Menu

Premium

12. Psalmen

Zoeken naar theologie in de Psalmen is je afvragen hoe de Psalmen spreken over God en over de mens in relatie tot God. Die vraag laat zich niet gemakkelijk beantwoorden en in deze bijdrage begint het antwoord met nadenken over wat we zeker niet gaan doen. Ik noem drie heel diverse aandachtspunten.

Wat is het centrale theologische thema van de Psalmen? Deze vraag is volstrekt vanzelfsprekend, omdat theologiseren nu eenmaal systematiseren is. Toch zullen we hier niet op zoek gaan naar dit thema. Het bestaat niet. Zo is er gedacht aan ‘het koningschap (van David en God)’, maar er zijn vele psalmen die met dit thema niets van doen hebben of elkaar over dit thema tegenspreken. Het boek biedt eerder een doorgaande dialoog over diverse thema’s, zoals Israël, de Thora, de verhouding met de volken, de tempel, koning David en het koningschap van God.

Wat hebben de Psalmen ons te zeggen over God? En dan, uitgedrukt in onze hedendaagse begrippen, gevat in onze eigen theologische schema’s, van Karl Barth of Vaticanum II, en gericht op onze actuele vragen. Een dergelijke toe-eigening zou een serieus en zinnig project zijn, maar hier bieden we bij voorkeur ruimte aan het ons vreemde discours van de Psalmen zelf. Het boek dringt ons in de inleiding twee thema’s op, Thora en Eschatologie (Ps. 1 en 2), en de meest vitale psalmgenres tonen een belangrijkAnliegen, de Omgang met God. Hierin vinden we de thema’s voor de eerste twee delen van deze bijdrage.

Mogen we de Psalmen op hun woord nemen als ze spreken over God? Dit lijkt een domme vraag, maar het antwoord luidt: nee, dat moeten we zeker niet doen, juist als we ze serieus willen nemen. We gaan op een al te letterlijke manier met de Schrift om als we een uitspraak loshalen uit zijn context en ons niet meer afvragen waartoe hij is gedaan. Eens te meer omdat de Psalmen geen boek zijn over God, maar juist de mens centraal stellen en zijn meestentijds problematische relatie met God. In het tweede deel van deze bijdrage zien we hoe vele theologische motieven een levende eenheid vormen binnen één context, de klaagpsalm. In het derde deel gaan we de omgekeerde weg door ons af te vragen hoe één theologisch motief, God schepper, gebruikt wordt in uiteenlopende contexten en waartoe.

Psalm 1 en 2: wet en uitkomst

De twee eerste psalmen vormen een inleiding op het boek. Hun aparte positie wordt gemarkeerd door het feit dat ze elk een opschrift missen en dat ze bijeengehouden worden door een zaligspreking aan begin en einde (Ps.2:12d). Ze introduceren twee thema’s: wet en uitkomst.

God die de wet geeft

Leven is kiezen, en kiezen voor de wet doet leven: ‘Gelukkig de mens / die niet meegaat met wie kwaad doen, (…) / maar vreugde vindt in de wet van de heer/ en zich verdiept in zijn wet dag en nacht.’ Zo’n mens zal een vruchtbaar en bloeiend leven leiden. Psalm 1 stelt de vraag: met wie ga jij op pad? met wie zit jij aan tafel? en propageert een leven met de wet als enige reële optie.

Wat is die wet? Thora is de Hebreeuwse term voor de boeken van Mozes, Genesis tot en met Deuteronomium, en voor het daarin te vinden wetboek van Mozes met zijn 613 regels (zie Joz. 1:7-8). De Thora is levensoriëntatie, een weg om het leven van alledag te ordenen en te heiligen. Leven met de wet is de wet heel concreet doen en overpeinzen. Daarin ligt een diepe spiritualiteit. Het is vreugde, Simchat Tora,

Een van de belangrijkste joodse feesten. Overigens, Sjëvoe’ót, het feest dat de christenen vieren als Pinksteren, het geven van de Geest, vieren de joden als Natan Tóra, het geven van de Thora.

de Vreugde der Wet (lees de lofzang in Ps. 19). Het is leven met God, je laven aan het water dat hij zoet maakt (Ex. 15:25). Psalm H9, met in elk van zijn 176 verzen een woord voor wet, toont hoe de vrome zijn gesprek met God speelt over de band van de wet en daarin heel zijn leven verwerkt, de klacht en de bede, de lof en de dank.

God die uiteindelijk vrede brengt

Psalm 2 schetst een huiveringwekkende situatie. God is koning van de wereld, maar alle volken spannen tegen hem samen. Hij moet erom lachen, brengt zijn geheime wapen in stelling, zijn gezalfde, koning te Sion, en geeft hem de macht de volken te bedwingen. Alle sarcasme en ironie kunnen niet verhullen dat de opstand in feite niet wordt neergeslagen.

De mens in Israël is het slachtoffer. Er rest hem – zolang als het boek duurt – maar één ding: schuilen bij God (v. 12d). De opstand van de volken wordt pas bedwongen in Psalm 149, en zelfs daar virtueel, door een voorschot te nemen op de toekomst. Psalm 2 blijkt belofte: uiteindelijk is er uitkomst.

De verschillende geloofstradities lezen deze belofte messiaans. Een messias, de gezalfde, zal namens God vrede en veiligheid afdwingen. Het Psalter zelf concretiseert de belofte in een reeks van verhoopte messiassen. Ik noem enkele momenten: koning David zelf natuurlijk, in het begin van het boek, bijvoorbeeld met zijn overwinning in Psalm 18; het oerverlangen naar de zoon van David in Psalm 72, maar ook de ondergang van het koningshuis in Psalm 89; het teruggrijpen naar de mythische godsman Mozes in Psalm 90; de overtuiging in Psalm 93-99 dat we geen nieuwe koning moeten verwachten, maar dat God zelf onze hoop is; een priester-koning in Psalm 110; en, ten slotte, een collectief van vromen als handlangers van God, de Cha-sidim, in Psalm 149.

De mens die in dit boek beoogd wordt

De inleiding die we hier bespreken is geen vooruitblik op de grote thema’s van het boek, als zou dat gaan over wet en uitkomst. Zij verschaft eerder een leesbril, een hermeneutisch perspectief. Zij geeft het boek dat volgt, kleur en doet dat in twee zaligsprekingen: Gelukkig als je kiest voor de wet van de heer!Gelukkig als je je aan hem toevertrouwt! Zo typeert zij de beoogde lezer.

Wie is die ideale lezer? Hij geeft zijn leven vorm in overeenstemming met de wet, in voortdurend gesprek met het woord van God. Hij kiest daarmee tegen kwaadwilligen en spotters. Hij mag in dit leven vreugde verwachten en succes. Tegelijk leeft hij in een bedreigende wereld, waarop hij geen grip heeft. Hij vertrouwt zich toe aan God en ziet uit naar de vervulling van de belofte, dat God en zijn messias vrede zullen brengen. Aan deze lezer wordt het boek met zijn klachten, smeekbeden, dankliederen en lofzangen toevertrouwd.

De relatie met God: vele motieven in één (con)tekst

In vele psalmen staat één zaak op het spel: transformatie. De mens gaat gebukt onder schuldgevoel, hij is ziek zonder uitzicht op genezing, hij wordt belaagd en aangeklaagd, en hij is slachtoffer van geweld. Hij wil maar één ding: bevrijding, omvorming van zijn ellende. Teksten en rituelen kunnen hem begeleiden van verdriet, woede en schuldgevoel naar vreugde, of van angst naar vertrouwen.

De klaagpsalmen met hun klachten en smeekbeden versterken de negatieve gevoelens, het verdriet, de woede, het schuldgevoel, diepen zo de ellende emotioneel uit en maken in een catharsis de overgang mogelijk naar vreugde. Dit genre komt ongeveer vijfenzestig keer voor in het Psalmboek, bijv. in Psalm 22, bekend uit het lijdensverhaal, en Psalm 79, een aangrijpende collectieve klacht. De dankpsalm begeleidt de overgang naar vreugde. De bidder heeft Gods hulp ervaren en kan daarvan vertellen in de tempel, hij zal een offer brengen en God loven samen met de omstanders (Ps. 30; 40; 116; 138). In de vertrouwenspsalm getuigt de spreker van zijn vertrouwen in God en bemoedigt zo de ander op de weg van angst naar vertrouwen (Ps. 3; 4; 11;16; 23; 27; 62; 91; H5; 121; 124; 125; 129; 130; 131). De lofpsalm, ten slotte, viert de vreugde. De mens met zijn leed is uit het centrum verdwenen om plaats te maken voor God.

God speelt in dit proces van transformatie een dubbele rol. De bidder verwacht van hem zijn bevrijding, maar acht hem ook verantwoordelijk voor zijn ellende. Met Psalm 6, een voorbeeldige klaagpsalm, als uitgangstekst zal ik uitwerken hoe de bidder zijn relatie met God ziet, welke rollen hij hem toebedeelt en hoe hij hem aanspreekt.

God die mij de rug toekeert

God heeft zijn relatie met de bidder verbroken. Dat is de grondervaring in deze psalmen. Hij heeft zich afgekeerd, zodat de bede luidt: ‘Keer terug, heer'(Ps. 6:5). Het verwijt is: ‘Waarom, heer,bent u zo ver / en verbergt u zich in tijden van nood?’ (Ps. 10:1). Hoe belangrijk is het niet, gezien te worden: ‘Hoe lang nog, heer,zult u mij vergeten, / hoe lang nog verbergt u voor mij uw gelaat?’ (Ps. 13:1). ‘U verborg uw gelaat en ik bezweek van angst’ (Ps. 30:8). Niet onwaarschijnlijk is dat de bidder zich zelf schuldig voelt voor Gods gedrag: ‘heer,straf mij niet in uw woede’ (Ps. 6:2). En dan kan het zijn dat God ongewenst aanwezig is: ‘Wend uw straffende blik van mij af’ (Ps. 39:14). De verwijdering duurt al zo lang: ‘”Mijn God!” roep ik / overdag, en u antwoordt niet, / ‘s nachts, en ik vind geen rust’ (Ps. 22:3). ‘Houd u niet doof’ (Ps. 28:1). Of zoals Psalm 6 zegt: ‘Hoe lang, heer,moet ik nog wachten?’

De bidder zal God niet altijd ervaren als de oorzaak van zijn ellende. Soms zijn dat de mensen om hem heen, de vijanden, of zijn eigen wangedrag, zijn schuld. Maar wat ook de oorzaak is, het contact met God is verbroken en daar ligt de grootste pijn.

God die mijn smeekbede hoort

De klachten en smeekbeden dienen het herstel van de relatie. Het eerste dat de bidder wenst, is dat God hem wil horen: ‘Luister, God, naar mijn gebed’ (Ps. 55:1), ‘Wees aandachtig, luister / naar mijn roep om genade’ (Ps. 130:2). In Psalm 6 is dat ook wat hij uiteindelijk durft te beweren tegen zijn vijanden: ‘De heerhoort hoe luid ik ween, / de heerhoort mijn roep om erbarmen, / de heerneemt mijn smeekbede aan’. En de lofpsalm kan het dan van God zeggen: ‘U die ons bidden hoort’ (Ps. 65:3).

God die mij redt

God heeft met de aandacht die hij schenkt, de relatie nog niet hersteld. Hij zal ook concreet gehoor moeten geven aan de smeekbede van de bidder. Op horen volgt helpen: ‘Hoor mij, / haast u mij te helpen’ (Ps. 31:3). De smeekbeden tonen de gelaagdheid van de ellende en de vele gezichten van God. De bidder van Psalm 6 smeekt: ‘Heb erbarmen, heer’,’genees mij, heer’,’keer terug, heer,spaar toch mijn leven’, ‘red mij’. Elders is het de eigen schuld die vooropstaat: ‘Was mij schoon van alle schuld, / reinig mij van mijn zonden’ (Ps. 51:4). ‘Bij u is vergeving’, zegt Psalm 130. Maar als anderen het leven onmogelijk maken, klinkt het: ‘heer,kom mij haastig te hulp. // Dat beschaamd en vernederd worden / wie mij naar het leven staan, / met schande terugwijken / wie mijn ongeluk zoeken, / beschaamd zich omkeren / wie de spot met mij drijven. (…) u bent mijn helper, mijn bevrijder’ (Ps. 70:2-6).

God die een naam te verliezen heeft

De bidder probeert God te bewegen met zijn klachten en smeekbeden, maar ook door te spelen op het eigenbelang van God. ‘Help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam, / red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam.’ God moet zich realiseren dat hij een naam te verliezen heeft. Als God het bloed van zijn dienaren niet zou wreken, zouden de volken kunnen zeggen: ‘Waar is nu hun God?’ (Ps. 79:9-10; vgl.I Kon. 8:41-43).

Wat is nu die naam van God? Heel concreet dat hij een God is die helpt en bevrijdt (Ps. 106:8; Jer.14:7-9), en meer reflectief dat hij een God is die trouw is: ‘Toon mij uw trouw en red mij’ (Ps. 6:5). ‘U, heer, mijn God, / doe voor mij wat tot eer van uw naam is: / bevrijd mij, u bent goed en trouw’ (Ps. 109:21).

Let op het parallellisme, waarin ‘naam’ en ‘trouw’ naar elkaar verwijzen.

God die op Israëls lofzangen troont

Wat is een naam als deze niet verkondigd wordt? Het argument van Psalm 22: ‘U bent de Heilige, / die op Israëls lofzangen troont’, is meer dan een aardig beeld. Zonder de lof van Israël is deze koning nergens.

De bidder in Psalm 6 stelt: ‘Toon mij uw trouw en red mij, / want doden noemen uw naam niet meer! / Wie in het dodenrijk kan u nog loven?’ Psalm 30 zegt het nog scherper: ‘U, Heer, smeek ik om genade. / Wat baat het u als ik sterf, / als ik afdaal in het graf? / Kan het stof u soms loven / en getuigen van uw trouw?’ (lees ook Ps. 88:10-14). Met de dood van de mens eindigt zijn lofzang. Het dodenrijk is geen plek van God. De relatie tussen mens en God is met de dood definitief ten einde. Het belang van de lofzang van Israël voor God komt op een meer verborgen wijze naar voren in de redenering van Psalm 130: ‘Als u de zonden blijft gedenken, heer, / Heer, wie houdt dan stand? / Maar bij u is vergeving, / opdat men u eert met ontzag.’

De NBV heeft hier: ‘daarom eert men u met ontzag’.

De heer is geen God die zonden nadraagt, hij vergeeft ze. Voor de mens is dit het verschil tussen leven en dood. Een God die niet vergeeft, maakt doden. Bij zo’n God houdt de mens geen stand, hij valt, hij valt dood. God zal dus de mens vergeven, opdat deze in leven blijft om hem te eren met ontzag, dat is, hem te loven.

God die wij zo niet hoeven?

Het godsbeeld en het mensbeeld van deze psalmen wekken onze bevreemding. God die bevrijdt: daarin kunnen wij meegaan; maar God die tegelijk voor onze ellende verantwoordelijk is – dat zullen de meesten van ons hartstochtelijk afwijzen. Bidden om hulp en bevrijding: dat is herkenbaa15 maar spelen op Gods eigenbelang – dat zullen wij chantage noemen en van ons wegwerpen als een variant van do ut des.5God is voor de mens van de Psalmen verbonden met goed en met kwaad. Indien de mens kwaad ervaart, is God het adres. Hij zal hem ervoor verantwoordelijk houden -natuurlijk in alle nuances en subtiliteiten – en hem erop aanspreken. Hij zal de relatie niet verbreken maar juist aandringen en volhouden. Er is geen wereld buiten God, God is zijn wereld. De genade van God ervaren is leven. Een mens die het contact met hem opgeeft, is een levende dode. In goed en in kwaad staat de relatie met God voorop.

De mens van de Psalmen is in zijn relatie met God niet niets. Hij is degene die God looft. Het belang van deze lof is groot. De schepping zal voltooid zijn als ‘alles wat adem heeft’ God looft (Ps. 150), ‘bewoners van de hemel’ en ‘bewoners van de aarde’ (Ps. 148), maar het initiatief voor deze lof ligt bij Israël. In de tempel van Jeruzalem klinken de uitnodigingen: ‘Juich de heer toe, heel de aarde’ (Ps. 100), en daar wordt vooruitgelopen op deze wereldwijde lof. De mens van de Psalmen kent zijn waarde. Hij kruipt niet voor God, hij staat en looft (Ps. 134). Zo wordt Gods naam machtig op heel de aarde (Ps. 8). Deze mens neemt zichzelf serieus als hij in zijn relatie met God uitspreekt wat beiden aan elkaar hebben.

Scheppen: één motief in vele (con)teksten

Los van context en functie gaat theologie rondzingen. Wat zegt het nu eigenlijk als we God schepper van hemel en aarde noemen? De creationist in de Verenigde Staten zal daarmee etaleren dat hij rechtzinnig is en anderen niet. Zo wordt theologie tot oordeel. Wat is de context en de functie van het scheppingsmotief in de Psalmen? We maken hier een keuze uit de diverse contexten waarin het motief gebruikt wordt, en vragen naar betekenis en reden.

God die hemel en aarde gemaakt heeft

Vijfmaal lezen we ‘de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft’. Wat wij kennen als liturgische formule, was het al in het Psalter: ‘Onze hulp is de naam van de Heer / die hemel en aarde gemaakt heeft’ (Ps. 124:8). Het scheppingsmotief is in deze formule gekoppeld aan de notie dat God de mens helpt (Ps. 121:2; 124:8; 146:6) of zegent (Ps.115:15; 134:3).

Maar wat nu maakt een schepper zo geschikt om te helpen of te zegenen? Psalm 146 zoekt het in zijn eeuwigheid. Een schepper is immers van alle tijden. Een mens, zelfs een machtige mens, iemand die een ander kan helpen met plannen, geld en invloed, is uiteindelijk niet meer dan een sterveling: ‘Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde, / op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder’. God is en blijft, en zijn hulp is daarmee gegarandeerd. Gods eeuwigheid omsluit dan ook het tweede deel van deze psalm (vv. 6c en 10a). Maar in Psalm 121 speelt deze eeuwigheid geen rol van betekenis. Daar is het veeleer het inzicht, dat een schepper macht heeft over wat hij geschapen heeft. Hij kan je behoeden voor de zon en de maan, misschien ook de slang en de schorpioen op je pad, voor wat men in Kanaän beleeft als goddelijke, en dus ook potentieel bedreigende, machten (vv. 3 en 6; zie ook Ps. 91). Weer een andere invalshoek biedt Psalm 115. Daar staat de schepper tegenover de neuzelende goden van de volken, die er wel aardig uitzien (zilver en goud!), maar niets klaarkrij-gen. ‘Onze God is in de hemel, / hij doet wat hem behaagt’. Hij is te vertrouwen, ‘hun hulp is hij, hun schild’.

God die aarde en land gebaard heeft

De verbeelding dat de schepping een geboorte is en dat God als moeder aarde en land baart, verdient om haar bijzondere plasticiteit vermelding: ‘Nog voor de bergen waren geboren, / voor u aarde en land had gebaard – / u bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid’ (Ps. 90:2; vgl. Deut. 32:18; Job 15:7; Spr. 8:24). Gewoonlijk wordt voor de schepping de term ‘maken’ gebruikt en daarmee komt het mannige beeld van de bouwvakker op: ‘die de hemel maakte, met wijsheid, (.) die de aarde uitspreidde, op het water, (.) die de grote lichten maakte’ (Ps. 136:4-7; vgl. 135:6-7).

Psalm 139 verbeeldt de schepper als wever, of vermoedelijk beter weefster: ‘U was het die mijn nieren vormde, / die mij weefde in de buik van mijn moeder’. De betrokkenheid van God bij het eigen voorbegin van de spreker – hij heeft zijn geweten (‘nieren’) geschapen en kent hem tot in het kleinste detail (‘was mijn wezen voor u geen geheim’) – verzoent hem met de noodzaak zich te schikken in een beoordeling door hem (zie vv. 23-24). Deze meditatie op de eigen schepping, het derde deel van de psalm (vv. 13-18), krijgt een extatisch karakter waar de spreker opgaat in de oneindige overwegingen van God bij zijn schepping: ‘ontwaak ik (uit mijn extase), dan nog ben ik bij u’.

De bidder van Psalm 22 verbeeldt de nabijheid van zijn God in een ander beeld van schepping, dat van de vroedvrouw: ‘U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald, / mij aan haar borsten toevertrouwd, / bij mijn geboorte vingen uw handen mij op, / van de moederschoot af bent u mijn God’. Hiermee geeft hij de spot van de mensen om hem heen – ‘Wend je tot de heer! Laat hij je verlossen, / laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’ – een heel eigen wending (vv. 7-n).

God schepper, koning, rechter

Psalm 96 bestaat uit drie hymnische sequenties (vv. i-6, 7-10, 11-13), waarin God geprezen wordt als schepper (v. 5), koning (v. 10) en rechter (v. rj). In Psalm 93-99 en ook wel elders is God eerst en vooral koning, maar Psalm 96 toont dat dit koningschap berust op het feit dat hij de wereld geschapen heeft. Zijn rechterschap is een belangrijke geopolitieke functie, die hij als koning te vervullen heeft. De psalm in I Kronieken 16, die onder andere Psalm 96 citeert maar er een gebed aan toevoegt, toont dat het hier om meer gaat dan een verheven gedachte en dat het sociale en politieke lot van Israël op het spel staat. God dient als rechter de volken in toom te houden, zodat er voor Israël leven is.

Maar ook de schepping zelf heeft wereldwijde implicaties. Psalm 104 bezingt God als de schepper die doorgaat met scheppen, elke dag opnieuw. Het leven van een ieder ligt in Gods hand. In deze creatio continua toont hij zich ook als de schepper die zijn schepping ongedaan maakt, chaos schept, omdat het leven op aarde ook een ethisch gezien goed leven moet zijn (Ps. 107:33-4!). Psalm 136:25 is wat korter door de bocht en positief: ‘hij geeft brood aan alles wat leeft’ (vgl. Ps. 65:10-14).

Besluit

Het Psalter schetst in de eerste twee psalmen zijn ideale lezer: de mens die leeft met de wet van de heer en zich aan hem toevertrouwt. Het gaat daarin om een heiliging van het leven en om een vasthoudende hoop op een toekomst van vrede. In het corpus van het boek vinden de meeste psalmen elkaar in eenzelfdeAnliegen: de omgang van de mens met God. De onvermijdelijke ellende van het leven roept de vraag op of God de relatie verbroken heeft. In de Psalmen kan de mens een weg vinden van woede, verdriet en schuldgevoel naar vreugde, en van angst naar vertrouwen – een weg terug naar God. God is uiteindelijk degene die hoort en helpt. Het thema schepping lijkt ons van deze God weg te voeren in de richting van de oorsprong van de wereld. Niets blijkt minder waar. Als de Psalmen over God als schepper spreken, is dat meestal om uit te drukken dat God ook werkelijk in staat is de mens te helpen en te zegenen, te redden en te beschermen. Het boek heeft een open einde. Het sluit met een visioen van muziek en eensgezinde zang, maar de strijd is nog niet gestreden.

Literatuur

  • O. Keel, De wereld van de oud-oosterse beeldsymboliek en het Oude Testament: toegelicht aan de hand van de Psalmen, Kampen 1984 [oorspronkelijke titel:Die Welt der alt-orientalischen Bildsymbolik und das Alte Testament: Am Beispeil der Psalmen, Zürich 1972], biedt een uitstekende inleiding in de beeldtaal van de Psalmen, bijvoorbeeld over het thema schepping.

  • Een rijke analyse van de klaagpsalmen is te vinden in B. Janowski,Konfliktgespräche mit Gott: Eine Anthropologie der Psalmen, Neukirchen-Vluyn 2009

    De oude Romeinse uitdrukking, ‘ik geef, opdat U geeft’, drukt de verwachting uit van de mens die een offer brengt aan God, dat deze hem daarvoor iets teruggeeft.

    .

  • G. Anderson,A Time to Mourn, a Time to Dance: The Expression of Grief and Joy in Israelite Religion, Pennsylvania State University 1991, biedt een boeiende beschrijving van rituelen van vreugde en verdriet in de Psalmen.

  • Zie voor een overzicht van oorlogs- en vredesteksten H. van Grol, ‘War and Peace in the Psalms: some compositional explorations’, in: J. Liesen / P. Beentjes (eds.), Visions of Peace and Tales of War (Deuterocanonical and Cognate Literature Yearbook 2010), Berlin 2010, pag. 73-206.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken