Menu

Premium

12. Het Nieuwe Testament als voortzetting en voltooiing van het Oude Testament

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

De christelijke kerk heeft de heilige boeken van het volk Israël altijd geaccepteerd als het eerste deel van Gods openbaring. Na verloop van tijd ontstond de term ‘Oude Testament’ om de verzameling geschriften van Israël aan te duiden, evenals de term ‘Nieuwe Testament’ voor de latere openbaring betreffende Jezus Christus. De verhouding tussen beide delen van de Bijbel is nooit gemakkelijk geweest en allerlei benaderingen zijn voorgesteld. In dit artikel proberen we de samenhang tussen beide delen naar voren te brengen, om te laten zien hoe een literaire benadering van de theologie van hetoteen bijdrage levert voor een totale bijbelse theologie die ook het NT omvat.

Een structureel canonieke benadering

De opbouw van de canon van het Oude en Nieuwe Testament

Een formele vergelijking

De Priestercanon,bestaande uit de geopenbaarde Tora (Genesis-Deuteronomium) en de gedemonstreerde Tora (Jozua-Koningen)

De Profetencanon (Jeremia-Maleachi)

De Wijsheidscanon (Ruth-Kronieken).

Het Nieuwe Testament kreeg in de eerste eeuwen van onze jaartelling de volgende indeling: Evangeliën, Handelingen, Brieven en Openbaring. De volgorde van de brieven varieert in de overgeleverde handschriften: soms gaan de algemene brieven voorop, andere keren – zoals in onze gedrukte bijbels – de brieven van Paulus.

Wellicht heeft dat te maken met de volgorde in het boek Handelingen, waarin eerst Petrus en daarna Paulus besproken wordt. De tweede volgorde kan bepaald zijn doordat het boek Handelingen eindigt met de reizen van Paulus en doordat de Brief aan de Romeinen een algemeen en funderend karakter heeft. Vgl. G. Goswell, 2010, 234-235.

Het is de moeite waard om te zien of er een bepaald ordeningsprincipe achter deze indeling zit. In bepaalde opzichten is dat een chronologische volgorde van de inhoud die zij beschrijven: de Evangeliën betreffen het leven en de taak van Jezus en de toerusting van zijn leerlingen. Na zijn hemelvaart gaan zij de opgedragen taken vervullen en verkondigen zij de boodschap van Jezus Christus. Het boek Handelingen laat zien hoe dit gebeurt en toont het ontstaan van gemeenten van gelovigen in Jezus Christus uit de Joden en uit de volken. Handelingen verschaft ook achtergrondinformatie bij de brieven die door de apostelen verzonden zijn. Na de vele brieven sluit het boek Openbaring met zijn eschatologische boodschap de canon af. De hoofdindeling is daarmee vooral bepaald door genre en chronologie, en soms door auteurschap.

Het was ook denkbaar dat de twee boeken van Lucas (Evangelie en Handelingen) en de geschriften van johannes (Evangelie, brieven, Openbaring) bij elkaar geplaatst waren. De brieven van de afzonderlijke apostelen zijn wel bij elkaar geplaatst.

Bij het boek Hebreeën zijn er historisch veel verschillen in plaatsing te ontdekken: meermalen staat dit boek tussen de paulinische brieven. In de huidige plaatsing – waar wij hier van uitgaan – wordt het auteurschap in het midden gelaten en vervult deze bijzondere brief een brugfunctie tussen de paulinische en de algemene brieven.

In het verleden heeft R. Bijlsma voor hetnteen indeling in drie gedeelten voorgesteld, in parallellie met het ot.

R. Bijlsma, 1959, 284.

Bij hem ziet dat er als volgt uit:

Tora

Evangeliën

Profeten

Handelingen, brieven van Paulus, Hebreeën

Geschriften

Algemene brieven en Openbaring

Deze indeling is in bepaalde opzichten aantrekkelijk.

Het voordeel van deze indeling is de parallelle opbouw. Historisch rijst echter de vraag of de overeenkomsten zo bedoeld zijn. De boeken van het nt zijn voor het grootste deel wel in een vroeg stadium erkend, maar er bleven ook omstreden boeken. In de Canon Muratori (rond 170) worden voor het eerst – voor zover ons bekend – bijna alle canonieke boeken genoemd. De oudste ons bekende lijst met 27 boeken van het nt is afkomstig van een paasbrief van Athanasius, bisschop van Alexandrië, uit het jaar 367. Daarna komen enige concilies die de canon officieel bekrachtigen. In die tijd was echter de Septuaginta gangbaar met een vierdeling van de canon (Tora, historische boeken, wijsheid, profeten). De Vetus Latina circuleerde in gedeelten, zodat daaruit weinig op te maken valt over de vorm van de canon. Hiëronymus neemt rond 400 de indeling van de Septuaginta over voor de Latijnse Vulgata. Vgl. E.F. Harrison, 1977, 103-109. Op grond hiervan zou ook verdedigd kunnen worden dat de opbouw van het nt een vierdeling kent: Evangeliën (funderend), Handelingen (historisch), brieven (wijsheid), Openbaring (profetisch, toekomst). Vgl. ook L.M. McDonald, 2007.

De Evangeliën vormen de Onderwijzing (Tora). Het boek Handelingen goed als een historische inleiding tot de dertien brieven van Paulus gezien worden, samen met Hebreeën. Het boek Handelingen fungeert als historisch kader voor de brieven van Paulus, net zoals Jozua – Koningen (vooral Koningen) dat doen voor de schriftprofeten. Het derde deel kunnen we inderdaad als wijsheid bestempelen. De brief van Jakobus is een wijsheidsbrief bij uitstek. Hij stelt aan het begin de vraag naar de wijsheid. Openbaring is een apocalyptisch geschrift. Het apocalyptische geschrift bij uitstek van het ot, het boek Daniël, is ook een wijsheidsgeschrift en behoort tot de Geschriften. Daartussen liggen de algemene brieven, die door hun algemeenheid als wijsheid kunnen functioneren.

De indeling van Bijlsma is echter niet de enige mogelijkheid om tot een driedeling te komen. Het boek Handelingen zet de historische lijn voort die in de Evangeliën is begonnen. Het fungeert als demonstratie hoe de opdracht van Jezus in de praktijk uitgevoerd wordt en is niet alleen de historische achtergrond van de brieven van Paulus. In overeenstemming met de situatie in hetotkunnen we de Evangeliën en Handelingen beschouwen als Onderwijzing en Gedemonstreerde Onderwijzing van het nt.

De brieven van Paulus vormen een heel eigen afdelingscorpus. De volgorde van de brieven wordt voor een belangrijk gedeelte bepaald door de rangschikking van groot naar klein, uitlopend op de zeer kleine brief aan Filemon. De brief aan de Hebreeën is groot en geeft daardoor de indruk dat er een nieuwe aanzet is gekomen. Hebreeën is anoniem, en dat is tegen de gewoonte in de brieven van Paulus.

Het is mogelijk dat Paulus toch deze brief geschreven heeft, maar door de grootte, anonieme status en inhoud lijkt een nieuwe categorie geschriften aan te vangen. In de vroege kerk zijn er aanwijzingen voor het auteurschap van Paulus, waarbij Origenes onderscheid maakt tussen de inhoud en de stijl die van een ander kan zijn (Eusebius, Kerkgeschiedenis, vi.25; vgl. iii.38). Vgl. Ph.E. Hughes, 1977, 21.

Dit geschrift is ook een typische wijsheidsbrief. Daardoor Hebreeën een begin vormen voor de derde verzameling van diverse wijsheidsgeschriften. Op grond hiervan is de volgende indeling mogelijk van het slot van de canon van het nt: Hebreeën als inleiding, de algemene brieven als middendeel en Openbaring als afsluiting.

H.J. Koorevaar, 2010-2011 [a], 35-36 (§ 7. ‘A structural-canonical theology of the Old Testament in connection with the New Testament’, 33-37).

OT

Typering OT

NT

Typering NT

Tora Geopenbaard onderwijs

Funderend, onderwijzing. Nieuw begin van de mensheid vanaf Abraham. Gods onderwijs.

Evangeliën

nt: Jezus uit geslacht van David, via Jojachin. Onderwijs in leer en leven. Grondleggend stadium.

Gedemonstreerde Tora

Goed begin (Jozua), verslapping (Richteren/Rechters), open einde (2 Kon. 25).

Praktisch leven in nieuw gebied, Kanaan.

Handelingen

Goed begin en daarna diverse crises in gemeenten. Wat komt er terecht van de opdracht? Nieuw gebied: ook de volken. Achtergrond van de volgende brieven van de apostelen.

Profeten

Begeleidend, corrigerend.

Brieven van Paulus

Begeleidend, corrigerend

Geschriften

Wijsheid, apocalyptiek (Dan.).

Hebreeën, Algemene brieven, Openbaring

Praktische levenswijsheid (hoe met elkaar omgaan). Ook veel toekomstverwachting bij Petrus.

Op.: ook liederen.

Bij de algemene brieven behandelt jakobus nadrukkelijk het thema ‘wijsheid’ (jak. 1:4-8). Het boek Openbaring is apocalyptisch van aard, te vergelijken met het boek Daniël in de slotafdeling van het ot. In hetNTstaan de liederen (te vergelijken met de Psalmen) in het boek Openbaring.

Het eerste en het laatste boek van het nt: Matteüs en Openbaring

Ongeacht de precieze rangschikking van de bijbelboeken zijn er opmerkelijke samenhangen tussen het Evangelie naar Matteüs en Openbaring enerzijds en de boeken Kronieken en Genesis anderzijds.

In hetotis Kronieken het laatste boek en in hetntMatteüs het eerste. Kronieken is een boek dat begint met geslachtsregisters die aanvangen met Adam, en dat eindigt met de oproep om de nieuwe tempel te bouwen. Matteüs begint net als Kronieken met een stamboom (Mat. 1:1-17). Het is de stamboom van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham (Mat. 1:1). Het lijkt erop dat Matteüs verdergaat met de chronologie van Kronieken.

Zie ook par. 3.3.8.

Het boek Openbaring omspant de gehele geschiedenis van de gemeente op aarde tot Jezus’ terugkomst en het aanbreken van de eeuwigheid. De vele rampen in het boek die grote delen van de wereld verwoesten, doen denken aan de wereldwijde ramp van de zondvloed. Er zijn nog meer overeenkomsten met het begin van Genesis: de schepping, het paradijs, de Boom des levens, de draak als de oude slang, te weten de duivel of Satan. De dood die in Gen. 3 zijn intrede deed, wordt vernietigd.

Vooral in Op. 16-22: a) de vernietiging van Babylon als Sodom en Gomorra (Gen. 11; 18-19; Op. 16); b) kunst, rijkdom, uitvindingen in Babylon, als Kaïn (Gen. 4; Op. 17); c) verwijzing naar de grondlegging van de wereld, (Op. 17:8); d) de draak – de oude slang – duivel – Satan (Gen. 3; Op. 20:2); e) vernietiging van de dood die in Gen. 3 zijn intrede deed; nieuwe hemel en aarde (Op. 20:14; 21:1); f) geen dood, rouw, geklaag, moeite (Op. 21:4); g) paradijselijke situatie: rivier van water des levens (Op. 22:1, 6, 17); h) geboomte des levens (Op. 22:2, 19); i) niets vervloekts meer (Op. 22:3); j) geen nacht meer (Op. 22:5); k) God als alfa en omega, begin en het einde (Op. 22:13).

Omdat het boek Openbaring in veel opzichten aansluit bij de eerste hoofdstukken van Genesis, komt daarmee de geschiedenis tot een afronding. Hetotheeft open einden: allerlei beloften staan nog open en zijn nog niet vervuld. biedt die vervulling, in eerste instantie tijdens Jezus’ verblijf op aarde, en tijdens het bestaan van de christelijke gemeente. De toekomstverwachting van hetotwordt opgenomen, geconcretiseerd, en de voltooiing ervan beschreven, al is ook in onze tijd nog niet alles gerealiseerd.

Het ot heeft uitzicht op de gezalfde Koning en de tempel, maar toch is de persoon van die gezalfde koning niet duidelijk. Het nt verwacht de reeds opgestane Heer, Jezus Christus terug. De laatste hoofdstukken van het boek Openbaring sluiten de geschiedenis van de kosmos af, zoals die in Genesis is begonnen. Het boek Openbaring eindigt met dezelfde waarschuwing als Deuteronomium, om er niets aan toe te voegen of af te nemen.

Vgl. Deut. 4:22 en 13:1 met Op. 22:19.

In de positie als afsluitend boek heeft deze waarschuwing tegelijk betrekking op alle voorafgaande boeken.

De toledot in Genesis en latere boeken

Reeds eerder is erop gewezen dat de toledot-formule een belangrijke rol speelt in het boek Genesis. De term betekent zoveel als ‘dit zijn de verwekkingen van’ en is in par. 2.3.3 behandeld. Daar is ook gewezen op Num. 3:1 met de vermelding van Aaron en Mozes en op Ruth 4:18 met de vermelding van Peres.

Het is mogelijk de lijnen nog verder door te trekken. Het nt opent in Mat. 1:1 met ‘Het boek van het geslacht van Jezus Gezalfde, de zoon van David, de zoon van Abraham’. Matteüs neemt hier de uitdrukking uit Gen. 5:1 op, ‘dit is het boek van de toledot van Adam.

Th. Hieke, 2003, 343, verbindt Mat. 1:1 niet alleen met Gen. 5:1, maar ook met Gen. 2:4 Lxx. Daar is in afwijking van mt ook het woord ‘boek’ aanwezig. De christologie wordt in het begin van de mensheid en in de schepping verankerd.

Zo toont hij dat de lijn die hier met Adam begonnen is, op Jezus Christus uitloopt. Matteüs gebruikt de formule iets anders dan de schrijver van het boek Genesis dat doet. De naam na de toledot in Genesis is de naam, van waaruit alles vertrekt. In Matteüs is de naam na de toledot de naam waar alles naartoe leidt (vgl. 1:1 met 1:16). Jezus wordt in de lijn zowel aan het begin als aan het einde gesteld.

Continuïteit en discontinuïteit

Voortgaande beloften en vervulling

In de oudtestamentische wetenschap zijn allerlei inspanningen gedaan om een theologie van het ot te schrijven. In veel gevallen zijn externe criteria aangereikt om een indeling te maken of om een centrum van de boodschap van het ot te bepalen. In dit boek zijn wij voornamelijk uitgegaan van de canonieke samenhang tussen de bijbelboeken. Daarbij rijst steeds weer de vraag of die later aangebrachte ordening ook past bij de inhoud van de boeken. Naast de structurele, canonieke benadering is het daarom goed om te letten op inhoudelijke samenhangen tussen de bijbelboeken.

In dit verband is het zinvol te wijzen op het werk van Walter C. Kaiser. Hij heeft een theologie van hetotopgezet door zich te concentreren op de woorden ‘belofte’ en ‘vervulling’.

Vgl. par. 1.2.1.

Hij toont uitgebreid aan dat er een reddingsplan van God is dat samengevat kan worden in het enkele woord ‘belofte’, en dat in de loop van de geschiedenis dat plan van God steeds verder ontvouwd wordt. Latere beloften werken aspecten van de eerdere beloften uit, en gedeeltelijke vervullingen bevestigen die.

Het gaat ons nu niet om de precieze opzet van zijn theologie, die chronologisch opgezet is,

Het is een probleem bij die benadering dat de datering van sommige bijbelboeken in het geheel niet vaststaat (bijv. het boek Joël), maar dat dit wel nodig is voor een chronologische opzet. Verder bevatten de titels van de hoofdstukken bij Kaiser allemaal het woord ‘belofte’ ( ). Daardoor ontstaat ook bij hem het gevaar dat hier een concept een overheersende indruk krijgt bij de beschrijving (bijv. bij de Wijsheidsliteratuur). Hier gebruiken wij zijn observaties van de innerlijke samenhang, eerst van het ot, en dan ook van het nt.

maar om zijn benadering inductief te zoeken naar een verbindend thema. Een belangrijke tekst is voor hem Jes. 46:9-11a ‘Denk aan wat vroeger, vanouds, gebeurde; Ik immers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; Ik, die van het begin de afloop verkondig en vanouds wat nog niet gebeurd is; die zeg: Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al mijn welbehagen doen’. Blijkbaar overziet God de geschiedenis en geeft Hij meermalen aan wat er zal gebeuren.

Wie hetotdoorzoekt op uitspraken over de toekomst, komt er heel wat tegen. In het boek Genesis worden veel beloften gedaan, te beginnen met de belofte van het zaad, gedaan aan Adam en Eva (3:15), het verbond met Noach met de belofte dat de aarde niet opnieuw door water ten onder zal gaan (9:15), de profetische uitspraken van Noach over het nageslacht van zijn zoons (9:24-27) en daarna de beloften aan de aartsvaders. Daarin is van speciaal belang de zegen die in 12:3 vermeld staat en het beste passief vertaald worden: ‘In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’. Hier komen we een bepaald plan van God tegen. Hij roept Abram, zet hem apart en wil door hem ook andere volken zegenen. Daarna komen beloften van nageslacht en het land Kanaan. Weer later volgen speciale beloften aan David (2 Sam. 7) en nog weer later beloften van een nieuw verbond (Jer. 31-33). In hetntworden de woorden van hetotuitgebreid geciteerd, om aan te geven dat er een historische continuïteit is. Hebr. 11 noemt allerlei personen uit hetot die beloften hebben gekregen, maar de vervulling niet hebben meegemaakt. ‘In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet’ (11:13). ‘Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voorhad, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen’ (11:40). Elders staat: ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde toen Hij vooraf getuigenis gaf.’ (1 Petr. 1:10-12) Ook Paulus spreekt in Rom. 9-11 over Gods heilsplan met Joden en de andere volken.

Deze nieuwtestamentische uitspraken bevestigen wat ook in hetot ontdekt kan worden, dat er een plan is van God dat geleidelijk ontvouwd wordt: eerst worden er beloften gedaan, daarna gaan die (gedeeltelijk) in vervulling of blijven nog openstaan voor de latere toekomst. Dit is – volgens Kaiser – een wezenlijk aspect van het ot. Op grond daarvan is het van belang de continuïteit tussenotenntte zien. Helaas wordt er vaak geredeneerd vanuit een breuklijn en worden de betekenis vanotennt met elkaar vergeleken. Beter is het om hetntte zien als een verdere ontvouwing van Gods heilsplan.

In Jer. 31-33 is sprake van een nieuw verbond. ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord van Jhwh, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal’ (31:31). Het is opvallend dat het nieuwe verbond niet met anderen gesloten wordt, maar dat dit nieuwe verbond zowel Juda als Israël betreft, dus het Twee- en het Tienstammenrijk. Dus juist in de samenhang met uitspraken over een nieuw verbond staan beloftendat Israël blijvend Gods eigendom is. Het kenmerkende van het nieuwe verbond is, dat de Israëlieten God van harte zullen liefhebben. De Wet van God is dan niet een zware verplichting die van buiten komt, en die te zwaar is om te dragen, maar er komt een innerlijke bereidheid God te dienen. Het Sinaïtisch verbond was te moeilijk voor het volk. In reactie daarop gaat God zijn eisen niet afzwakken en een veel gemakkelijker Wet geven, maar vernieuwt Hij de mens, zodat die gehoorzaam kan worden. Er zijn nog meer nieuwe aspecten aan dit verbond, zodat dit verbond terecht ‘nieuw’ genoemd kan worden. Maar vanuit de grote continuïteit is het wellicht beter om het woord ‘vernieuwd’ te gebruiken in plaats van ‘nieuw’. Het is niet een compleet nieuw en ander verbond, het is vernieuwd.

W.C. Kaiser, 1978, 231-235; 1989, 108-115.

God gaat door met zijn werk en overwint menselijk falen. Veel van de genoemde beloften vallen buiten het tijdsbestek van het ot. Hetnttrekt de lijnen door, waarbij het nieuwe verbond genoemd wordt bij de instelling van het avondmaal (1 Kor. 11:25). De volle realisatie is echter nog niet gekomen.

De termen Oude en Nieuwe Testament

Het bovenstaande laat zien dat de canonieke geschriften van Israël van blijvend belang zijn voor de christenen. Jezus heeft deze geschriften nooit terzijde gesteld, maar kwam om ze te vervullen (Mat. 5:17; vgl. joh. 5:39). Paulus en de andere apostelen voeren steeds weer het ot aan als getuigenis voor de christenen van joodse of heidense afkomst. Meestal is dan sprake van ‘de Schrift(en)’ of van ‘Mozes en de profeten’ (bijv. Luc. 24:27, 32).

In de Bijbel zelf is de benaming ‘Oude Testament’ afwezig. De uitdrukking ‘boeken van de oude diathèke als aanduiding voor de oudtestamentische canon komt voor het eerst voor bij Melito van Sardes (gestorven rond 190 n. Chr.).

In het woord vooraf van Eclogae, een grotendeels verloren gegane bloemlezing van passages uit het ot die waarschijnlijk dateert van ongeveer 170 n. Chr., vertelt Melito dat hij naar Palestina is gegaan om zich daar op de hoogte te stellen van de precieze afbakening en volgorde van de canon van de ‘oude boeken’. De passage is bewaard gebleven in Eusebius, Kerkgeschiedenis iv 26.13-14. Melito schrijft over de ‘oude boeken’ (palaia en ‘de boeken van de oude

ordening’ (ta tès palaias diathèkès biblia). Melito plaatst deze boeken echter niet tegenover ‘de boeken van de nieuwe regeling’.

De term ‘Nieuwe Testament’ is, voor zover bekend, voor het eerst als aanduiding voor een verzameling canonieke vroegchristelijke boeken gebruikt door een anonieme antimontanist in ongeveer 191/192 n. Chr. Deze anonieme auteur wordt geciteerd door Eusebius en schrijft over ‘het boek van de nieuwe verordening van het evangelie’.

Eusebius, Kerkgeschiedenis v 16.3. De Griekse uitdrukking is: ho tès tou euangeliou kainès diathèkès logos. Uit de toegevoegde bepaling tegen veranderingen kan opgemaakt worden dat de nieuwtestamentische canon vaststond. Ook hier is diathèkè ‘ordening, regel’.

Binnen enkele decennia raken de titels ingeburgerd als namen van de twee delen van de canon. Ook in Latijnse geschriften worden de titels gebruikt, en wel als vetus testamentum en novum testamentum. Vanaf deze tijd raken deze termen in zwang om de twee delen van de christelijke Bijbel aan te duiden.

Hiervoor zijn aanknopingspunten te vinden in het nt, maar er is ook sprake van een betekenisverschuiving. Het woord ‘testament’ komt in het ot zelf niet voor, wel het woord ‘verbond’ (bërit). De Septuaginta, de

Griekse vertaling van het ot, geeft het Hebreeuwse woord meestal weer door diathèkè, dat zoveel als ‘regeling, ordening, wilsbeschikking of testament’ betekent. De keuze van dit woord was niet nodig geweest, want andere Griekse vertalers kozen het in betekenis beter overeenkomende sunthèkè, dat net als bërit staat voor zowel verbond als verdrag en dat zodoende het begrip van eenzijdige of laatste wilsbeschikking niet insluit. De Latijnse Vetus Latina gaf het Griekse diathèkè weer met testamentum. Op die manier komen wij aan het begrip ‘Oude Testament’. In feite is dat geen al te gelukkige benaming, omdat deze veel misverstanden opwekken, alsof een laatste wilsbeschikking is bedoeld. In ieder geval is een relatiebegrip een letterkundig begrip geworden.

Het nt heeft het begrip diathèkè overgenomen van de lxx, vooral om aan te geven dat christenen in een nieuwe periode zijn gekomen. Paulus maakt in 2 Kor. 3:6 onderscheid tussen de regeling van vroeger, waarin de geschreven Wet centraal stond (verwijzend naar de Tien Geboden) en de bedeling van de Geest. Uit het verband blijkt dat de oude bedeling/verordening te maken heeft met Mozes en met de Sinai. De nieuwe verordening heeft te maken met ‘tabletten/platen van vlees in de harten’ (2 Kor. 3:3) en ‘een nieuwe verordening/verbond’ (vs. 6), en hier blijken termen genomen te zijn uit Jer. 31:31-34 (lxx 38:31-34).

F.W. Grosheide, 1959, stelt eerst – te algemeen – ‘Daarmede is gezegd dat Paulus op onze plaats niet denkt aan één der openbaringen van het verbond, gelijk er in het Oude Testament meerdere voorkomen, maar bepaald aan de in het Oude Testament voorzegde openbaring, die als nieuw, als anders, tegenover alle andere openbaringen staat, omdat zij losmaakt van het oude en de vervulling brengt, Hebr. (p. 95). Even verderop maakt hij echter duidelijk dat vooral de Tien Geboden bedoeld zijn als symbool of als exponent van het oude verbond dat aan de Sinai gesloten werd (p. 95-96).

De Brief aan de Hebreeën gaat in op het hogepriesterschap van Christus, en geeft aan dat Hij in vergelijking met Mozes ‘Middelaar van een beter verbond’ is (Heb. 8:6). Daarna wordt Jeremia uitgebreid geciteerd, een gedeelte dat ook in Heb. 10:15-18 naar voren komt.

Het onderscheid in oude en nieuwe regeling is oorspronkelijk chronologisch, bedoeld om de positie van God ten opzichte van de christelijke kerk aan te duiden. De termen ‘oude regeling/bepaling’ en ‘nieuwe regeling/bepaling’ worden in de nieuwtestamentische geschriften nog niet als vaste titels van verzamelingen geschriften gebruikt.

R. Buitenwerf en H.J. de Jonge, 2003.

Als wij ons afvragen wat verouderd is, blijkt dit steeds weer het verbond aan de Sinai te zijn, niet het verbond met Abraham.

Vgl. ook P. E. Hughes, 1977. Hij bespreekt ook de eventuele relatie van de Qumrangemeenschap en het nieuwe verbond. Op grond van 1QM kan gezegd worden dat de Qumrangemeenschap een verbond kent waarin leden moeten toetreden, maar men verwacht een herstel van de mozaïsche bedeling in plaats van een nieuwe bedeling (p. 303-304).

De beloften en aan Abraham zijn van blijvende geldigheid. De term ‘oude bepaling’ in hetntgeldt dus eigenlijk alleen voor de boeken Exodus tot en met Deuteronomium, of eventueel ook de daarop gebaseerde geschiedenis. Het verbond met Abraham is onconditioneel (Gen. 15) evenals de beloften aan David in 2 Sam. 7 dat zijn. Daarentegen is het verbond aan de Sinai conditioneel: er hangt veel af van de vervulling van de voorwaarden door de Israëlieten. Het nieuwe verbond in Jer. 31 gaat in op dit conditionele aspect, waaraan de Israëlieten niet konden beantwoorden. God belooft met zijn Geest te werken en de wetten in hun harten te schrijven, waardoor ze niet langer ongehoorzaam zijn. Het wordt ook mogelijk dat andere volken delen in Gods redding. Ze mogen volgens Ef. 2 delen in de voorrechten: mede-erfgenamen. De Joods-christelijke A. Saphir schrijft hierover: ‘De wet van Mozes, het oude verbond, was de verdwijning nabij. Maar de Messiaanse beloften waren nimmer met deze bedeling in verband gebracht. Zij waren gegrond in de belofte aan Abraham, en vervuld in het verbond der genade’ (…) ‘En nu Christus het heilige der heiligen was binnengegaan met Zijn eigen bloed, was het oude in feite voorbij, maar bleven Gods beloften voor zijn uitverkoren volk in Abraham vast en onveranderlijk.’ (…) ‘Dit is de grote verborgenheid, die het ongelovig Israël gedurende de laatste negentien eeuwen niet heeft kunnen verstaan’ (…). ‘Wanneer Israël tot berouw en geloof zal gebracht worden, dan zal het heilsplan Gods, onder de wet door Israëls zonde en ongehoorzaamheid opgeschort, tot volkomen uitvoering komen.’

A. Saphir, z.j., 37-41.

Vanuit dit gezichtspunt is het te betreuren dat de boeken Genesis tot en met Maleachi ‘Oude Testament’ heten en dat daarmee de suggestie gewekt wordt dat het oude verouderd en afgeschaft is. De witte bladzijden in onze bijbeluitgaven tussen beide delen wekken ook een misverstand. Het is beter de boeken als een eenheid te beschouwen, waarbij Gods openbaring steeds rijker wordt en zij steeds verder ontvouwd wordt.

De vervulling van het nieuwe verbond is nog maar gedeeltelijk gerealiseerd. Het heil voor Israël en de volken zal nog groter worden. De vervulling van het nieuwe verbond valt voor een deel na de afsluiting van het nt. Vanuit de overtuiging dat Gods heilsplan een doorlopende lijnvertoont (al zijn er ook tijdelijke bepalingen), zouden de eerste en tweede verzameling boeken in onze Bijbel beter: ‘Vroegere openbaringen’ en ‘Latere openbaringen’ of ‘Vroegere geschriften’ en ‘Latere geschriften’ kunnen heten. Omdat de uitdrukkingen Oude en Nieuwe Testament echter geheel ingeburgerd zijn en zelden opgevat worden naar hun eigenlijke betekenis, kunnen we deze woorden toch blijven gebruiken.

Het nt over de continuïteit met het ot

In de bovenstaande paragraaf komt naar voren dat er een sterke continu- iteit is tussen Oude en Nieuwe Testament, en dat passages als 2 Kor. 3 en Heb. 8 dat niet tegenspreken. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de continuïteit, omdat dit onderwerp van groot belang is voor een bijbelse theologie. Daarbij komt ook de discontinuïteit naar voren.

Aan het begin van het nt staan vijf personen die de Messias aankondigen, met woorden die sterk oudtestamentisch zijn gekleurd, mede om de relatie met het ot aan te geven. Het betreft Maria (de moeder van Jezus), Zacharias, Simeon, Anna en Johannes de Doper (Luc. 1-3).

Vgl. W.C. Kaiser, 2008, 233-247.

Dit is niet alleen in de begintijd, in de Evangeliën het geval. Ook in Handelingen en de brieven is er besef van continuïteit. De nieuwtestamentische schrijvers gaan uit van het heilsplan van God en gebruiken hiervoor vaak de term epangelia (belofte, hoop). Paulus geeft aan: ‘En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken’ (Hand. 26:6). Dit vertrouwen van Paulus rust blijkbaar op een enkele belofte, in alle breedte. Deze ene belofte gelijkgesteld worden met die was gegeven aan Abraham, Isaak, Jakob en David. Vanuit de aangehaalde woorden uit de Brief aan de Hebreeën gezegd worden dat de aartsvaders de belofte kregen, maar de vervulling ervan niet meemaakten (Heb. 11:9, 39-40). De tekst maakt onderscheid tussen het ontvangen van het woord van de belofte, voorbeelden van gedeeltelijke vervulling en de uiteindelijke vervulling in alle aspecten. Paulus identificeerde deze belofte als een die rust op genade en garandeerde aan zijn nakomelingen dat zij erfgenamen waren van de aarde (Rom. 4:13, 16).

De ene belofte kende veel aspecten en daarom het woord ook in het meervoud gebruikt worden ( 15:8-9; Heb. 6:12; 7:6). De inhoud is veelomvattend en komt tot uiting in de volgende zaken:

  • De komst van Jezus de Messias (Luc. 1:69-70, 72-73; Hand. 2:28-39; 3:25-26; 7:2, 17-18; 13:23, 32-33; Gal. 3:12).

  • De vergeving van zonden ( 4:2-5, 9-10; jak. 2:21-23).

  • De opstanding van de doden (Hand. 26:6-8; 2 Tim. 1:1; Heb. 9:15; 10:36; 2 Petr. 3:4, 9; 1 joh. 2:24-25).

  • De zegen van het evangelie voor de heidenen (Gal. 3:8, 14, 29; Ef. 1:13; 2:12).

    In deze passages staan veel verwijzingen naar het ot.

De ene veelomvattende belofte werd steeds verder vervuld in het ot, maar wachtte op verdere vervulling in verbinding met de komst van de Messias.

Ondanks alle aanwijzingen voor continuïteit, zijn er ook verschillen. De Brief aan de Hebreeën maakt duidelijk dat het priesterschap van Jezus, naar de orde van Melchisedek, van een hoger niveau is dan dat van Aaron, dat hoorde bij het verbond aan de Sinai (Heb. 7). De nieuwe Hogepriester volvoert zijn dienst in het hemelse heiligdom. Hierna volgt een citaat uit jer. 31 om de verhevenheid van het nieuwe verbond te benadrukken.

W.C. Kaiser, 1978, 268 schrijft dat de sleutel om ‘het nieuwe verbond’ van Heb. 8:6 te begrijpen is, om de gelijkstelling waar te nemen tussen de belofte aan Abraham (Heb. 6:13; 7:9, 22) en het nieuwe verbond (8:6-13). Het is echter vreemd om van gelijkstelling te spreken. Het betreft een andere, betere uitwerking. De rechtskracht berust op betere beloften (8:6)!

Het verzoenende werk van de hemelse Hogepriester de gelovigen bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond en de belofte van de eeuwige erfenis geven (9:15). Vanuit dit alles mogen de gelovigen met volle vrijmoedigheid het hemelse heiligdom ingaan (10:19).

Vanuit jer. 31-33 is de geestelijke vernieuwing van het volk van Israël van belang. De toebrenging van de heidenen staat hier nog niet vermeld, maar wel op andere plaatsen in het ot. Paulus schrijft aan de Efeziërs dat zij niet langer vreemdelingen zijn, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God (Ef. 2:19) en door het geloof kinderen van Abraham (Gal. 3: 7). Deze opneming van de volken in het ene volk van God echter samengaan met het feit dat het grootste deel van het natuurlijke Israël Jezus als Messias afwees. Voor Paulus was dit een reden voor groot verdriet, maar hij ziet, in overeenstemming met allerlei profetische uitspraken, een toekomstige bekering van Israël ( 9-11).

Bezwaren tegen deze continuïteit

Het is niet vanzelfsprekend om deze eenheid tussenotenntte handhaven in onze tijd. In de afgelopen eeuwen zijn vanuit godsdienstwetenschap- pelijk standpunt bezwaren gerezen: het christendom is een latere, eigen ontwikkeling, maar dat wil nog niet zeggen dat er inhoudelijk continuïteit is. Het historisch-kritisch onderzoek heeft de eenheid van hetotzelf al doorbroken door nadruk te leggen op onderling verschillende gezichtspunten van de schrijvers,

Zie het overzicht in hoofdstuk 1 en H.J. Kraus, 1982, 503-509.

en hetntwijkt nog verder af. In dat geval is een historische verbinding nog geen inhoudelijke, laat staan een normatieve samenhang.

Van Joodse kant wordt al tweeduizend jaar bezwaar gemaakt tegen bovenstaande continuïteit. Ter illustratie een citaat van Pinchas Lapide, een Jood die zich intensief bezig heeft gehouden met de verhouding jodendom – christendom. Hij meent dat de vele citaten in het nt, die de eenheid moeten aantonen, de bewijslast niet kunnen dragen. Daarom schrijft hij: ‘Het antwoord van het jodendom is meer bijbelgetrouw: Omdat de twijfelachtige heilshistorische betekenis van al die ongeveer zestig “vervullingen van de Schrift” in het leven en het sterven van Jezus, die men thans in de redactionele bewerking aantreft, in het niet verzinkt wanneer men dat vergelijkt met de wezenlijke voorzeggingen van Israëls profeten die bij de komst van de Messias in vervulling moeten gaan’ Hij noemt dan allerlei teksten uit de profetische geschriften.

P. Lapide en U. Luz, 1985, 54-57. Namelijk: Jes. 2:2-3; 11:6-9; 19:24-25; Jer. 31:34; Ez. 37:21-23; Hos. 2:17; Sef. 3:9; Zach. 8:23; 13:2; 14:9, 16.

Het is waar dat veel van deze teksten een rol spelen in de zendingsweten- schap, en dat ze door christenen uitgelegd worden in het kader van de verspreiding van het evangelie over de gehele aarde,

Zie bijv. J.P. Versteeg, ‘De bijbelse fundering van het zendingswerk’ in: C.A. Tukker e.a., 1978, 1160, spec. 21-28.

maar Lapide wijst op de letterlijke tekst en geeft aan dat veel hiervan nog niet vervuld is.

Het is mogelijk de opvattingen van Lapide af te doen met de opmerking dat hij niet in Jezus als de Messias gelooft. Daarmee doen we echter een deel van zijn argumenten geen recht. Heel wat van deze profetieën horen bij de eschatologische toekomst, die ook nu nog voor ons ligt.

Zie M.J. Paul e.a., 2012, Excurs 3, ‘De uitleg van de profetieën over de toekomst van Israël’ 854869.

Bij de eerste komst van de Messias naar deze aarde is een deel van de beloften van hetotin vervulling gegaan, maar er zijn nog allerlei beloften (of delen ervan) die in de toekomst vervuld zullen worden. De eerste komst van Jezus was in vernedering, zijn tweede komst zal zijn in glorie en heerlijkheid. Dan zullen de nog openstaande beloften gerealiseerd worden. De messiaanse ‘periode’ is volgens Lapide nog niet aangebroken, maar hij gaat uit van slechts één komst.

Het ot in de loop van de kerkgeschiedenis

De vroege kerk heeft zich al gauw rekenschap moeten geven van het ot. Reeds in de tweede eeuw heeft zij afstand genomen van de extreme visie van Marcion die het ot verwierp. Maar hoewel het ot door de christelijke kerk altijd erkend is als Woord van God, is de waardering ervoor toch vaak minder geweest dan voor het nt. Omdat men inhoudelijk soms geen raad wist met de vreemde geschiedenissen en voorschriften in het ot, werden methoden als ‘allegorie’ en ‘typologie’ gebruikt om de lijnen van het ot naar het nt te trekken. Daarmee werd het ot gebruikt als voorafschaduwing van de latere openbaring. Hoe goed die boodschap op zich ookkon zijn, daarmee werd geen recht gedaan aan de oorspronkelijke betekenis van de boeken van het ot en hun belang voor het volk Israël. Daarbij kwam dat de kerk zich al vroeg als plaatsvervanger van Israël is gaan beschouwen: de zondag kwam in plaats van de sabbat, de doop in plaats van de besnijdenis en het Paasfeest in plaats van het Pascha. De gedachte kwam op dat het Joodse volk had afgedaan na de verwerping van Christus en dat de kerk daarvoor in de plaats was gekomen als het nieuwe Israël. Woorden die in het nt betrekking hebben op de gemeente bestaande uit Joden en bekeerde heidenen, werden voortaan alleen op de christenen uit de heidenen betrokken. De oordelen, vervloekingen en gerichten werden bestemd voor het Joodse volk, terwijl de zegeningen en heilsbeloften betrokken werden op de kerk.

Vgl. R.E. Diprose, 2000.

Dit officiële beeld van de geschiedenis, voor een deel geschetst vanuit de latere ontwikkelingen, is de laatste tijd enigszins bijgesteld, doordat duidelijk is geworden dat de Joodse gelovigen in Christus tot zeker in de vierde eeuw een eigen identiteit hebben behouden.

O. Skarsaune en R. Hvalvik, 2007.

In calvinistische kring is er in de praktijk meer waardering geweest voor hetotdan in rooms-katholieke en lutherse omgeving. Luther beschouwde hetotvoornamelijk als ‘wet’, terwijl hetntde genade verkondigt. In de perioden van Nadere Reformatie en Piëtisme (17e en 18e eeuw) en Réveil (19e eeuw) kwam er zicht op de aparte situatie van het Joodse volk. Dat gebeurde ook in evangelische kringen (19e en 20e eeuw).

Veel boeken verschenen waarin de hoop op de bekering van Israël naar voren kwam, omdat men de beloften op het joodse volk wilde betrek- ken.

Zie de overzichten in R.J. van Elderen, 1992; M. van Campen, 2006 en B.E. Horner, 2007.

In de afgelopen twee eeuwen is veel nagedacht en gepubliceerd over deze heilshistorische verbanden in de Bijbel.

Voor andere standpunten en een bespreking daarvan, zie D.L. Baker, 1976.

R.K. Soulen laat zien dat in de christelijke geloofsbelijdenissen met name de schepping en de zondeval functioneren, maar dat daarna direct naar hetntgegaan wordt. Daarmee is hetotvooral voorbeeld en profetie van een latere, hogere werkelijkheid in het nt, maar als zodanig niet erg van belang (al wordt formeel het goddelijk gezag ervan erkend). In plaats daarvan bepleit hij een ‘canonical narrative’, een raamwerk om de christelijke Bijbel als een theologische en verhalende eenheid te lezen. In dit boek geven wij daartoe een aanzet.

Een thematisch-theologische benadering

Hier komen de zes thema’s van het voorafgaande deel aan de orde en per thema wordt kort de nieuwtestamentische uitwerking aangeduid. Voor meer informatie over de genoemde thema’s is het mogelijk werken op het gebied van hetntte raadplegen.

Zoals het theologische woordenboek van C. Brown, ed., 1986, en theologieën op het nt, zoals I. Guthrie, 1981; I.H. Marshall, 2004; F. Thielman, 2005; Th.R. Schreiner, 2008.

De schepping door God

Zie hoofdstuk 5, vooral par. 5.5.2, en par. 11.2.2-3.

De Schepper van de hemel en de aarde openbaarde zich in de eerste bijbelboeken als de God van Abraham, Isaak en jakob, en tevens als Jhwh, de God van het verbond met Israël. In de loop van de geschiedenis heeft Hij door middel van zijn daden en profetische boodschappen zich verder bekendgemaakt. Er kwam steeds meer zicht op zijn heilsplan. Nadat God eeuwenlang door de profeten gesproken had tot Israël, heeft Hij zijn Zoon gezonden en door Hem gesproken (Heb. 1:1). Jezus heeft door woord en daad ons de Vader doen kennen (joh. 1:18; 14:7-11). De Zoon blijkt ook al bij de schepping betrokken te zijn (Kol. 1:16; Heb. 1:2). Nadat Jezus naar de hemel gegaan is, heeft Hij de Geest gezonden. Deze woont en werkt op aarde in de gemeente (joh. 16:5-15; Hand. 2). De ene God in hetotmaakt zich bekend als Vader, Zoon en Geest.

De schepping is door de zonde van de mens niet hetzelfde gebleven, maar ‘onderworpen aan de vruchteloosheid’; er is echter uitzicht op een toekomstige verlossing (Rom. 8:19-21). In het boek Openbaring komt uitgebreider naar voren dat er een nieuwe hemel en aarde zullen komen. Zoals boven aan de orde kwam (par. 12.2.1), zijn er opmerkelijke verbanden tussen de eerste hoofdstukken in Genesis en de laatste hoofdstukken van Openbaring: de schepping, het paradijs, de Boom des Levens, de draak als de oude slang, te weten de duivel of Satan. De dood wordt overwonnen en het eeuwige leven vangt aan.

God zal de oude wereld oordelen en een nieuwe wereld scheppen (2 Petr. 3:5-7, 10-13; Op. 10:6; 21:1).

De Schepper rustte op de zevende dag en stelde de sabbat in voor Israël. Gezien de latere praktijken geeft Jezus aan dat Hij Heer is over de sabbat en dat de mens er niet is voor de sabbat, maar de sabbat voor de mens (Marc. 2:27-28). Paulus relativeert het houden van speciale dagen. Men kan de ene dag boven de andere stellen, terwijl een ander ze alle gelijkstelt. Ieder mag vanuit eigen overtuiging handelen, mits hij het maar tot Gods eer doet (Rom. 14:5-6; Kol. 2:16-17).

Aspecten van de sabbat komen naar voren in het begrip ‘rust’. Jezus biedt rust aan hen die vermoeid en belast zijn (Mat. 11:28-30). In Heb. 4 is sprake van de rust die er is voor het volk van God, waarbij verwezen wordt naar de Israëlieten die de rust (in de zin van ‘plaats/land van rust’) niet verkregen. Omdat God gerust heeft op de zevende dag, blijft er een sabbatsrust over voor het volk van God (4:9-10).

In hetntwordt de mens vaak getekend als zondaar (zie onder). Hij blijft echter ook schepsel en door de verlossing door Christus ontvangt de gelovige een nieuwe identiteit. Daardoor wordt hij ‘een nieuw schepsel’ (2 Kor. 5:17). Herhaaldelijk is sprake van een nieuwe werkelijkheid van de gelovige ‘in Christus’ (1 Kor. 1:2). Hij kan verdrukt en vervolgd worden, maar toch is hij geestelijk ‘meer dan overwinnaar’ (Rom. 8:37). Tijdens dit leven blijven er echter onvolkomenheden en het uitzien is naar Gods grote toekomst, de herschepping.

De wegen van God: zijn wil, geboden en Wet

Zie hoofdstuk 6, vooral par. 6.5.4, en par. 11.2.4.

God sprak direct en door middel van Mozes en latere profeten. In hetnt maakt Hij zijn wil vooral bekend door zijn Zoon. Dit wordt in de Brief aan de Hebreeën ook beschouwd als een vorm van afsluiting (1:1). Jezus trad op als Leraar. In de Bergrede laat Hij de diepte van de geboden zien en wijst Hij op een nieuwe gehoorzaamheid (Mat. 5-7). Hij is niet gekomen om de Wet of de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen (Mat. 5:17-19). De samenvatting ‘God liefhebben boven alles en de naaste als uzelf’ (Mat. 22:37) berust op Deut. 6:5 en Lev. 19:18. Jezus laat ook zien dat Gods wil Hem boven alles gaat, zodat Hij zelfs bereid is te sterven (Mat. 26:39-42).

De apostelen geven in hun brieven veel praktische aanwijzingen voor een christelijke levenswijze. Voor een deel is er aansluiting bij de oudtestamentische geboden en verboden; toch is een christen niet ‘onder de wet, maar ‘onder de genade’.

Het werk van M. Bockmuehl, 2000, toont aan dat christenen dicht bij de Joodse Tora bleven in hun ethiek.

Volgens Paulus is de Wet ‘rechtvaardig, heilig en goed’ (Rom. 7:12-16), waarbij de Messias, Jezus Christus, de telos, het ‘doeleinde’ ofwel de vervulling van de Wet is (Rom. 10:4). Paulus verzet zich tegen wetticisme, maar veroordeelt de Wet als zodanig niet. Het is belangrijk om te onderkennen dat Paulus het woord ‘Wet’ op verschillende manieren gebruikt en daarom zowel positief als negatief erover schrijven.

Vgl. D. Guthrie, 1981, 687-697. De relatie van Paulus t.o.v. het jodendom is onderwerp van veel discussies in de laatste decennia. Vgl. N.T. Wright, 2005.

Het nt bevat veel aanwijzingen voor het christelijke leven. Deze hebben betrekking op de ordening van het gemeenteleven en praktische aspecten van de omgang met elkaar in huwelijk, gezin, gemeente en maatschappij. Deze geboden zijn niet in strijd met de christelijke vrijheid. Echte vrijheid is altijd een vrijheid onder normen, anders zou ze losbandig zijn. Deze vrijheid houdt ook in dat geestelijk vernieuwde mensen verlangen Gods wil te doen.

In de christelijke vrijheid is het niet de bedoeling dat christenen leven ‘naar het vlees’, maar ‘naar de genade’. Dat is mogelijk door te wandelen door de Geest, in de navolging van Jezus Christus. De oude Wet met haar veroordelende kracht is niet langer geldig, maar er is een nieuwe, innerlijke gehoorzaamheid, waardoor christenen tonen wat de vrucht van de Geest is (Gal. 3-5).

In vergelijking met esoterische godsdiensten, geheime genootschappen en filosofische beschouwingen, is de boodschap van Gods wil voor ieder mens, en heeft deze ook betrekking op het gewone leven. Ook is de openbaring niet slechts voor hooggeplaatsten in de maatschappij, maar voor slaven en vrijen, mannen en vrouwen, Joden en mensen van andere volken (Gal. 3:28).

Israël was bestemd om Gods eigendom, een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn (Ex. 19:5-6). Petrus gebruikt die woorden om de gemeente te typeren, met de aanwijzing dat de leden ervan Gods deugden zullen verkondigen (1 Petr. 2:9).

Binnen de eerste christelijke gemeenten is er onderscheid geweest tussen gemeenteleden uit het joodse volk en die uit andere volken, vooral ten aanzien van de besnijdenis (vgl. Hand. 15). De huidige Messiasbelij- dende gemeenten bezinnen zich ook op de geldigheid van de voorschriften uit het Oude Testament voor onze tijd.

Zie de verwijzingen in 6.5.4.

De zonde: oorsprong en verwoesting, genezing en overwinning-

Zie hoofdstuk 7, vooral par. 7.5.2, en par. 11.2.4.

Terwijl hetotweinig spreekt over Satan en de gevallen engelen, gaat hetnt- in navolging van de intertestamentaire periode – meer in op de zonde in de (voor ons) onzichtbare wereld. In de Evangeliën blijken steeds weer demonische tegenkrachten aan het werk te zijn. Paulus schrijft vooral in zijn brieven aan de Efeziërs en Kolossenzen over de geestelijke machten en krachten (Ef. 1:21; 6:10-20; Kol. 1:16).

Vgl. C.E. Arnold, 1989 en 1992.

In hetntis er veel aandacht voor de bittere realiteit van de zonde. Dat betreft de aarde als geheel (Rom. 8:19-22), de heidenen en de ongelovige joden ( 1-2). Zij zijn overgegeven aan het goeddunken van hun eigen hart. Afzonderlijke mensen, ook de gelovigen, worden gewaarschuwd en dat geldt ook de gemeenten (1 Kor. 11; Op. 2-3). De redding behoort tot uiting te komen in een christelijke levenswandel; wie vasthoudt aan de zonde zal ernstig gestraft worden.

Het is omstreden of Paulus in de verleden tijd zijn worsteling met de zonde beschrijft, of dat hij nog steeds de ervaring heeft van Rom. 7.

Zie hiervoor de bijbelcommentaren.

In ieder geval komt naar voren hoe Gods wil en de oude natuur van de mens botsen als het gaat over de gehoorzaamheid. De zonde heeft een geweldige macht en aantrekkingskracht, maar de prangende vraag ‘Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?’ loopt uit op de lofprijzing: ‘Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heer’ (Rom. 7:24-25).

De zonde heeft haar intrede gedaan in de mensenwereld door ‘de eerste Adam’, met als gevolg de dood. Jezus is echter gekomen als ‘de laatste Adam’ en door Hem is de dood overwonnen (Rom. 5:12-21). Het doel van zijn leven komt reeds in zijn naam tot uiting. Hij draagt de naam Jezus, want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden (Mat. 1:21). johannes de Doper wijst op Hem als het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt (Joh. 1:30). De Brief aan de Hebreeën toont dat Jezus Hogepriester is naar de orde van Melchisedek en dat er door het bloed van deze Middelaar verzoening is (Heb. 7-10).

Jezus heeft in zijn eigen leven steeds weerstand geboden tegen de verleiding door Satan en tegen de zonde (Mat. 4:1-11; Heb. 4:14-15). Ook Paulus spoort aan tegen de zonde te strijden en juist het goede te doen (Kol. 3:1-4). In 2 Tess. 2 is sprake van ‘de mens der wetteloosheid’ die zich tegen God verzet. Elders wordt de term ‘antichrist’ gebruikt (1 Joh. 2:18-22). Hoezeer de zonde ook door zal werken op aarde, eens wordt er een eind aan gemaakt, zoals blijkt uit de val van Babylon in het boek Openbaring (Op. 18). In het nieuwe Jeruzalem komt niets zondigs meer (Op. 21:27; 22:15).

In de Evangeliën blijkt dat de verkondiging van het Koninkrijk van God gepaard gaat met tekenen en wonderen. Een verwijzing daarnaar moet Johannes de Doper, die in de gevangenis zit, ervan overtuigen dat de Messias gekomen is (Mat. 11:4-5; vgl. Jes. 35:5-6; 61:1-3). De genezingen liggen in het verlengde van Jes. 53 (Mat. 8:17). Gods barmhartigheid komt in deze genezingen tot uiting, maar ze dienen ook ter legitimatie. Dit geldt ook van de volgelingen die tekenen van het Koninkrijk blijven doen (vgl. Marc. 16:20). Totdat uiteindelijk de tijd aan zal breken dat geen inwoner meer zal zeggen ‘Ik ben ziek’ (Jes. 33:24; vgl. Op. 22:2).

Vgl. M.L. Brown, 1995.

De belofte van het zaad van de vrouw en de roeping van Abraham tot zegen voor alle volken

Zie hoofdstuk 8, vooral par. 8.5.5, en par. 11.2.5-7.

De belofte aan Adam en Eva, over het zaad, wordt steeds verder ontvouwd. Zoals eerder naar voren kwam, concentreerde Gods openbaring zich in Israël. Hetntgeeft uitgebreid aandacht aan het feit dat Jezus de beloofde Verlosser is en dat Hij de vervulling is van de vele beloften uit het ot. Matteüs noemt veel teksten uit hetotdie vervuld zijn. Na de vermelding van de bekende Immanuëlprofetie (Mat. 1:22-23) haalt hij woorden van de schriftgeleerden aan om Betlehem als geboorteplaats van de Messias aan te wijzen (2:4-6; vgl. Mi. 5:1).

Johannes de Doper is de wegbereider van de Messias (Luc. 1:17; 3:1-20; Joh. 1:19-34). Jezus zelf ziet zich als de vervulling van de Gezalfde in Jes. 61 (Luc. 4:16-21). Er is ook een relatie tussen de uitdrukking ‘Zoon des mensen’ en de Mensenzoon in Dan. 7:13. Immers de Zoon des mensen heeft macht de zonden te vergeven (Mat. 9:6) en is gelijk aan de Gezalfde, de Messias (16:13-16) en zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader, met zijn engelen, en ieder rechtvaardig vergelden (16:27).

Na de opstanding noemt Hij zichzelf de Christus en toont vanuit de geschriften van Mozes en de profeten aan wat over Hem geschreven was (Luc. 24:26-27).

De apostelen en andere volgelingen gaan in dit spoor verder. Zo spreekt Petrus met citaten uit de Psalmen over de verhoging van Jezus Christus als de Zoon van David (Hand. 2:25-36) en hij beroept zich daarna op de profeten van Mozes af (3:18-26). Filippus legt aan de hand van Jes. 53, over de Knecht, uit wie Jezus is (Hand. 8:32-35).

De Brief aan de Hebreeën stelt dat Jezus de Zoon is, van wie sprake is in Ps. 2, en dat Hij de vervulling is van de belofte van een dynastie aan David in 2 Sam. 7 (Heb. 1:5).

Deze en andere bijbelgedeelten tonen dat Jezus degene is in wie de eeuwenoude beloften vervuld worden.42 Hij is tevens Priester (Heb. 7) en Koning, al zal zijn koningsheerschappij pas in de toekomst tot volle gelding komen (1 Kor. 15:24-26; Op. 19:6, 16).

Abram werd geroepen om in een zekere afzondering zijn weg te gaan, maar het was Gods bedoeling via hem alle volken van de aarde te zegenen (Gen. 12:3). neemt de uitspraak in Gen. 12:3 op en verwerkt deze in Hand. 3:25 en Gal. 3:8. De eerste tekst legt de nadruk op de afstamming van de hoorders van deze voorvader, maar de tweede tekst gaat in op de volken. Zij die uit het geloof zijn, zijn Abrahams kinderen, want ook uit de heidenen worden mensen gerechtvaardigd. Afstamming is niet meer het belangrijkste, want zij die het ware geloof hebben, worden met de gelovige Abraham gezegend. Dit betreft het geloof in Christus.

In Gal. 3 komt ook het grote belang van het geloof naar voren. Het praktiseren van de werken van de Wet is niet genoeg. Met een verwijzing naar Deut. 27:26 klinkt het zelfs dat ieder die niet blijft bij alles wat geschreven is in de Wet van Mozes, vervloekt is. Door daden alleen kunnen mensen niet rechtvaardig voor God worden. Maar aangezien Christus door zijn kruisdood tot een vloek wilde worden, kon Hij mensen vrijkopen van de vloek van de Wet. Zo komt de zegen van Abraham tot de volken. De belangrijkste voorwaarde is dat zij geloven in Jezus Christus als de Zoon van God en het evangelie aanvaarden (Gal. 3:6-14). Overigens is het niet zo dat daden onbelangrijk zijn, want daarin komt tot uiting wat het geloof inhoudt (Jak. 2:14-26).

De tijdelijke afzondering van Israël wordt in hetntdoorbroken. Het boek Handelingen maakt duidelijk dat Samaritanen en Romeinen ook de heilige Geest ontvangen (Hand. 8, 10) en het zogenaamde apostelconvent in Hand. 15 neemt fundamentele besluiten over de wijze waarop gelovigen uit de heidenen aanvaard worden. Paulus geeft in Ef. 2 aan dat die ‘medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God’ genoemd mogen worden (vs. 19). Diverse brieven in hetntlaten zien dat er spanningen zijn tussen de christenen met een joodse en die met een heidense achtergrond, en toch vormen zij samen één gemeente.

In de opsommingen van zegeningen in hetotkomen allerlei zaken van dit leven aan de orde. De nadruk ligt op het ervaren van gezondheid, veiligheid en vrede in het beloofde land. In hetntis veel meer sprake van zegeningen te midden van vervolging, verdrukking en lijden. God wil wonderlijk vertroosten (2 Kor. 1:3-7). Het lijden van deze tegenwoordige wereld weegt niet op tegen de heerlijkheid die geopenbaard zal worden na de dood. Zelfs in allerlei situaties van nood zijn de christenen overwinnaars, omdat niets zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus (Rom. 8:18, 31-32).

De boodschap van hetntis echter dat niet iedereen in Gods zegen zal delen. Mensen kunnen buitengesloten worden (Luc. 13:22-29; Mat. 25:113; Op. 22:15, 19). Des te dringender klinkt de oproep te geloven in de Zoon (joh. 3:36).

De eredienst voor God en het wonen van Jhwh te midden van Israël

Zie hoofdstuk 9, vooral par. 9.5.3, en par. 11.2.8.

De oudtestamentische aspecten van de eredienst blijven in eerste instantie gelden in het nt, zeker zolang de tempel nog staat (tot de verwoesting in het jaar 70), maar er komen steeds meer nieuwe accenten. De nadruk op de ene God wordt gehandhaafd, waarbij ook blijkt dat deze God zich heeft geopenbaard in Jezus Christus. Gods Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (joh. 1:14). Jeruzalem blijft het centrum van de dienst aan de ene God, ook als mensen uit andere volken tot geloof in Jezus komen (Rom. 15:27; 2 Kor. 8:4). Toch God op alle plaatsen gediend worden (joh. 4:23).

De gemeente van Christus op aarde en de gelovigen afzonderlijk worden een tempel van de heilige Geest genoemd omdat Hij daar woont (1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; Ef. 2:21; 1 Kor. 3:16-17; 6:19). Het betekent dat de christenen hun lichamen behoren over te geven als een offer dat God welgevallig is ( 12:1). De gelovigen vormen een koninkrijk van priesters (1 Petr. 2:9). In de gemeente zijn leidinggevenden, apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus (Ef. 4:11-12).

Jezus heeft het offer van zijn leven gegeven op Golgota. Daarna is Hij opgestaan en naar de hemel gegaan. De Brief aan de Hebreeën beschouwt Jezus als de Hogepriester die het hemelse heiligdom is ingegaan en voor eens en altijd verzoening heeft bewerkt en de toegang tot God de Vader (Heb. 7-10). Hij fungeert als zondoffer (1 Joh. 1:6-9; 2:2; 4:10; 1 Kor. 5:21; Heb. 10:26; 13:9-13; Rom. 8:3) en als schuldoffer (Rom. 5:18-19; Heb. 9:28). Hij is het Lam Gods dat de zonden wegneemt (Joh. 1:29; Op. 6:6). Hoewel de volgelingen van Jezus ook na de opstanding deel blijven nemen aan de tempeldienst en aan de Joodse feesten (Hand. 18:18, 21; 21:23-24; 24:17-18), ligt de nadruk op de vervulling.

Vgl. de uitleg van de genoemde passages in H. Le Cornu en J. Shulam, 2003.

Het is opmerkelijk dat de oudtestamentische grote feesten in dienst komen te staan van nieuwe heilsfeiten: tijdens het Pascha werd Jezus als het Lam Gods geslacht (1 Kor. 5:7) en stond Hij op uit de dood. Tijdens het Wekenfeest werd de heilige Geest uitgestort (Hand. 2). Naast de blijvende aspecten van de oude feesten komt er daarmee ook een specifiek christelijke betekenis van Pasen en Pinksteren. Het Loofhuttenfeest heeft nog geen nieuwtestamentische tegenhanger, maar Zach. 14:16 wijst naar een toekomstig feest waaraan ook de volken zullen deelnemen.

De christelijke gemeente viert in doop en avondmaal (ingesteld op het Pascha) de verbondenheid met Christus. Met oude en nieuwe liederen, waartoe ook de Psalmen behoren, zingt men de lof van God (Mat. 26:30; Ef. 5:19; Kol. 3:16). Het boek Openbaring noemt het lied van Mozes en het Lam (Op. 15:3).

De besnijdenis blijft van kracht voor de gelovigen uit de Joden, maar voor hen die vanuit de andere volken volgeling van Jezus worden, is deze rituele handeling niet nodig (Hand. 15:5, 28-29; 16:1-3). De besnijdenis van het hart (reeds genoemd in Deut. 10:16; 30:6) is van centraal belang (Rom. 2:25-29).

De kritiek van de profeten op een uiterlijke cultus komt in hetntterug, Jezus legt de nadruk op barmhartigheid, ook in de invulling van de sabbat, en op toewijding aan God (Mat. 9:13; 12:7, 10; 21:12-13; 23:1-36).

In de toekomst zullen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde gerealiseerd worden. Het nieuwe Jeruzalem daalt uit de hemel neer en een tempel zal dan niet meer nodig zijn. God zelf en het Lam zullen als tempel fungeren (Op. 21:22). De naties zullen komen met hun schatten, maar het onreine wordt buitengesloten (21:24-27). Alles is dan gericht op het dienen van God en het Lam (22:3).

Het bezit van de aarde – het land Kanaan

Zie hoofdstuk 10, vooral par. 10.5.6, en par. 11.2.9.

In hetntis een sterke gerichtheid op de gehele aarde te ontdekken. Deze aarde draagt de gevolgen van de zonde, maar er wacht een nieuwe toekomst (Rom. 8:18-22). In de toekomst zal de aarde niet meer door water vergaan, zoals in de tijd van Noach, maar door vuur gelouterd worden. Dan ontstaat een wereld waarop gerechtigheid woont (2 Petr. 3:6-13). Het boek Openbaring wijst ook op de nieuwe aarde, bestemd voor hen die geloven en overwinnen. Wanneer de huidige aardse bedeling afgelopen is, vinden de opstanding van de doden en het gericht van God plaats. Voor de gelovigen is er een rijke troost, maar de ongelovigen worden voor altijd buitengesloten, hun deel is in een poel van vuur en zwavel (Op. 20:11-21:8; 22:15, 19).

De specifieke betekenis van het land Israël wordt niet vaak genoemd in het nt, maar meestal vanzelfsprekend verondersteld. Dit is het land dat God aan de vaderen gegeven heeft en waarin Hij zich geopenbaard heeft. Het is echter mogelijk dat de volgelingen van Jezus verdreven worden uit Jeruzalem door vervolging en elders in het land of in het buitenland moeten gaan wonen (Hand. 8:1; 9:1-2). In deze tijd wonen reeds veel Joden in het buitenland (diaspora) en Paulus zoekt hen op om het evangelie te verkondigen. De nieuwe gelovigen hoeven niet naar het beloofde land te gaan, maar kunnen in hun eigen omgeving Christus dienen. Daardoor ligt de nadruk vaak op de vreemdelingschap van de gelovigen (1 Petr. 1:1), ze behoren niet meer tot een enkel land. Hun burgerschap is in de hemel (Fil. 3:20). Er is uitzicht op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

De vroegere reis van Israël naar het beloofde land Kanaan wordt gebruikt als een aansporing om te volharden, om ‘de rust(plaats)’ in te gaan (Heb. 3-4). Ook veel voorbeelden van gelovigen uit hetotworden genoemd, zoals Abraham die op weg was naar het land van de belofte en daarin steeds een vreemdeling bleef (Heb. 11:8-9).

Jeruzalem is de hoofdstad, maar deze stad en haar tempel worden verwoest, mede vanwege het ongeloof in Jezus als de Messias (Mat. 23:3739; 24:1-14). Een nieuwe ballingschap breekt aan, zeker als na het jaar 135, na de opstand van Bar Kochba, de Joden niet meer in Jeruzalem mogen komen. Wanneer in de tijd van hetntin de diaspora gemeenten gesticht worden, blijft Jeruzalem wel de moedergemeente. Daar vindt het principiële overleg plaats of de gelovigen uit de volken besneden moeten worden (Hand. 15), en steeds weer gaan van daaruit apostelen bezien hoe de situatie van de nieuwe gemeenten is. Ook collecteren de gemeenten in de diaspora voor de gemeente in Jeruzalem (2 Kor. 9).

Na de aankondiging van het oordeel over Jeruzalem profeteert Jezus over de toekomst wanneer de inwoners Hem (als Messias) welkom zullen heten (Mat. 23:37-39). Jeruzalem is de stad die door de heidenen vertrapt wordt, totdat de tijden van de heidenen vervuld zijn (Luc. 21:24).

In het boek Openbaring trekken Gog en Magog op naar ‘de legerplaats van de heiligen, de geliefde stad’, waarmee Jeruzalem bedoeld wordt (20:9). Na de vermelding van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde wordt een stad genoemd die uit de hemel neerdaalt op aarde; zij wordt het nieuwe Jeruzalem genoemd (21:1, 10). De overige volken mogen daar ook komen (21:24-26).

Samenvatting

Op grond van formele kenmerken kunnen we concluderen dat hetntin continuïteit staat tot het ot. Ook inhoudelijk is er een doorgaande lijn, lettend op het heilsplan van God en de vervulling van beloften.

Wie de Pentateuch (Tora) leest, merkt dat veel zaken aangekondigd worden voor het leven in het beloofde land. Het boek Deuteronomium eindigt echter met het sterven van Mozes, terwijl het volk wel het land in mag gaan. In deze boeken klinkt door dat God in de toekomst grote daden zal realiseren.

Wanneer we hetotin zijn geheel nemen, blijken er nog steeds veel onvoltooide elementen in te zitten:

  • De aarde is getroffen door de vloek (Gen. 3), maar de profeten voorzien een toekomst waarin dit oordeel opgeheven wordt.

  • De offerdienst is ingesteld voor verzoening van de zonden en om het wonen van God te midden van zijn volk mogelijk te maken. De realiteit van de zonde blijkt echter steeds weer en zelfs ballingschap van het Tien- en Tweestammenrijk is het gevolg. Hoe zullen echte verzoening plaatsvinden en vernieuwing van het hart? De profeten wijzen naar een toekomst waarin dit zal gebeuren.

  • De belofte van het zaad wordt in hetotsteeds verder ontwikkeld, waarbij op den duur ook blijkt dat een nakomeling uit het geslacht van David Koning zal zijn. Na de ballingschap is dat echter in Israël nooit meer gerealiseerd.

  • Terwijl in het OT veel nadruk ligt op Israël als volk van God, zijn er ook aanwijzingen dat de volken mogen delen in het heil (jes. 56; 66).

Inhoudelijk sluit het NT aan bij deze uitzichten en toont dat ze voor een groot deel verwerkelijkt zijn door Jezus Christus. Hij brengt verzoening en de zegen in plaats van de vloek. Door Hem wordt de aarde vernieuwd. Hij heeft het offer van zijn leven gegeven en vernieuwt met zijn Geest het hart. Hij is de grote Davidszoon die hier in vernedering leefde, maar in de toekomst in glorie zal verschijnen. Hij zal afrekenen met zonde en ongerechtigheid, en met alle tegenstand tegen God. Hij maakt het mogelijk dat iedereen ter wereld tot Hem mag komen en deel krijgen aan zijn Koninkrijk. Het is de kroon op de oudtestamentische inhoud en dus ook op de theologie van het ot, zowel literair als inhoudelijk. Daarom besluiten wij ons boek met het doortrekken van enige lijnen, in het besef dat hetntzelf een nog veel grotere rijkdom beschrijft.

Wellicht ook interessant

Opengeslagen Bijbel
Opengeslagen Bijbel
None

Gods transcendentie en Jobs geloof 

Katja Tolstoj hield op 2 februari 2024 een toespraak op de presentatie van het boek De bijbel als biografie van God en mensen. Geschiedenis en hergebruik van teksten, geschreven door Eep Talstra. In deze schriftelijke uitwerking van de toespraak werkt ze drie punten uit: de benadering van Talstra, relevantie van het werk voor een vruchtbare dialoog tussen systematische theologie en Bijbelwetenschappen en haar persoonlijke interesse voor het vraagstuk van het lijden en de eigenschappenleer van God. 

Symbolen vanuit de christelijke traditie op digitale wijze afgebeeld in een foto van een man die op een laptop werkt
Symbolen vanuit de christelijke traditie op digitale wijze afgebeeld in een foto van een man die op een laptop werkt
None

Taalkunde, theologie en de computer

Willem van Peursen hield op 2 februari 2024 een toespraak bij de presentatie van het boek De bijbel als biografie van God en mensen. Geschiedenis en hergebruik van teksten, geschreven door Eep Talstra. In deze schriftelijke uitwerking van de toespraak gaat Van Peursen in op twee centrale vragen: hoe kunnen we een christelijke geloofsleer formuleren die recht doet aan de inzichten van de bijbelwetenschappen. En krijgen nieuwe digitale methoden als statistiek, machinelearning en AI een plaats in de werkkamer van de exegeet?

Nieuwe boeken