5.3. Gebed om hulp
Zie ook
Heidelbergse Catechismus
Vraag: Wat is de zesde bede?
Antwoord: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Dat wil zeggen: omdat wij uit onszelf zo zwak zijn, dat wij geen ogenblik staande zouden kunnen blijven, en omdat bovendien onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten, wil ons toch door de kracht van Uw Heilige Geest overeind houden en sterken, opdat wij in deze geestelijke strijd niet bezwijken, maar altijd krachtig weerstand bieden, totdat wij uiteindelijk volkomen de overhand krijgen.
Relatie van het thema tot het hoofdthema
Het geloof in het kruis en de opstanding van Christus (zie schets 5.2) is vaak een aangevochten geloof. Waar het vuur van het geloof is, is meestal ook de rook van de twijfel. In de Schrift zien we hoe gelovigen met hun – soms zeer existentiële − twijfelvragen tot God gaan (vgl. Ps. 13; Ps. 142; Mat. 11:3; Mat. 14:30). Daarmee wijst de Geest ons het evangelische spoor voor de omgang met twijfelvragen, ook voor vandaag. Hoewel twijfel alleen door de Here Zelf gestild kan worden, sluit dat ons gebed niet uit, maar juist in. Daarom in de serie themapreken over de vraag ‘Is God er wel?’ nu een preek over de zesde bede van het Onze Vader: een gebed om hulp.
De leefwereld van de hoorder
Voor de moderne mens is bidden veelal een gedateerd ritueel. Als het al positief geduid wordt, wordt het vooral therapeutisch gezien: onder het aanroepen van een hogere macht voert de bidder een gesprek met zichzelf om zo met zichzelf in het reine te komen. Ook in de gemeente leven er veel vragen over de praktijk van het bidden, zeker bij jongeren. Hoort God ons wel? Komt er ook iets terug? Wat verandert er eigenlijk door het gebed? Tegelijk zijn er – gelukkig – ook gemeenteleden voor wie de biddende omgang met de Vader in de hemel een wezenlijk onderdeel van hun (geloofs)leven is. Dat geldt ook voor kinderen die een positief christelijke opvoeding krijgen met biddende ouders als voorbeeld.
Over het thema ‘verzoeking’ bestaat veel onduidelijkheid. In de volksmond zal het zo veel betekenen als: een verleiding tot ongewenst gedrag. Sinds de Verlichting geloven veel mensen niet meer in het bestaan van de duivel. Men ziet hem hooguit als de personificatie van het radicaal boze (Kant) of als een projectie van de menselijke geest. Ook in de christelijke gemeente lijkt het besef van de macht en het rijk van de boze tanende.
Met het oog op de tieners
Hoe tieners hun leefwereld ervaren wordt kort en duidelijk weergegeven in deze uitspraak van Franca Treur (in een gesprek met de EO):
‘Religie zit in de hoofden van mensen. Of God bestaat of niet kunnen we niet zeggen. Maar aannemelijk lijkt het me niet. Dat de Bijbel Gods openbaring is, is niet echt een sterk argument als je bedenkt dat er ook andere heilige boeken zijn, die hetzelfde claimen. Ik ben opgevoed met een God die op mij wacht in het hiernamaals en het kaf van het koren scheidt. Daar geloof ik niet meer in. Ook niet een heel klein beetje.’
Met het oog op de kinderen
Ook kinderen worden beïnvloed door de leefwereld zoals hierboven beschreven, door wat ze in hun omgeving leren en op tv zien. Het bestaan van de duivel is een thema dat niet vaak ter sprake gebracht wordt, ook in de kerk niet, zodat kinderen zich daar misschien weinig van bewust zijn.
Uitleg
Het valt op dat de Heidelbergse Catechismus in de verklaring van het Onze Vader niet zozeer een uitleg geeft óver het gebed, als wel daadwerkelijk een gebed uitspreekt als voorbeeld: de antwoorden 122-128 laten zich bidden. Er is geen gebedsuitleg buiten de gebedspraxis om (A. Huijgen). De catechismus wil de leerling niet alleen leren, maar veel meer stimuleren om de omgang met de Here te zoeken.
In de zesde bede van het Onze Vader wordt dat geconcretiseerd rond het thema ‘verzoeking’. In het Nieuwe Testament is verzoeken (peiradzein) praktisch synoniem met beproeven (dokimadzein), maar met één belangrijk verschil: God beproeft, de duivel verzoekt (Jak. 1:13-14). Verzoeking kan dan omschreven worden als de zuigkracht die de gelovigen bij God vandaan wil houden.
Deze dreiging is reëel omdat Gods kerk leeft in bezet gebied. Er zijn machten die wij niet in de hand hebben en die sterker zijn dan wijzelf. Dat heft overigens de menselijke verantwoordelijkheid niet op en vermindert onze schuld niet. Het geeft wel aan dat het christelijke leven in het teken staat van de strijd (Ef. 6:10-12). Deze machten worden ‘doodsvijanden’ genoemd. Niet alleen omdat het geduchte tegenstanders zijn, maar ook omdat ze erop uit zijn scheiding te maken tussen de Here en ons. En dat betekent in de evangelische zin van het woord de dood.
Er worden drie machten genoemd. Allereerst de duivel (diabolos). Dat is de uiteenwerper, de scheidingmaker. De duivel is de grote tegenstander van God die erop uit is God en mens uit elkaar te drijven. Dan de wereld. Dat is hier niet de wereld die voorwerp is van Gods liefde (Joh. 3:16), maar het gebied waarover de duivel heer en meester is geworden, en die daarom de plaats is waar men van God niet wil weten (1 Joh. 2:15). Ten slotte ons eigen vlees. Er zijn niet alleen externe vijanden, er is ook een interne tegenstander. ‘Vlees’ is hier dan de omschrijving van wat het Nieuwe Testament ‘de oude mens’ noemt: de mens zoals hij van nature is, inclusief zijn zondige begeerten.
Naast deze doodsvijanden is er ook sprake van menselijke zwakheid, kwetsbaarheid en weerloosheid, die in de uitleg van de catechismus eerlijk beleden wordt en die vrucht is van het werk van de Geest. Want slechts vanuit God leert een mens zichzelf kennen.
Daarom wordt indringend gebeden om de kracht van de Heilige Geest. Dat is de opstandingskracht van Christus die door de Heilige Geest effectief wordt. Daarbij is niet allereerst te denken aan een bijzondere ervaring of een manifestatie van geestelijke energie, maar aan de inwoning van Christus in de harten door het geloof (Ef. 3:16-17). Dat is de manier waarop de kracht van de Geest versterking brengt.
Zo is er ook perspectief op de volkomen overwinning. Door Jezus Christus, die Zelf als de verpersoonlijking van de ware verbondstrouw in de verzoeking volhard heeft (Mat. 4:1-11) en die in alle verzoekingen de zijnen bijstaat (Hebr. 2:18; 4:15).
Relevantie van het thema
De christelijke gemeente neemt vandaag de dag op veel manieren een vergelijkbare positie in als de christenen uit het begin van onze jaartelling: een kleine minderheid te midden van een omgeving die heel andere godsdienstige opvattingen huldigt. Maar in tegenstelling tot toen, is de huidige samenleving niet doortrokken van godsdienst. Niettemin zijn er vanuit de zesde bede van het Onze Vader – ‘een dubbele noodkreet uit de diepte’ (A.A. van Ruler) – duidelijke lijnen te trekken.
Twijfel en aanvechting zijn er vandaag volop in allerlei variaties, ook in de christelijke gemeente. Het christelijk geloof is de vanzelfsprekendheid voorbij en is – net als in het begin van onze jaartelling – een aangevochten geloof geworden. Hoe daarmee om te gaan? De zesde bede wijst daarvoor een duidelijke en geestelijke weg: door twijfel en aanvechting (die ook het gebed kunnen raken) aan de Here Zelf voor te leggen. Twijfel en aanvechting kunnen gekoesterd, genegeerd en gebagatelliseerd worden, zoals meer dan eens gebeurt. Maar heilzaam is dat niet. De weg van de Geest is ook in deze tijd de weg van de gebeden.
Daarbij is het juist vandaag goed om te zien dat de twijfel waarover de catechismus spreekt, vooral een twijfel is van de gelovige aan zichzelf. De tegenstand van de duivel, de wereld en het eigen vlees, gecombineerd met het besef van eigen onvolkomenheid, leidt tot deze twijfel aan zichzelf. Twijfel en aanvechting kunnen zeker God en Zijn actieve presentie en handelen raken, zoals de Schrift laat zien. Maar gaan we tegenwoordig niet te veel voorbij aan ‘zelftwijfel’? Zijn we wellicht te veel vervuld van de eigentijdse notie van de zelfaanvaarding, zodat we het bijbelse zicht op wie we zelf zijn voor de Here zijn kwijtgeraakt? En zou het geestelijke inzicht van de catechismus dan niet een heilzame correctie hierop kunnen geven? Dit kan leiden tot meer bijbelse zelfkennis, die uiteindelijk door de Here Zelf wordt gegeven.
Ook is te wijzen op de grote betekenis van de ‘machten’. Dat zijn onzichtbare geestelijke krachten die zich aan Gods heerschappij onttrekken (zoals de duivel en zijn demonen, maar ook machten en krachten in de samenleving) en die volgens het Nieuwe Testament op de achtergrond van het wereldtoneel een wezenlijke rol spelen (Ef. 6:12). Hoewel de wetenschap ons veel inzichten heeft geleverd over mens en samenleving, is het nog altijd duidelijk dat de manier waarop het leven zich voltrekt een voor ons ondoorzichtig en complex gebeuren is, waarin zowel menselijk handelen als factoren van buitenaf een rol spelen. Er zijn machten die we niet in de hand hebben. De catechismus helpt ons om die machten te duiden. Maar belangrijker nog: het leerboek maakt ook duidelijk dat er desondanks geen enkele reden is om te vervallen in determinisme of fatalisme, of om ons te verschuilen achter onze levensomstandigheden. Er is hoop! Want Jezus Christus is in de verzoeking trouw gebleven aan Zijn messiaanse roeping. En door Zijn Geest wil Hij in de navolging onze harten versterken.
Met het oog op de tieners
De meeste jongeren ervaren hun bestaan als boeiend en dynamisch. Tegelijk zijn ze op de weg naar de volwassenheid vaak erg onzeker – vooral over zichzelf, ook als het gaat om hun geloof in God. In hun beleving is er bijna niemand die hen begrijpt. Hier bewijst het antwoord uit de catechismus zijn relevantie door de jongeren in hun onzekerheid en aanvechting de weg naar God te wijzen. Onzekerheid (over het geloof) is niet iets om voor God te verbergen, maar juist iets om bij Hem te brengen.
Met het oog op de kinderen
Voor de kinderen in de gemeente zal het wellicht iets moeilijker zijn de relevantie aan te wijzen. Zij hebben nog weinig zicht op de volle werkelijkheid van het leven. In hun bestaan als kind is de zorg van God als de hemelse Vader soms heel vanzelfsprekend. Daarin mogen ze bemoedigd worden. Tegelijk mogen ze in alle eenvoud gewezen worden op deze bede: het gebed of de Here ons bewaren wil voor verkeerde dingen, verkeerde vrienden en verkeerde daden.
Relevante bijbelgedeelten
-
Mattheüs 4:1-11: over de verzoeking van Jezus.
-
Efeze 6:10-20: over de machten, de geestelijke strijd en de wapenrusting van God.
-
Hebreeën 2:17-18 en Hebreeën 4:14-16: over Jezus de Hogepriester, die in de verzoeking te hulp komt.
-
Jakobus 1:2-18: over verzoeking en beproeving.
Aanwijzingen voor de leerdienst
Doelstelling
Tegen de achtergrond van de concrete twijfelvragen die in de gemeente leven, heeft zij vanuit de Schrift gezien wat inhoud en achtergronden van de zesde bede van het Onze Vader zijn. Daarnaast heeft de gemeente ontdekt hoe actueel en concreet deze bede vandaag de dag ook is en heeft ze geleerd om in de eigen situatie dit gebed om hulp te bidden.
Homiletische aanwijzingen
Bij een preek over dit thema is het belangrijk te verdisconteren dat de catechismusuitleg van de zesde bede niet alleen een verklaring is van de inhoud, maar vooral een daadwerkelijk gebed, bedoeld om voor Gods aangezicht uitgesproken te worden. Daarom hoede men zich voor al te veel onderwijs in de preek. Laat de verkondiging vooral van spiritualiteit doortrokken zijn, waarbij zowel de hele gemeente als het individu zich aangesproken voelt.
Om direct de aandacht van de hoorders te hebben, kan de preek bijvoorbeeld beginnen met een concreet voorbeeld uit de Schrift (zoals de twijfel van Johannes de Doper, Mat. 11:2-6), of een pakkend beeld (zoals het beeld van touwtrekken, zie onder ‘Helpende vormen’), of een vraag ontleend aan de pastorale praktijk (zoals de vraag die een jongere me ooit stelde: ‘Waarom bezwijk ik toch zo vaak voor verleiding?’), of een voorbeeld ontleend aan de actualiteit, de media of de reclame.
In het begin van de preek kunnen de kernwoorden uit de bede en uit het antwoord van de catechismus kort en in hun onderlinge samenhang uitgelegd worden. Laat vooral zien hoe door en door bijbels deze kernwoorden zijn en hoezeer hier het bijbelse denken haaks staat op het denken van onze tijd. In deze kernwoorden (verzoeking, boze, strijd, eigen zwakheid) openbaart de Here ons zaken die we vanuit onszelf niet weten, maar die wel typerend zijn voor het christen-zijn in onze tijd. Dat kan met een paar passende voorbeelden worden toegelicht. Bijvoorbeeld door te wijzen op de grote nadruk die tegenwoordig gelegd wordt op opkomen voor jezelf, in tegenstelling tot de bijbelse oproep tot zelfverloochening. Of door de grote invloed van media en reclame te leggen naast het bijbelse gegeven dat we van onszelf zwak zijn. Ook kan het hoofdthema van dit hoofdstuk hier goed een plaats krijgen: de (twijfel)vraag naar de aanwezigheid en activiteit van de Here.
Daarmee wordt ruimte geschapen om praktisch en persoonlijk te spreken over aanvechting en twijfel. Hoe wordt het leven in deze tijd ervaren? Welke twijfels en aanvechtingen zijn ons deel? Benoem bijvoorbeeld concrete vragen die in het pastoraat aan de orde komen, of vragen die in ons eigen leven een rol spelen. Daarbij is het belangrijk om uit te leggen dat de twijfel in deze bede vooral de twijfel van de gelovige aan zichzelf is. Kennen we onszelf in dit opzicht? Of moeten we eerst ons eigen leven bij het licht van de Schrift leren verstaan? Laat ondertussen wel duidelijk uitkomen dat deze twijfel niet in mindering komt op de zekerheid. Maar die zekerheid ligt buiten ons, in de belofte het eigendom van Christus te zijn. En zo kan de gemeente naar het eigenlijke punt in deze preek gevoerd worden: vanuit de verzoekingen Gods aangezicht zoeken in de gebeden om door de kracht van de Geest gesterkt te worden, een gebed dat de Here zeker wil verhoren.
Van hieruit kan dan Jezus Christus verkondigd worden, de Hogepriester die alle verzoekingen doorstaan heeft, de zijnen in de verzoeking te hulp komt en het uitzicht op de volkomen overwinning opent.
Met het oog op de tieners
Ook tieners kennen verzoeking, verleiding en aanvechting. Gedachten zoals geformuleerd door Franca Treur (zie hierboven) kunnen bij hen ook bovenkomen. Het is belangrijk dit te benoemen, zodat jongeren zich hierin kunnen herkennen. Wijs tieners er dan op dat ze daarmee naar God kunnen gaan en tot Hem kunnen bidden: ‘Here, houd mij door Uw Geest overeind!’
Met het oog op de kinderen
Waarschijnlijk spelen vragen die tieners hebben nog niet bij kinderen. Maar zij kunnen wel gewezen worden op het gebed als een prachtig middel om God te vragen om vergeving en leiding.
Pastorale aanwijzingen
Een preek over dit thema biedt de voorganger royaal mogelijkheden om de verkondiging een pastoraal karakter mee te geven. Zonder volledig te zijn, noem ik het volgende. De voorganger kan vanuit de Schrift laten zien dat geloof nooit zonder aanvechting en strijd is. Dat zal in de gemeente veel herkenning oproepen, ook bij jongeren.
Ook kan gewezen worden op de manier waarop mensen met twijfel en aanvechting om kunnen gaan: negeren, bagatelliseren, koesteren. Maar dat is uiteindelijk schadelijk voor ons geestelijk welzijn en onze geestelijke weerbaarheid. Veel vruchtbaarder is de weg die de Here hier wijst: vanuit aanvechting en twijfel, mét erkenning van eigen zwakheid, de hulp van Gods Geest inroepen. Laat de gemeente op een warme en wervende manier daartoe gestimuleerd worden: zend uw SOS maar uit! En Hij die meer kan doen dan wij bidden of bedenken, zal in al onze nood heerlijk voorzien in Jezus Christus (Filp. 4:19).
Ten slotte wijs ik hier op de mogelijkheid om in de preek gericht in te gaan op de praktijk van het bidden, wat door menig gemeentelid (niet alleen jongeren) als problematisch wordt ervaren, om zo een concreet stukje geestelijke leiding te geven.
Met het oog op de tieners
Zie de algemene pastorale aanwijzingen. Tieners kunnen erop gewezen worden dat twijfel hoort bij het geloof. Dat kan hen ‘geruststellen’, omdat ze gemakkelijk kunnen denken dat het een teken van ongeloof is. Als ze beseffen dat het bij het geloofsleven hoort, is het ‘makkelijker’ om de hulp van God in te roepen.
Met het oog op de kinderen.
Zie de algemene pastorale aanwijzingen. Het belang van gebed kan kinderen niet genoeg duidelijk gemaakt worden. Als ze al jong leren alles wat zich in hun leven afspeelt, bij God te brengen, zal het later makkelijker zijn dit te blijven doen.
Liturgische aanwijzingen
Naast allerlei psalmen en liederen die op zichzelf al gebeden te midden van twijfel en aanvechting zijn, valt te denken aan de volgende liederen:
-
Psalm 27:7 (OB en NB), 84:3 en 4 (OB en NB), 118:7 en 8 (OB), 139:1, 2 en 14 (NB).
-
Enige Gezangen: Gezang 5 (Gebed des Heeren):7, 8 en 9; Gezang 12 (Avondzang): 4, 5 en 7.
-
Liedboek voor de kerken: Gezang 48, 298 en 423.
-
Opwekking 124.
Helpende vormen
In de voorbereiding op de preek kan de gemeente via e-mail en social media gevraagd worden naar hun gedachten over en vragen bij het thema. Die kan de voorganger dan gepast en geanonimiseerd gebruiken. Wie gebruik wil maken van een getuigenis, kan iemand vragen te getuigen hoe hij of zij in Gods kracht een verslaving mocht overwinnen. Wie de preek positief wil beginnen, kan het lied ‘Ik bouw op U’ citeren, met daarin de bekende regels: ‘Sterk in Uw kracht, gerust in Uw bescherming’, om vervolgens van daaruit de lijn naar de preek te trekken. Omdat het antwoord van de catechismus zelf een gebed is, is het goed deze woorden ook in de gebeden (door de voorganger of door een gemeentelid) te bidden. Ten slotte kan heel de gemeente een samenvatting worden meegegeven met gespreksvragen, literatuurtips enzovoort voor verwerking in gezin, kring en bijbelstudiegroep.
Met het oog op de tieners
Voor kinderen en tieners is het voorbeeld van touwtrekken nog altijd aansprekend. Een christen is als de rode vlag aan het touw bij touwtrekken. Aan de ene kant trekt de Here door Zijn Geest aan ons, aan de andere kant de genoemde vijanden. Wat moeten we nu doen? We roepen vanuit onze zwakte God om hulp.
Met het oog op de kinderen
De betrokkenheid van kinderen kan gestimuleerd worden door in overleg met kinderwerkers uit de gemeente een passend ‘kerkboekje’ samen te stellen. Zie daarvoor de internetsite van verschillende jeugdwerkorganisaties.
Leg aan de kinderen aan het begin van de preek de volgende vraag voor en vertel in de preek hoe zij elkaar kunnen helpen (en hoe anderen hen kunnen helpen). ‘Stel dat je heel erg twijfelt of God er is, maar toch graag in Hem zou willen geloven, wie zou jou dan kunnen helpen en hoe? Je ouders? Een van je vrienden? Jouw catechisatiegroep? De Here God Zelf? Nog iemand anders? Maak voor jezelf een keuze. In de preek kom ik er zo meteen nog op terug…’
Literatuur
-
J.H. van de Bank e.a. (red.), Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus. Zoetermeer, 1993, p. 458-464.
-
G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek. Een inleiding. Zoetermeer, 2012, p. 303-307 (over de duivel als onpersoon).
-
Arnold Huijgen e.a. (red.), Handboek Heidelbergse Catechismus. Utrecht, 2013, p. 303-311 (over het gebed in de Heidelbergse Catechismus).
-
Noordegraaf e.a. (red.), Woordenboek voor bijbellezers. Zoetermeer, 2005, p. 55-59 (over beproeving en verzoeking).