land is niet slechts een neutrale plaats waar de geschiedenis van Israel zich afspeelt. Het land in al zijn dimensies (belofte, verovering, bezit, gebruik, misbruik, verlies en herstel) is een fundamenteel theologisch gegeven.

Chr.J.H. Wright, 83.

Het is en blijft Gods land (Lev. 25:23).

Het wonen in het beloofde land is voor Israël een teken van onafhankelijkheid van andere volken, maar het is blijvend afhankelijk van Gods zegen. Het land is daarmee een teken van de relatie tussen God en Israël. En deze God bepaalt de regels van omgang met het land.

Wanneer Israël uit het land verdreven wordt, is dat slechts tijdelijk en is er ook terugkeer mogelijk. Die terugkeer is niet slechts een terugkeer naar een geografisch gebied, maar er komt ook een vernieuwde natuur, die lijkt op de hof in Eden (Jer. 31:12). Ez. 47:1-12 spreekt over stromend water dat leven brengt, zelfs in de Dode Zee. Het is de Schepper die verlost en die zijn doel realiseert door de verlossing van Israël.

Het land en het Joodse volk

De tempel, Jeruzalem en het land zijn thema’s die vaak herhaald worden in de Joodse liturgie. De traditionele gebeden vragen om terugkeer naar Jeruzalem en het land. Het Achttiengebed, stammend uit de farizese traditie, werd en wordt drie keer per dag gebeden. Daarin staan de volgende beden: ‘Wees genadig, o Heer onze God, over Israël uw volk en over Jeruzalem uw stad (…) en over uw tempel en uw woonplaats en over het koninkrijk van het huis van David’ (bede 14). ‘Aanvaard ons, o Heer onze God, en woon in Sion; dat uw dienaren U mogen dienen in Jeruzalem’ (bede 16). ‘Schenk uw vrede aan Israël uw volk en aan uw stad’ (bede 18). De feesten eindigen in een herinnering van wat geweest is en een verwachting voor de toekomst: ‘Komend jaar in Jeruzalem!’

Veel Joden wilden begraven worden in het beloofde land, omdat daar de doden zullen herrijzen, vgl. Zach. 14.

Een groot deel van de wetgeving in de Tora is alleen maar in het land Kanaan in praktijk te brengen.

Van de zes delen van de Misjna, Tosefta en Talmoed gaan negen tiende deel van het eerste, het hele vijfde en zesde deel en daarnaast nog grote delen van de rest over wetten die juist te maken hebben met het land. De wetten die hierin worden bediscussieerd, kunnen alleen in Israël zelf nageleefd worden. Voor de rabbijnen was het land onafscheidelijk verbonden met het volk en de godsdienst. Zie P.A. Siebesma, 1993, 38.

In de lange periode van onderdrukking stierf nooit de hoop op een terugkeer naar het land van de voorvaders.

L. Lambert, 1989, 80-84, 91.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de staat Israël gevestigd in 1948 en voor veel Joden was dit de (gedeeltelijke) vervulling van de genoemde gebeden.

De Messiasbelijdende Jood Lance Lambert erkent dat de vervloekingen van Deut. 28, speciaal de verzen 64-67, vervuld zijn in het Joodse volk. Het leven in de ballingschap, van 586 tot 517 v. Chr. en van het jaar 70 tot het midden van de twintigste eeuw toont de angst en vervolgingen die daar beschreven staan. Lambert verbindt de beide terugkeren uit de ballingschap met de beloften in Deut. 30:1-10.

L. Lambert, 48-49.

De aarde, het land en Jeruzalem in het Nieuwe Testament

De eerste hoofdstukken van Genesis worden vaak geciteerd in het Nieuwe Testament. Met name Paulus is er diep van doordrongen hoezeer de zonde doorwerkt in de wereld en in het menselijk geslacht. De schepping ziet uit naar de toekomst, als zonen Gods openbaar zullen worden (Rom. 8:18-22). De apostelen schrijven aan christenen die verspreid wonen in allerlei landen en geen speciaal land hebben. Petrus noemt de christenen ‘bijwoners en vreemdelingen’ (1 Petr. 1:1; 2:11). Hij vermeldt in de tweede brief dat de aarde door water is vergaan, maar in de toekomst zal deze door vuur gelouterd worden. Op die wijze komt er een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont (2 Petr. 3:6-13).

De boodschap van de apostelen is niet slechts voor het Joodse volk, maar ook voor de andere volken (Hand. 15). Toch blijft voor Paulus de volgorde ‘eerst de Jood, en dan de Griek’ (Rom. 2:9-10). Hij lijdt onder de afwijzing van het evangelie door het grootste deel van het Joodse volk, maar ziet uit naar hun bekering (Rom. 9-11). Betreft dit alleen het geloof in de Messias, of zijn er ook consequenties ten aanzien van het land? Wright ziet geen bijzondere betekenis meer voor het fysieke land Kanaan. In de verhandeling over de toekomst van het Joodse volk in Rom. 9-11 ontbreekt immers een verwijzing naar het land.

Chr.J.H. Wright, 2004, 187-189.

Daarom beschouwt hij de omgang van Israël met het land als typologisch voor de koinonia van de kerk.

Chr.J.H. Wright, 196.

Waltke breidt dit uit tot een spirituele, transcendente en eschatologische benadering en meent dat het Nieuwe Testament de oude begrippen herinterpreteert. Het land Kanaan met melk en honing wordt een metafoor voor het leven in Christus, een verblijf in de hemel en een wereld die ons voorstellingsvermogen te boven gaat. De profetieën over het toestromen van de volken naar Sion, moeten gelezen worden als betrekking hebbend op het hemelse Jeruzalem of de nieuwe aarde.

B.K. Waltke, 2007, 558-587.

Het moet direct toegestemd worden dat concrete oudtestamentische beelden een geestelijke en symbolische betekenis in het Nieuwe Testament kunnen krijgen. Dat geldt bijvoorbeeld de vreemdelingschap en het bereiken van de rust in het land Kanaan (Heb. 3-4). Het is echter de vraag of daarmee de eerste betekenis vervalt, of dat deze gehandhaafd blijft. In de nieuwtestamentische wetenschap wordt in toenemende mate gebruikgemaakt van de talrijke geschriften uit de intertestamentaire pe- riode.

Vgl. het overzicht van L.R. Helver, 2004. Zie ook G. van den Brink, 2000.

Die werpen ook veel licht op de opvattingen ten aanzien van het land en Jeruzalem. Het is ondenkbaar in het jodendom (toen, in alle stromingen, en ook in de latere periode) dat het herstel van Israël zonder of buiten het land zou plaatsvinden.

Jezus heeft die Joodse verwachtingen wel bijgesteld, maar nergens geheel tegengesproken. Aan het begin van de Bergrede zegt Hij ‘Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten’ (Mat. 5:5; vgl. Ps. 37:5).

Vaak wordt met ‘aarde’ of ‘aardrijk’ vertaald, maar wv en nbv kiezen terecht voor ‘land’ overeenkomstig de overige keren dat het woord in Matteüs voorkomt (2:6; 2:20-21; 4:15). Zie L.W.G. Blokhuis, 1993, 28-29.

Ook sluiten de eerste drie zaligsprekingen nauw aan bij Jes. 61:13, een passage waarvan Jezus elders zegt dat deze in Hem tot vervulling is gekomen (Luc. 4:18-21) en die over het herstel van Israël in het land spreekt (Jes. 61:4-7). De Heiland kiest het symbolische aantal van twaalf discipelen, overeenkomstig de twaalf stammen, en zendt hen naar de dorpen en steden in Israël, niet daarbuiten (Mat. 10:5-6, 23; vgl. 15:24). Deze twaalf discipelen krijgen het vooruitzicht op twaalf tronen te zitten om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël (Mat. 19:28; vgl. Hand. 26:6-7).

Veel inwoners van Jeruzalem wijzen Jezus af, en daarom kondigt Hij het oordeel over de stad aan. Toch komt er in de toekomst een moment waarop zij Hem (als Messias) welkom zullen heten (Mat. 23:37-39).

De woorden uit Ps. 118:26 zijn een blijde welkomstroep. Deze woorden zijn ook al eerder gesproken, bij de intocht in Jeruzalem (Mat. 21:9), maar zij zullen in de toekomst in nog rijkere betekenis klinken.

Jeruzalem is de stad die door de heidenen vertrapt wordt, totdat de tijden van de heidenen vervuld zijn (Luc. 21:24).

Net voor de hemelvaart vragen de discipelen wanneer Jezus het koninkrijk over Israël gaat herstellen. Dat is een begrijpelijke vraag (Hand. 1:6; vgl. Luc. 1:31-33; 19:11; 24:21), en deze wordt niet tegengesproken; Jezus gaat slechts in op de tijdsbepaling (Hand. 1:7).

Vgl. C.J. van den Boogert, 2007.

De volgelingen krijgen de opdracht te getuigen in Jeruzalem, in Judea en Samaria, tot aan de grenzen van het land of de aarde (Hand. 1:8). Petrus kondigt in zijn toespraak ‘de wederoprichting van alle dingen’ aan, waarover de profeten hebben gesproken (Hand. 3:21). Bij alle profeten is dit het herstel van Israël, de terugkeer uit de ballingschap en het aanbreken van de heilstijd.

Vgl. M.J. Paul, 2007a.

De nadruk in het eerste deel van het boek Handelingen ligt op het Joodse volk (9:30). Pas vanaf Hand. 10 komen de heidenen in zicht. Tevens is het van belang dat Jeruzalem het centrum blijft van alle zendingsreizen en dat de gemeenten in de diaspora de gemeente in Jeruzalem blijven steunen, ook in financieel opzicht.

Vgl. S. Janse, 2000.

In het boek Openbaring wordt onderscheid gemaakt tussen de hon- derdvierenveertigduizend verzegelden uit de twaalf stammen van Israel en de grote schare uit alle volken (Op. 7).

Zie G. van den Brink, navolging van D.E. Aune.

In Op. 20 trekken Gog en Magog op naar ‘de legerplaats van de heiligen, de geliefde stad’, waarmee Jeruzalem bedoeld wordt (20:9). Na de vermelding van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde wordt een stad genoemd die uit de hemel neerdaalt op aarde; zij wordt het nieuwe Jeruzalem genoemd (21:1, 10). De overige volken mogen daar ook komen (21:24-26).

Diverse theologen stellen dat de landbelofte in Christus vervuld is, maar daarover hebben Hij en de apostelen geen uitspraken gedaan. De andere volken mogen delen in het heil (‘mede’ in Ef. 2:5-6), maar dat tast de positie van Israël niet aan. Zie voor argumenten M. van Campen en G.C. den Hertog (red.), Israël, land, volk en staat, 2005.

Dit korte overzicht laat zien dat de vele verwijzingen naar de aarde, het land en Jeruzalem in het Oude Testament van blijvend belang zijn.

Zie verder par. 12.4.6.

Al zijn er veranderingen in de loop der tijden te bespeuren, de fundamentele inzichten vanuit het Oude Testament blijven van belang, omdat Gods verkiezing via deze lijnen blijft lopen. Met de bedoeling dat dit zal uitlopen op de lofprijzing ‘Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid’ (Rom. 11:36).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken