Menu

Premium

10. Ordening in de preek

Onderdeel van Horen naar de stem van God

Het belangrijkste criterium voor de kunst van het preken is een heldere overeenstemming tussen de inhoud en de vorm.
Christoph Schwöbel

Christoph Schwöbel, ‘The Preacher’s Art: Preaching Theologically’, in: Colin E. Gunton, Theology through Preaching. Sermons for Brentwood. Edinburgh 2001, 1-20 (19).

Dogmatiek is de ruggengraat van de preek.
Eberhard Jüngel

Eberhard Jüngel, Die Leidenschaft Gott zu denken. Ein Gespräch über Denk- und Lebenserfahrungen. Zürich 2009, 58.

Stijl is naastenliefde in taal.
David Buttrick

David Buttrick, Homiletic…, 199.

De preek zoals die klinkt en gehoord wordt in de vergadering van de verzamelde gemeente, biedt de ontknoping van het hele preekproces. Daarmee is niet bedoeld dat het preekproces op dat moment ook is afgerond. Die afronding en verwerking heeft haar plaats in de hoofden en harten, in het bewustzijn en leven van de hoorders. Maar het ultieme kristallisatiepunt van het preekproces is toch wel dat de preek zelf geproduceerd wordt. Dat is de thematiek van dit laatste hoofdstuk. Het complexe proces van preekvisie en -methode leidt uiteindelijk tot de concrete gestalte van de preek zelf.
Daarmee komt uiteraard de vorm van de preek in beeld. Voor een belangrijk deel is dit hoofdstuk daar dan ook aan gewijd. Toch zou het een misleidende beperking zijn als de preekvorm hier exclusieve aandacht kreeg. Bij het terechte onderscheid tussen vorm en inhoud moet wel vastgesteld worden, dat een scheiding tussen die beide niet mogelijk is. De gekozen vorm zal altijd dienstdoen om een bepaalde inhoud door te geven. Dat houdt meteen in dat een gebrekkige vorm de presentatie van de inhoud sterk kan schaden. Ongetwijfeld gaan vorm en inhoud ergens in elkaar over, zonder dat dat punt altijd exact aan te wijzen is.

In een Bijbelgedeelte als Jesaja 1:2-9 wordt door het gebruik van specifieke beelden en het bijzondere taaleigen een confronterende sfeer opgeroepen, die niet alleen dienstbaar is aan de verkondigde inhoud (prediking van het oordeel), maar er eigenlijk zelfs deel van uit maakt. Een prediker die dit gedeelte als tekst kiest kan de hier gehanteerde vorm nauwelijks negeren zonder schade te doen aan de inhoud van de profetie.
C. Trimp, die 1 Kor. 1:17 en 2:1-5 bespreekt met het oog op de vraag of de Bijbel hier zelf zich niet verzet tegen precieze aandacht voor de preekvorm, laat zien dat hier inhoud en vorm van het gebrachte evangelie zeer nauw samenhangen. C. Trimp, De preek, 93-96.

Misschien is het daarom beter om te spreken over de vorm van de inhoud (en over de inhoud van de vorm). Daarmee is gezegd dat ook de inhoud zelf een structurerende kracht heeft in de communicatie.
Als dit hoofdstuk de ordening in de preek thematiseert komt in dat kader daarom niet alleen de uiterlijke preekvorm maar ook de meer verborgen rol van de theologie ter sprake.

Theologie als grammatica

Dat theologie een structurerende kracht binnen de preek is wordt duidelijk in de metafoor van theologie als grammatica (zie m.n. hoofdstuk 2, 3 en 6). Hoewel ze een verborgen rol speelt wordt in het communiceren voor de goede verstaander al snel duidelijk in hoeverre de spreker vertrouwd is met de grammatica van de gebezigde taal. Daarmee verheldert de metafoor ook dat het mobiliseren van theologie in het preekproces een deels onbewuste activiteit is. Grammatica kun je wel leren. Maar als je die eenmaal je eigen gemaakt hebt fungeert ze als een intern kompas bij het spreken. De grammatica zelf wordt namelijk niet uitgesproken, maar leidt een slapend bestaan (Noordmans) en stuurt zo op de achtergrond het communicatieproces. Op deze manier komt de onbewust sturende rol van de theologie in het preekproces helder uit. Niemand kan tijdens de preekvoorbereiding een dosis theologie invoegen alsof het een noodzakelijk ingrediënt in het proces is.

Walter Kaiser neemt die positie in als hij stelt dat in de meeste preekvoorbereiding theologische exegese het ‘ontbrekende ingrediënt’ is. Walter C. Kaiser jr, Toward an Exegetical Theology. Biblical Exegesis for Preaching and Teaching. Michigan 1985, 131.

Om die reden is in het werkschema preekvoorbereiding geen afzonderlijke stap voor de theologische overdenking opgenomen.

Het theologisch gehalte van een preek wordt vooral bepaald door de theologische houding en bagage van de prediker. Een grammatica is immers te formuleren in regels die structurerend werken. Dat is de manier waarop Jüngel het boven dit hoofdstuk aangebrachte motto hanteert. Hij laat zien hoe belangrijk het is dat de prediker in de dogmatiek geleerd heeft zijn denken over God onder woorden te brengen (de spreekregel formuleren). Maar hij pleit nadrukkelijk niet voor dogmatiek in de preek, omdat de prediker in de ‘taal van het volk de hoorders moet laten proeven hoe goed de Heer is’.

Jüngel, Die Leidenschaft Gott zu denken, 58.

Hier stuurt dus inderdaad de grammatica de taal aan. De prediker moet eerst theoloog willen zijn om ordenende kracht te kunnen ontwikkelen in zijn prediking. Dat stelt de prediker bovendien voor de verantwoordelijkheid actief aan zijn theologische vorming en bagage te blijven werken. Maar die hoeft niet noodzakelijkerwijs rechtstreeks aan de preekvoorbereiding verbonden te zijn.
Intussen is het natuurlijk wel mogelijk en soms ook noodzakelijk dat tijdens de preekvoorbereiding stilgestaan wordt bij theologische vragen die specifiek in de preektekst een rol spelen. Maar ook dan komt het erop aan dat alles er op gericht is dat de theologische overweging geen preekinhoud wordt

J. Muis wijst er terecht op dat als de dogmatische reflectie zelf deel gaat uitmaken van de preek het risico dreigt dat de preek eerder de oplossing van een bepaald probleem aan de orde stelt dan het evangelie. Dat verhindert dat tekst en hoorder met elkaar in contact komen. Jan Muis, ‘De prediking en de dogmatiek’, in: Henk van der Meulen (red.), Als een leerling leren preken. Preekvoorbereiding stapsgewijs. Zoetermeer 2008, 71-79 (78 v.).

, maar sturend voor het proces en de uiteindelijke preek. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt een structuurmethode (van David Buttrick) besproken die hier op een creatieve wijze in voorziet.
Een nadere concretisering van de rol van de theologie in het preekvoorbereidingsproces biedt de Duitse homileet Martin Nicol.

Martin Nicol, ‘Predigtkunst vs. Lehre von Gott? Zur Rolle von Dogmatik in der homiletischen Arbeit’, in: Michael Krug/Ruth Lödel/Johannes Rehm (Hrsg.), Beim Wort nehmen. Die Schrift als Zentrum für kirchliches Reden und Gestalten. Friedrich Mildenberger zum 75. Geburtstag. Stuttgart 2004, 330-340.

Evenals Vanhoozer (zie hoofdstuk 5) ziet hij een dramaturgische rol weggelegd voor de dogmatiek. Als de klassieke valkuil signaleert hij dat de preek wordt opgevat als illustratie van de dogmatische bezinning. De preek moet dan zichtbaar maken en in het praktische leven toepassen wat in de theologische reflectie is overdacht. Bij die verhouding gebeurt het eigenlijke werk in de theologie zelf en degradeert de preek tot toegepaste dogmatiek. In de preek gaat het daarentegen om de enscenering van het heil in het hier en nu. Daarvoor is een theologie nodig met dramaturgische kracht, dat wil zeggen dat ze inhoudelijk richtinggevend is om in die concrete enscenering uitdrukking te geven en recht te doen aan het overkoepelende drama van Gods heil. Dan ligt het zwaartepunt ook metterdaad waar het hoort: in de concrete uitdeling en communicatie van Gods heil.

De grammatica-metafoor voor theologie lijkt ook bruikbaar om de verhouding tussen vorm en inhoud te articuleren. Dat kan al duidelijk worden aan de klassieke preektypen die Dingemans noemt. Hij onderscheidt er vier: preek als kerygma, didache, martyrion en homilia.

Dingemans, Als hoorder onder de hoorders, 37-42.

Het valt op dat hij in dat verband aan de ene kant spreekt over theologische spreekwijzen en aan de andere kant over vormen van preken. Dat is ook het bijzondere bij deze klassieke preektypen. Het is de inhoudelijke theologische visie die vraagt om de daarop afgestemde vorm en in zekere zin die vorm zelfs met zich mee brengt. Wie de preek opvat als onderricht zal een lerende vorm kiezen. Uiteraard is daarmee nog lang niet alles mee gezegd de vorm, maar de basiskeus wordt wel duidelijk geïnspireerd door de theologische visie. R. de Vries geeft daar nog eens een toegespitst profiel aan door de genoemde typen te verbinden aan de prediker-profielen (Long) van respectievelijk heraut, leraar, getuige en pastor, aangevuld met de verteller met de bijpassende narratieve preekvorm

Reyer de Vries, ‘De opbouw van de preek’, 101.

. Zo ontstaan min of meer herkenbare homiletische basismodellen. Maar meer dan een basismodel is dat nog niet te noemen omdat er vervolgens nog veel beslissingen vallen over de exacte vorm die de preek zal krijgen.

Drieslag en preekvorm

De homiletische drieslag vervult ook op dit punt een bruikbare zoekfunctie bij het bepalen van de uiteindelijke vorm. Tekst, prediker en hoorder hebben alle drie hun eigen impact op dit punt.
De tekst zelf is daarbij uiteraard een eerste gegeven. Die heeft vaak een specifieke vorm en structuur. Voor de prediker is dat een belangrijk uitgangspunt. Die moet zich afvragen of de zegging van de tekst tot zijn recht komt in de vorm keus die hij maakt. Het is zelfs denkbaar dat de prediker, die altijd uitgaat van hetzelfde basismodel hier op de grenzen van zijn eigen visie stuit (of, mogelijk onbewust, voor een begrensde tekstkeus kiest). Taalkleed en structuur van een poëtisch Bijbelgedeelte kunnen bijvoorbeeld bij een vooral lerend gekozen preekvorm sterk onder druk komen te staan. De diversiteit in tekstgenres laat zien dat de bijbelschrijvers zelf ook over een spectrum aan uitdrukkingsmogelijkheden beschikten en die metterdaad wisten aan te wenden.

Als Paulus in 1 Korintiërs 13 in een brief, met een voornamelijk betogende schrijftrant plotseling een poëtische toonhoogte aanslaat is daarmee meteen gecommuniceerd hoe goddelijk bijzonder de weg is die hij wijst. De gekozen vorm is hier duidelijk vorm van de inhoud.

In de tweede plaats speelt de prediker zelf ook een belangrijke rol. Om te beginnen heeft elke prediker zijn eigen mogelijkheden en grenzen bij het inzetten van communicatiemiddelen. De verschillen zijn daarbij soms aanzienlijk. Die kunnen bovendien sterk contextueel gekleurd zijn. Ook in de Bijbel zijn daar van sterke voorbeelden te vinden.

Opvallend is bijvoorbeeld het verschil in (taal)vorm tussen Jesaja 3:16-23 en Amos 4:1-3 terwijl het thema van beide profetieën in hoge mate parallel loopt. De verschillen zijn hier duidelijk terug te voeren op de persoonlijkheid van beide predikers.

Maar daarnaast speelt uiteraard de eigen preekvisie van de prediker een belangrijke rol. Later in dit hoofdstuk kom ik daar nader op terug bij de bespreking van de verschillende dimensies die te onderscheiden bij de keuzes voor structuur en vorm.
Tenslotte is de hoorder een factor van belang bij het bepalen van de preekstructuur. Om effectief te communiceren met de hoorder zal de prediker alles moeten doen om een adequate ordening in de preek aan te brengen. Het motto van Buttrick, dat boven dit hoofdstuk is opgenomen is bijzonder to the point. Wie met het evangelie van Gods liefde de ander wil bereiken mag in zijn preekpraktijk zich door die liefde laten leiden in het kiezen van vorm en structuur. Hoewel het aspect hier zich laat benoemen als vormkwestie is daarmee tegelijkertijd fraai aangegeven dat het allerminst een ‘formeel’ aspect is. Ook hier is de inhoudelijke boodschap sturend voor de te maken keus.

Ordening in dimensies

Om vervolgens het thema van dit hoofdstuk concreet uit te werken wordt in het vervolg gewerkt met een onderscheid in drie structuurdimensies, die alle drie hun eigen functie binnen het geheel hebben. Te weten dimensies op macro-, meso– en microniveau. De hoofdstructuur (macro) is beslissend voor het totaalconcept van de preek, op mesoniveau vallen de beslissingen voor de interne ontwikkeling van het concept, terwijl de detaillering plaats vindt op het microniveau. De eigenheid van elke dimensie is als volgt weer te geven:

De eigenheid van de verschillende dimensies ligt voor de hand. In de hoofdstructuur van een toespraak valt de beslissing over het grondconcept. Daarmee is het overzicht over het geheel gegeven, waarbinnen vervolgens de spanningsbogen worden uitgezet. De interne opbouw van die spanningsbogen geeft vervolgens ruimte voor de ontwikkeling van de toespraak. Op dit niveau vallen de inhoudelijke beslissingen: komt de ontvouwing van de boodschap tot haar recht? En vervolgens vindt de detaillerende ordening plaats op het microniveau van de formulering van ‘passages’ en uiteindelijk de zinsvorming. Daar wordt het verhaal concreet.
Overigens wil dat niet zeggen dat ordening op dit microniveau ook werkelijk plaats vindt per afzonderlijk te kiezen formulering. Eerder is het zo dat aan dat proces een conceptuele keus ten grondslag ligt. Maar die kristalliseert zich wel uit op het niveau van de zinsvorming. De conceptuele keus die hier een beslissend impact heeft is die van de taalvorm. Een bekend onderscheid dat in dit verband rond preekvormen gemaakt wordt is dat tussen betoog, verhaal en beeld.

Vgl. David J. Schlafer, ‘Where does the preacher stand? Image, Narrative and Argument as Basic Strategies for Shaping Sermon’, in: Homiletic 19 (1994) 1, 1-5.

De taalvorm van het betoog zoekt zijn kracht in de logische (zins)opbouw, in een argumentatieve opzet, die vaak gericht is op het overtuigen van de hoorder, of op het bieden van een helder referentiekader voor geloofsovertuigingen (de leerpreek). In een vertellende preek is veel meer ruimte om de hoorders mee te nemen in de beweging van het verhaal. Hier liggen veel mogelijkheden om het identificatieproces bij de hoorders te stimuleren, waardoor ze zich zelf mede opgenomen gaan voelen in het grote verhaal van Gods heil. Een beeldende preek kan grote kracht hebben in het uitdiepen van (bijbelse) metaforen. Veel hoorders krijgen door stimulering van de verbeelding een voor hen waardevolle toegang tot het geheim van het evangelie, zonder dat dat geheim zelf aangetast wordt.

Het is duidelijk dat hier sprake is van een conceptuele keus die als zodanig thuishoort bij het formuleren van de doelstelling. Het gaat hier immers om de keus voor de taalmiddelen die geschikt zijn om de geformuleerde doelen te bereiken. Intussen blijft het een feit dat de uitwerking van die keus plaatsvindt op het microniveau van de zinsvorming. Dat geldt eveneens en misschien nog wel op een iets meer gecompliceerde wijze voor de gehanteerde taalklassen. Met dat begrip duiden we soorten taaldaden aan. die in hun diversiteit een eigen rol en functie hebben in talige communicatie.
Op dit punt is baanbrekend werk verricht door Habermas. Terwijl zijn werk primair betekenis had in taalfilosofisch en sociologisch kader werden zijn inzichten later ook homiletisch verwerkt toen men het belang van zijn onderscheidingen inzag voor de reflectie op het preekgebeuren. Habermas onderscheidt in eerste instantie vier taalklassen.

Jürgen Habermas, ‘Vorbereitende Bemerkungen zu einer Theorie der kommunikativen Kompetenz’, in: H. Holze und K. Steinbacher (Hg), Sprache und Gesellschaft. Hamburg 1972, 208-236. Zoals gezegd brengt Habermas dit onderscheid in eerste instantie aan. Later komt hij zelfs tot een indeling in wel zes verschillende klassen. Bespreking daarvan is op dit moment minder relevant.

Allereerst zijn er communicativa, waarmee taaldaden worden aangeduid die de communicatie als zodanig aanduiden (bijbehorende werkwoorden: zeggen, spreken, vragen, antwoorden enz.). Vervolgens zijn er constativa te onderscheiden: taaldaden die zich richten op de betekenis van gedane uitspraken (bijbehorende werkwoorden: beweren, meedelen, verklaren, betekenen, betwijfelen enz.). Een derde categorie noemt hij representatativa: taaldaden die zich richten op wat de communicator met betrekking zich zelf tot uitdrukking brengt (bijbehorende werkwoorden: onthullen, verbergen, voorspiegelen, verzwijgen enz.). Een laatste categorie vormen de regulativa: taaldaden die iets zeggen over de relatie tussen communicator en hoorder (bijbehorende werkwoorden: opdragen, eisen, beloven, waarschuwen, adviseren enz.).

Hoewel het overzicht een wat abstracte indruk kan maken blijkt het in de praktijk van de prediking toch een heel relevant aspect te zijn. Uiteraard zal elke preek in de praktijk een mengvorm van de diverse taaldaden te zien geven.

Overigens is in de homiletische discussie de genoemde indeling in taalklassen ook wel gehanteerd als een uitgewerkte typologie in preeksoorten. Zie bijvoorbeeld Manfred Haustein, ‘Sprachgestalten der Verkündigung’, in: K.H. Bieritz et al, Handbuch der Predigt. Berlin 1990, 459-496. Ook daarbij gaat het uiteraard om mengvormen waarbij een bepaalde taalklasse domineert. In een nauwkeurige bespreking daarvan laat hij met treffende voorbeelden tegelijkertijd de eigen kracht van de gehanteerde stijlmiddelen zien.
Een meer toegankelijke variant op deze communicatieve theorie is in Nederland binnen de communicatieleer bekend geworden als het onderscheid tussen het zakelijke aspect van de boodschap (de inhoud), het expressieve aspect (informatie over de communicator), het relationele aspect (informatie over de manier waarop de communicator zich verhoudt tot de hoorder) en het appellerende aspect (de invloed die de communicator op de hoorder wil uitoefenen). Zie bijvoorbeeld F. Schulz von Thun, Hoe bedoelt u? Groningen 2002.

Empirisch onderzoek heeft uitgewezen dat in een preek waarin constativa domineren het relationele aspect sterk te lijden heeft.

H.W. Dannowski, Kompendium der Predigtlehre, 123.

Terwijl het informatieve en kennisaspect het volle pond krijgt kan weinig verwacht worden van de vormende kracht van een dergelijke preek.
In het voorgaande is intussen duidelijk geworden dat er een interne samenhang tussen de genoemde structuurdimensies waar te nemen is hoewel die lastig te duiden blijft. Het valt dan ook op dat bij de homiletische bespreking van preekstructuren die samenhang zelden aangewezen wordt. Hoewel die ook lang niet altijd dwingend aanwezig is, valt toch wel te begrijpen, dat enige intrinsieke samenhang gegeven is. De klassieke synthetisch-analytische preekstructuur heeft in de Gereformeerde traditie een prominente plaats ingenomen.

Bij Hoekstra is het de enige optie.

Intussen is dit ook, gelet op zijn afkomst uit de retorica, een structuur die typisch in dienst staat van een cognitief betoog. Een grote kwaliteit van de synthetische preekstructuur is dan ook de overzichtelijkheid op macroniveau.

Terzijde moet daarbij wel opgemerkt wordt dat de methode niet voorziet in stucturering op mesoniveau.

Zo kon bij deze structuur de preek als leerrede gouden tijden doormaken. Het ligt dan ook voor de hand dat bij deze preekstructuur vaak de taalklasse van de constatieven gekozen werd. Tegelijkertijd was dat voor de beweging van de New Homiletic reden genoeg om hard af te rekenen met deze methode. Wat hoorders in de huidige cultuur nodig hebben is niet zo zeer een argumentatief betoog dat hen wil overtuigen van de waarheid (alsof de boodschap bewezen moet worden). Er is een communicatievorm nodig die meer recht doet aan de krachtige werking van de preek als taaldaad, zodat de transformerende werking van het Woord ook in de talige vorm gestalte krijgt.

Vgl. David James Randolph, The renewal of preaching. A new homiletic based on the new hermeneutic. Philadelphia 1969, m.n. 18-36.

Een preekstructuur met ordenende kracht

Bespreking van de diverse preekstructuren valt buiten bestek van dit hoofdstuk. Als het al mogelijk zou zijn daarvan een overzicht te bieden dan nog zou de daarvoor benodigde ruimte de proporties van deze studie te buiten gaan. Dat hangt niet alleen samen met de divergerende ontwikkelingen op dit punt tot nu toe.

Een goed oriënterend overzicht in de vorm van een bloemlezing met een heldere thematische geleding biedt Ronald J. Allen, Patterns of Preaching. A Sermon Sampler. St.Louis 1998.

Voor een zorgvuldige bespreking van een preekstructuur is doorgaans ook aandacht nodig voor de daarmee samenhangende preekvisie.

Om die reden bespreek ik hier slechts één meer recente structuurmethode, die overigens ruimschoots de aandacht getrokken heeft in de discussie: de moves-methode van David Buttrick.

David Buttrick, Homiletic. Moves and Structures. Londen 1987.

De invalshoek die hij voor zijn homiletiek kiest is uniek. Terwijl de homiletische bezinning doorgaans haar uitgangspunt zoekt in een preekvisie en vervolgens praktisch het startpunt bij de (keuze voor de) preektekst kiest, stelt Buttrick voor aan de andere kant van het preekproces te starten. Wat gebeurt in het bewustzijn van de hoorder? Dat is de vraag die hij als uitgangspunt van zijn homiletiek maakt. Voor de beantwoording van die vraag concentreert hij zich op de performatieve kracht van taal. Dat is voor hem het exclusieve middel waar de prediker over beschikt in het preekproces. Dat brengt hem er toe brede aandacht te schenken aan de structuur die nodig is om het proces bij de hoorder in beweging te zetten. Hij presenteert in dat kader zijn structuur als een talige beweging van de ene te communiceren gedachte naar de andere, waarbij de hoorder wordt uitgenodigd die beweging mee te maken.
Om te verhelderen hoe dat gerealiseerd wordt gebruikt hij de metafoor van de foto. Aan het begin van de move wordt de te communiceren gedachte krachtig neergezet. Het is als het ware de uitnodiging aan de hoorders om de lens van hun bewustzijn scherp te stellen. Vervolgens komt de move (in gemiddeld 400 tot 500 woorden) tot ontwikkeling door de menging en confrontatie van drie componenten: het theologisch materiaal dat aan de tekst ontleend wordt en relevant is voor de te communiceren gedachte, mogelijke weerstanden tegen die gedachte die bij de hoorders zouden kunnen leven en een beeld uit de geleefde werkelijkheid dat analogisch kan staan voor de te communiceren gedachte (Buttrick zelf gebruikt daarvoor vaak bekende elementen uit de filmwereld of andere gegevens uit de populaire cultuur). Door het spel van licht en donker dat in dit proces mening ontstaat komt langzamerhand het beoogde beeld naar voren (het wordt als een foto ontwikkeld) tot aan het eind van de move de gedachte expliciet herhaald wordt en met kracht gecommuniceerd. Op dat moment hebben de hoorders het proces helemaal meegemaakt en is het beeld gevormd in hun bewustzijn.

Zie bijlage 4 voor een gedetailleerd stappenplan bij het ontwerpen en schrijven van een move.

Door schakeling van (doorgaans 5 tot 6) moves ontstaat de basisstructuur van de preek. Deze is rechtstreeks gerelateerd aan de oorspronkelijke plot van de preektekst maar kan om theologische of communicatieve redenen ge-replot worden.

De kracht van deze structuurmethode ligt ongetwijfeld in de zorgvuldige aandacht voor het proces en de middelen waarmee de prediker de hoorder kan bereiken. Toch lijkt die kracht tegelijkertijd de zwakte te kunnen worden. Want bij dit alles komt natuurlijk de vraag op of Buttrick hiermee niet volledig inzet op de preek an sich’. Door de fenomenologie van de taal als exclusief uitgangspunt te nemen komt in zijn homiletiek de volle nadruk te liggen op de werking van de menselijke communicatie. De (spaarzame) kritiek die op Buttricks concept is uitgebracht concentreert zich vrijwel steeds op dit aspect.

Zie Thomas G. Long, ‘And How Shall They Hear?’, in: Thomas G. Long and Gail R. O’Day (eds.), Listening to the Word. Studies in Honor of Fred B. Craddock, Nashville 1993, 167-188 (184) en David M. Greenhaw, ‘The Formation of Consciousness’, in: Thomas G. Long and Edward Farley (eds.), Preaching as a Theological Task. World, Gospel , Scripture, In Honor of David Buttrick. Louisville 1996, 1-16 (13).

Het is alsof hij alles verwacht van één preek. Daar moet het gebeuren. De performatieve kracht van Gods taaldaad in het geschenk van de Bijbel komt in dat alles niet tot uitdrukking. Het is de achilleshiel van Buttricks concept dat hij slechts tot een theologie van de preek achteraf komt, maar ook daar het theologisch primaat van de Schrift niet honoreert.

Buttrick, Homiletic, 453-456, vgl. David G. Buttrick, The Mystery and the Passion. A Homiletic Reading of the Gospel Traditions. Minneapolis 1992, 95-98.

Het lijkt er dus op dat Buttrick de crisis waarin de preek ook in Noord Amerika was beland heeft willen bezweren met een al te menselijk uitweg in de communicatieve kwaliteit van de preek.
Het is van belang die achtergrond te honoreren bij de evaluatie van Buttricks werk. Dat helpt om het door hem geboden concept te blijven relativeren als het kwetsbare mensenwerk waarmee we in de prediking ons moeten behelpen. Het is de Geest die het geloof werkt en daarbij wel mensen wil inschakelen maar niet van hen afhankelijk is. Vanuit die invalshoek valt dan nog altijd te noteren dat de moves-methode van Buttrick belangrijke kwaliteiten heeft:

  • de methode is bijzonder helpend om de hoorders te bewegen al meedenkend te participeren in het preekproces. Voor een preekvisie die haar focus heeft in het actief horen naar Gods Woord is dat methodisch een belangrijke invalshoek.

  • de prediker die deze methode gebruikt kiest daarmee bij voorbaat voor een methode die hem helpt de boodschap te communiceren in de werkelijkheid van de hoorders.

  • als één van de weinige preekstructuren biedt deze methode gerichte hulp en houvast voor het aanbrengen van structuur op mesoniveau.

  • bij de analyse van de tekst en het ontwerp van de moves is de vraag naar verwerking van het theologisch materiaal permanent expliciet aan de orde.

Al met al redenen genoeg om een methode als deze in de praktijk te beproeven op zijn bruikbaarheid binnen de hier voorgestane preekvisie.

Binnen een preekvisie die haar kracht zoekt in het hoorbaar maken van de stem van God kan zo’n methode in handen van de Geest een belangrijk middel zijn om het doel te bereiken: dat de hoorders zich gewonnen geven aan God. Met die overweging heeft ook dit methodische hoofdstuk een plaats in de kern van homiletiek en preek.

Een open proces

In de laatste hoofdstukken van dit boek was de aandacht sterk gericht op de vraag naar het hoe van de preek. Die concentratie op methodiek brengt een focus op effectiviteit met zich mee. Bereikt de prediker zijn doelstelling en is de ordening van de preek ook helpend voor de hoorders? Dat zijn vragen waar een concreet antwoord op moet komen. Als hoorders en prediker zichzelf en elkaar serieus nemen levert dat ook gespreksstof genoeg op rond de preek, waarbij ook de vraag naar de doeltreffendheid van de communicatie van belang is. Tegelijkertijd is daarmee de kern niet per definitie geraakt. In de geboden preekdefinitie (hoofdstuk 7) is communicatie aangewezen als het scharnierpunt. Tegelijkertijd is het ook aangewezen als een interne relativering. Het is van belang die relativering bij alle aandacht voor methode opnieuw te doordenken. Er is namelijk geen enkele methode die ons grip doet krijgen op het wonder dat zich in de prediking voltrekt. Horen voltrekt zich in eerste instantie wel in het zintuiglijke proces van spreken en luisteren. De prediker heeft daarin zijn eigen verantwoordelijkheid, evenals de hoorder, die immers in eigen leven verder spint aan de preek. Maar het diepste horen vindt plaats daar waar een mens zich gewonnen geeft aan Gods belovende spreken. Dat leert prediker en hoorder te zien hoe het preekgebeuren een open proces is.
‘Lang voordat moderne kunsttheorieën ons er aan herinnerden dat elk waarachtig kunstwerk een open kunstwerk moet zijn – open voor waardering en interpretatie door de recipiënten – wisten christelijke predikers al dat elke goede preeknoodzakelijk open moet zijn voor de bekrachtiging van de boodschap door het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten. Waar een preek in zichzelf compleet is, een voltooid meesterstuk van spirituele retorica, verraadt dat feit dat de prediker niet verwacht dat de aanspraak, begonnen door menselijke woorden van getuigenis, door God de Geest zelf zal worden bevestigd. Dat is dan een blinde vlek in de preek en in de theologie. De kunst van theologisch preken bestaat in het presenteren van een preek die open is om door God voltooid te worden, het bestaat in het vertellen van een onvoltooid verhaal – omdat God ons zo veel meer te vertellen heeft.’

Christoph Schwöbel, ‘The Preacher’s Art: Preaching Theologically’, 20.

Oudste van dagen,

U hebt mijn pril bestaan gevormd, gewild, mij boven

alles wat geen naam had uitgetild. Er was nog geen sprake van mij, of

u was er, en u zag mij. En niet in wat ik was, maar in

uw liefdevolle blik

lag mijn redding besloten.

U hebt mij bij de hand gepakt, geschoold en geroepen.

En alles wat ik leerde, Heer, besef ik nu, was slechts grammatica

van u. En ondertussen werd u gaandeweg een vers, een adem en een vuur,

u was er, en u zag mij. En niet in wat ik bij elkaar studeerde, maar in

uw liefdevolle blik

lag mijn redding besloten.

U leidde mij uw kudde in, pokt en mazelt mij in een weerbarstige

prachtige praktijk. Waarin ik worstel, onderga en bovenkom om beurten,

en beurtelings bemoedig en vermaan, aanspoor en aarzel, maar God,

u bent er, en u ziet mij. En niet in wat ik worstel of geniet, maar in

uw liefdevolle blik

ligt mijn redding besloten.

U leidt mij voor uw kudde, ook straks weer. Zoveel schapen, zoveel oren, zoveel

onmacht van woorden, zoveel in mij dat tussen hen en u kan instaan, God, ik span mij

tot het uiterste in om uw schapen te weiden, maar Vader in de hemel, Vader,

u bent er, en u ziet mij. En niet in mijn mekkeren en niet in dat van hen, maar in

uw liefdevolle blik

ligt mijn redding besloten.

Rien van den Berg

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken