Menu

Premium

5. Heilig Script (2)

Onderdeel van Horen naar de stem van God

De Schrift als script

Al met al is wel duidelijk dat de hermeneutische discussie van de laatste decennia een spanningsveld heeft zichtbaar gemaakt tussen de afgesloten canon en de historische bepaaldheid van de Schrift enerzijds en de mogelijkheid om Gods stem vandaag hoorbaar te maken anderzijds. De neiging kan bestaan die spanning naar één van beide zijden op te lossen. De ene pool wordt gevormd door de positiekeus die zich zo veel mogelijk distantieert van de hermeneutische problematiek en zich op het standpunt stelt dat we een tekst kunnen begrijpen als we de kunst van het lezen machtig zijn. Homiletisch gezien valt dat te vertalen in een visie die zich eenzijdig concentreert op de geschreven tekst en de veranderende werkelijkheid van de hoorders als minder relevant beschouwt.

Sommige varianten van ‘expository preaching’ verdedigen inderdaad sterk een te probleemloze benadering van de Schrift, bijvoorbeeld door een eenzijdige visie op hermeneutiek als uitlegkundige regels met voorbijgaan van de actuele vraagstellingen rond het proces van het tot verstaan komen dat de lezer doormaakt. Zie bijvoorbeeld: James E. Rosscup, ‘Hermeneutics and Expository Preaching’, in: John MacArthur jr, Rediscovering Expository preaching. Balancing the Science and Artof Biblical Exposition. Richard Mayhue (ed.), Dallas 1992, 119-136.

Op de andere pool dreigt verwaarlozing van de Schrifttekst als minder relevant in de situatie van de hoorder vandaag. Homiletisch gezien ligt de kunst juist in het bewaren van die spanning.

Een belangrijk voorstel in deze richting is gedaan door Edward Farley.

Edward Farley, ‘Preaching the Bible and Preaching the Gospel’, in: Theology Today 51(1994) 4, 90-103.

Hij betoogt dat veel preken meer het materiaal van de gekozen Schriftpassage behandelen dan dat ze echt het evangelie in de concrete situatie brengen. Preken over een gekozen perikoop kan er in de praktijk gemakkelijk toe leiden dat een geschreven passage geïsoleerd dreigt te worden uit het geheel van de wereld van het evangelie. Die wereld van het reddende evangelie sluit namelijk ook de prediker en zijn hoorders in. Vanuit die waarneming stelt hij de vraag of we niet liever het evangelie zouden moeten preken in plaats van de Bijbel. Dat is exact de vraag waarover het gaat. Preken betekent het reddende evangelie brengen in de concrete levenswerkelijkheid van het hier en nu. Zonder daarbij de Schrift los te willen laten pleit Farley voor een nieuw post-biblicistisch preekparadigma.

Vgl. Edward Farley, ‘Toward a New Paradigm for Preaching’, in: T.G. Long/E. Farley (eds.), Preaching as a Theological Task. World, Gospel, Scripture. In Honor of David Buttrick. Louisville 1996), 165-175.

De richting die hij wijst is belangrijk om recht te doen aan de ene werkelijkheid van het preekgebeuren waarbinnen de Geest Schrift, prediker en hoorder aan elkaar verbindt. Hoe een en ander homiletisch te concretiseren valt blijft overigens vaag bij Farley.

Belangrijke aanzetten in deze richting geeft ook Kees van Dusseldorp, die uitvoerig de categorie verhaal verkent in zijn betekenis voor de preek en spitst dat o.a. toe op het verhaal van God. Hij pleit er voor dat we daarmee niet alleen de Schrift als geheel aanduiden, omdat in de prediking het verhaal van God immers verder gaat. Om in dat geheel de bijbelse oriëntatie te bewaren pleit hij er voor de tekstbetrokkenheid van de preek niet prijs te geven. Kees van Dusseldorp, Preken tussen de verhalen. Een homiletische doordenking van narrativiteit. Utrecht 2012, zie hoofdstuk 5 (m.n. 162).

Om de bovengenoemde spanning nader uit ter werken voor de homiletiek sluit ik me daarom aan bij een suggestie die oorspronkelijk gedaan werd door de Engelse nieuwtestamenticus N.T. Wright in de discussies rond biblical theology.

N.T. Wright, ‘How can the Bible be Authoritative?’, in: Vox Evangelica XXI (1991), 7-31.

De centrale vraag waar zijn bijdrage over handelde was die naar het gezag van de Schrift. Maar de inhoudelijke tendens van zijn voorstel maakt het bijzonder geschikt voor homiletische toepassing en uitwerking. In het vervolg bied ik zo’n schets in hoofdlijnen.

Uitgangspunt van zijn betoog is de stelling dat de theologische autoriteit van het Bijbelverhaal verbonden moet worden met de overkoepelende verhalende vorm (het verhaal als geheel is gezaghebbend omdat het vertelt van Gods heil en oordeel). In dit kader introduceert Wright ter adstructie de vergelijking met een (fictief) onvoltooid drama van Shakespeare. Er zijn vier bedrijven bekend en het begin van het vijfde. Daarin zitten aanwijzingen hoe het ongeveer zou moeten aflopen, maar de rest van het vijfde bedrijf ontbreekt in de tekst. Stel dat een dergelijk drama ontdekt zou worden, hoe zouden de acteurs dan te werk moeten gaan als ze het drama op de planken zetten? Er is geen uitgewerkt script voor het vijfde bedrijf beschikbaar, de acteurs zullen dus zelf improviserend hun inbreng moeten leveren. Tegelijkertijd hebben ze geen ongelimiteerde vrijheid om hier een eigen tekst te produceren. Het overkoepelende geheel is bindend. Wat hun voor alles te doen staat is dat ze zich de beschikbare tekst volledig eigen maken. Zo raken ze vertrouwd met de bedoelingen van de auteur en pas dan staan ze goed voorgesorteerd om hun rol te vervullen binnen het geheel. Bovendien is het van belang dat de acteurs echte Shakespeare-kenners zijn en goed getraind in het opvoeren van zijn toneelwerk. Pas dan zal de noodzakelijke improvisatie werkelijk recht doen aan de strekking van het script en de bedoelingen van de auteur.

Vanuit deze metafoor wordt de Bijbel dus gezien als een script. De vier bekende bedrijven vormen respectievelijk de acte van de schepping, de zondeval, Israël en Jezus, terwijl de vijfde acte de missie van de kerk beslaat. Inderdaad is de start van die laatste acte duidelijk beschreven en bestaat er een globale schets van de afloop.

De indeling van de actes is uiteraard anders te kiezen. Zie bijvoorbeeld Samuel Wells, die Wrights indeling kritiseert en een goed doordacht alternatief biedt. Samuel Wells, Improvisation. The drama of Christian Ethics. Grand Rapids 2004, 53. Hoewel niet onbelangrijk is de indeling als zodanig voor de hantering van de metafoor van minder belang.

Maar het ontbreken van een scriptdeel dat voorziet in een tekst die primair voor vandaag is geconcipieerd roept de vraag op, hoe de Schrift in haar boodschap en betekenis verbonden moet worden met de werkelijkheid van vandaag. Dat is precies een kernvraag die de homiletiek intensief bezig houdt. Daarnaast is ook de nadruk die in de metafoor gelegd wordt op de inschakeling van vertrouwde en ervaren acteurs homiletisch van belang: Het gaat in de prediking niet om een uiterlijke overeenstemming met de overgeleverde teksten, de prediker zelf moet zich verbinden en verbonden hebben met de boodschap van de Auteur. Preken is geen rol, die je even kunt loslaten, maar een way of life. Gods Woord wordt je pas eigen als je je er aan gewonnen geeft. Dat is de kern van gehoor-zamen.

Het model van Wright (en in zijn spoor ook Wells) heeft een brede spits. Het is bedoeld voor de gemeente als geheel en wil een ontwerp zijn voor gezamenlijke ‘improvisatie’ van het christelijke leven, in trouw aan de bedoelingen van God. Doorgaans heeft de prediker in de gereformeerde traditie de prediker een meer geïsoleerde plaats. Internalisering van de dramametafoor kan hem daarom helpen zich te realiseren dat hij een rol vervult te midden van een gezelschap, waar het Woord van God ’rijkelijk woont’ (Kol. 3:16). Voor de preekvorm zouden daar ook conclusies uit te trekken zijn m.b.t interactie en dialoog.

In dit hoofdstuk staat de functie en betekenis van de Schrift voor de preek centraal. Daarom concentreer ik me nu vooral op de betekenis die de drama-metafoor kan hebben voor de concrete verbinding die de preek legt en leggen moet met de werkelijkheid van vandaag waarin de stem van God gehoord wil worden. Voor een samenhangend concept kan het model van Wright van grote waarde zijn. Het vervolg van dit hoofdstuk biedt daarvan een schets in enkele theologische hoofdlijnen.

1. Sola scriptura
Het sola scriptura is hier duidelijk uitgangspunt en vooronderstelling. Ongetwijfeld wilde de reformatie in de zestiende eeuw met dit adagium bewerkstelligen dat de prediking een fundamentele herbronning zou ontvangen in het Woord van God en zo in God Zelf. Het sola was daarom niet bedoeld als aanduiding van een gezagsinstantie in de vorm van een geïsoleerde tekst of een boek op zich. Dat zou de autoriteit van de Schrift een vooral formeel en uiterlijk karakter verlenen, dat geen recht doet aan de heilzame inhoud van haar boodschap in Christus als het mens geworden Woord van God.

Vgl. J. van Bruggen, ‘The authority of Scripture as a Presupposition in Reformed Theology’, in: J.M. Batteau et al. (eds.), The Vitality of Reformed Theology. Proceedings of the International Theological Congress June 20-24th Noordwijkerhout, The Netherlands. Kampen 1994, 63-83. Overigens ligt bij Van Bruggen de nadruk nog tamelijk sterk op de Bijbel als boek (met voorschriften). De Bijbel is dan vooral een kompas. Dan komt nauwelijks in beeld dat de Schrift in de manier waarop de Geest die gebruikt, de levende stem van God hoorbaar wordt.

De drama-metafoor biedt gerichte aanknopingspunten voor een eigentijdse uitwerking van dit reformatorisch uitgangspunt die daarmee het sola scriptura tegelijkertijd concreet inhoud geeft en daarmee ook nuanceert. Op deze manier wordt recht gedaan aan de afsluiting van de canon: een uitgewerkt script voor vandaag is er niet. Tegelijkertijd blijft haar normerende betekenis gehandhaafd: de bedoelingen van de Auteur zijn onmiskenbaar en impliceren ook de acteurs van vandaag, de tendens van zijn handelen is dan ook voor heden en toekomst richtinggevend. En alle nadruk valt op de transformerende kracht die de acteurs ontvangen uit hun verbondenheid met het script: persoonlijke herbronning in God.

2. Tota scriptura
Een sterk element is daarin meteen ook de verwijzing naar het totaal van de Schrift (het reformatorische tota scriptura). Wie de Bijbel leest moet bij het begrijpen van de afzonderlijke passages terugvragen naar het geheel. Die regel is niet bedoeld om verschillen binnen de Schrift glad te strijken en geforceerd te harmoniseren. Er is inderdaad een grote verscheidenheid aan literaire genres en vertelperspectieven binnen de Schrift. Hier kan het onderscheid tussen story en narrative behulpzaam zijn om diversiteit en eenheid in hun onderlinge verhouding te verduidelijken.

Craig G. Bartholomew and Michael W. Goheen, ‘Story and Biblical Theology’, in: Craig Bartholomew et al. (eds.), Out of Egypt. Biblical Theology and Biblical Interpretation. Grand Rapids 2004, 144-171 (160 v.v.).

Eenzelfde element kan vanuit diverse perspectieven meermalen verteld worden en toch dezelfde story dragen. Daarom spreken we over het ene evangelie als het verhaal van God die in Christus vlees geworden is, terwijl we toch vier verschillende evangeliën in de bijbel hebben ontvangen. Story is op deze manier opgevat dan ook meer dan een literair genre. In feite vertegenwoordigt het een historische en theologische categorie. Dat is ook noodzakelijk om recht te doen aan de consistentie van de Bijbel als taaldaad van God: God communiceert in Christus. Alleen vanuit dat geheel zal uiteindelijk ons gebruik van de Bijbel vruchtbaar kunnen zijn, ook als we ons concentreren op de onderdelen in hun diversiteit.

Dit inzicht is eerder al voor de homiletiek vruchtbaar gemaakt. In de zgn. heilshistorische visie op de prediking is een basisgegeven dat de preek pas recht doet aan de (historische) tekst als daarbij het geheel van de Schrift en dan met name haar strekking in de komst van Christus centraal staat. De sterke eenzijdige focus op de komst van Christus als overbrugging van de historische afstand tussen de historische Bijbelverhalen en de gemeente van vandaag was mede een factor die de nadere ontwikkeling van deze belangrijke preekvisie belemmerde. Het is mijn overtuiging dat de hier gehanteerde dramametafoor een veelzijdiger denkkader biedt dat hierin nieuwe impulsen kan leveren. Zie voor een duidelijk overzicht van de discussies: C. Trimp, Heilsgeschiedenis en prediking. Hervatting van een onvoltooid gesprek. Kampen 1986.

3. Verstaan als de waarheid doen
In de uitwerking van de metafoor leidt het verstaan van de tekst in feite tot acteren in het drama. Daarmee is een belangrijke theologische wending aangebracht in het hermeneutische debat. Als een tekst an sich gaat functioneren wordt het verstaan van de tekst een oefening in droogzwemmen. Een groot deel van de hermeneutische impasse hangt ongetwijfeld samen met dat mechanisme. Maar de Bijbel is niet slechts het historisch verslag van Gods redding. De Bijbel maakt zelf deel uit van die redding. De Bijbel verstaan is daarom ondenkbaar zonder de Bijbel te leven. De geest van het verstaan is dat je het Woord onderscheidt en doet.

Kevin J. Vanhoozer, Is There a Meaning in this Text? The Bible, The Reader, and the Morality of Literary Knowledge. Grand Rapids 1998, 407 v.v.

Alleen op die manier laat je je als Bijbellezer inschakelen in de communicatie van de Drie-enige God. Hij is namelijk de eerste die op het toneel van dit drama verscheen en Hij speelt er de hoofdrol. Wil je als lezer doordringen in het geheim van dat drama dan kan dat niet zonder je eigen plaats en rol in het drama te doordenken en metterdaad te aanvaarden. Wie de Bijbel leest kan niet meer terug omdat hij het wereldomvattende drama van Gods handelen heeft ontdekt. Louter lezen (en daarna het gelezene terzijde leggen) is zo onmogelijk geworden. Natuurlijk zijn er Bijbellezers die kennis nemen van het verhaal en zich er niet in laten meenemen. Maar juist in de keus blijken ze letterlijk buitenstaander te zijn. Gods Woord kan nooit begrepen worden, zonder dat het wordt belichaamd. Lezen (en horen) is op deze manier betrokken worden in het drama. Daarmee wordt het lezen van de Bijbel een concrete bezigheid die de werkelijkheid ontsluit.

4. Gehoor geven is de ware response
Aansluitend bij dit laatste element merk ik op, dat juist hier blijkt hoe terecht Geertsema’s typering is als hij attendeert op het horen als karakteristiek voor het menselijk bestaan (hoofdstuk 1). Gods taaldaad in belofte en bevel krijgt pas de ware response in wie de belofte aanneemt en er zijn leven op bouwt en zo het bevel opvolgt. Met andere woorden: de echte reader-response is geen subjectieve betekenisgeving maar actief gehoor geven. Voor de homiletiek betekent dat dat de prediker zich allereerst moet toeleggen op het luisteren naar de bedoeling van de auteur en gehoor gevend zijn rol moet aanvaarden in het drama. Pas als hij zo hoorder is geworden kan hij ook antwoord geven in de preek.
Vervolgens wordt op het niveau van de hoorders naar de preek het proces van gehoor geven opnieuw gevoed en uitgevoerd. Op dit punt is het van belang nader de rol van de prediker te doordenken. Zoals gezegd is Wrights model gericht op de gemeente in haar geheel. Het script van de Schrift is aan de gemeente gegeven met het oog op haar acteren als christelijke samenleving in de wereld. De preek is dus niet zelf de bedoelde improvisatie, maar een bijdrage daaraan. Vanhoozer heeft op dit punt Wrights metafoor opgepakt en nader doordacht en uitgewerkt.

Kevin J. Vanhoozer, The Drama of Doctrine. A canonical-linguistic approach to Christian Theology. Louisville 2005.

Om te beginnen verheldert hij, dat als we spreken van een drama, God Zelf daarin de hoofdrol speelt. Het is niet minder dan een theo-drama, of ook drama van verlossing. Om zijn op verzoening gerichte spreken en handelen gaat het. Dat theodrama is daarom nog steeds gaande. Maar ook de kerk en de gelovigen krijgen hun rol. Zij maken zichtbaar hoe in een steeds wisselende context het drama van de verlossing verder gaat en gestalte krijgt in een vernieuwde samenleving op weg naar het eschaton.
In dit geheel duidt Vanhoozer de taak van de theologie aan als dramaturgie. De acteurs ontvangen regieaanwijzingen voor hun rol vanuit de theologie die nadenkt over de manier waarop het theodrama in de gegeven enscenering op de planken gebracht kan worden. De theoloog dus als dramaturg, ons inhoudelijk geweten op de achtergrond van de voortgaande acte. Maar dan geen dramaturg die vanaf de zijlijn regisseert, maar één die zelf betrokken mee-acteert. Op deze manier wordt ook de prediker fraai op zijn plaats gezet. Zijn preek is niet de gevraagde improvisatie als zodanig. Ze is een bijdrage tot de improvisatie van de gemeente in haar acteren als volk van God. In dat kader is het nodig dat de preek rechtstreeks gerelateerd is aan de Schrift als het gezaghebbend script en tegelijkertijd aan de leefwerkelijkheid van de hoorder als de actuele scene.

5. Ruimte voor hermeneutiek
Op deze manier is duidelijk ruimte geschapen voor de noodzakelijke hermeneutische activiteit. Eerder in dit hoofdstuk kwam het spanningsveld ter sprake dat in de preekvoorbereiding kan optreden tussen enerzijds de historisch bepaalde tekst en de actuele situatie van de hoorders anderzijds. Wat heeft die oude tekst vandaag nog te zeggen? In dat spanningsveld kan de prediker zich bij zijn preekvoorbereiding alleen gelaten voelen met de Bijbeltekst. Veel exegetische hulpmiddelen concentreren zich immers op diachrone exegese: er wordt consequent teruggevraagd naar de wereld achter de tekst: hoe is de tekst ontstaan? Intussen ligt de focus van de hoorder (en van de prediker?) zelf veel meer op de synchrone exegese: wat betekent de tekst voor ons die vandaag leven? Wright biedt in zijn creatieve metafoor een reële optie om te ontkomen aan (de verleiding tot) een keus tussen beide. Dat zou theologisch ook niet te verdedigen zijn omdat beide hun eenheid ontvangen in God, die we in dit verband wel mogen aanduiden als de hoofdrolspeler (in verleden, heden en toekomst) en de Auteur van het drama.

Wrights eigen werk is overigens vaak een stimulerend voorbeeld van een geïntegreerde hermeneutische werkwijze waarbij het diachronische en het synchronische niet tegen elkaar uitgespeeld wordt. Zie bijvoorbeeld zijn The New Testament and the People of God. Londen 1993.

Het belangrijkste aspect in dit verband is wel, dat veel moderne hermeneutiek de lezer inderdaad alleen laat. Diens eigen subjectiviteit is de uiterste instantie die beslist over betekenis. Maar als de Bijbel fungeert als taaldaad van God is de lezer niet meer op zichzelf aangewezen. Hij wordt immers aangesproken. Het perspectief van de tweede persoon laat zien dat hermeneutiek plaatsvindt in de verbondenheid tussen Auteur en lezer. Daarmee is niet meer de subjectiviteit van de lezer centraal. Het is dan ook juister om te spreken over tot verstaan komen. Dat is het proces waarin Auteur en lezer betrokken zijn. Het honoreert ook dat de Auteur primair is en effectief communiceert.

Firet heeft er al op gewezen, dat hermeneutiek niet primair op te vatten is als de loutere verklaring van de tekst. Hermeneutiek is niet in de eerste plaats het verstaan van taal, maar het verstaan door taal. ‘Het woord waarin God tot de mens komt is hermeneia, en als dat woord geschiedt in het pastoraal optreden werkt er een kracht die tot verstaan leidt.’ Het komen van God in die kracht ‘leidt tot leven in het licht’. J. Firet, Het agogisch moment in het pastoraal optreden. Kampen 1968, 125, 127.

Op deze manier is ruimte gecreëerd voor hermeneutiek, ze wordt zo vervolgens ook sterk genuanceerd. De in dit hoofdstuk besproken hermeneutische problemen hangen voor een deel samen met een verlies aan verbondenheid met de tekst. Wie niet meer luisteren wil kan zich alleen nog maar richten op de eigen waarheid en houdt niets over dan het subjectieve perspectief. Maar wie op ontmoeting uit is zal merken dat hij in die tekst een stem hoort, die hem niet onveranderd wil laten. Daarmee zijn uiteraard de geschetste hermeneutische problemen niet verdwenen, maar wel op hun plaats gezet in een attitude die op horen is gericht.

Paas, Vrede stichten, 95-99.

6. Theologische consistentie
Het valt op, hoezeer Wright aandacht vraagt voor het feit dat het gezag van de Bijbel verbonden moet worden aan het overkoepelende Bijbelverhaal. Schriftgezag formaliseert als het toegekend wordt aan de Bijbel als boek. De autoriteit waar het om gaat ligt in God de Drie-enige die communiceert. En Hij oefent zijn gezag niet door tijdloze waarheden te droppen onder de mensen maar door gehoorzame mannen in de tijd te laten spreken.

Wright, ‘How can the Bible be authoritative?’, 18.

Zo is een historisch en cultureel bepaalde gestalte van de Schrift tot stand gekomen. In die gestalte wordt dus de voortgang van het verhaal zichtbaar maar tegelijkertijd blijkt de diepe samenhang van het verhaal. Juist in de ontwikkeling van het verhaal door de bedrijven heen blijkt het evangelie consistent.
Dat element van de theologische consistentie heeft Vanhoozer opgepakt in zijn breed doordachte uitwerking van de drama-metafoor. Hij spitst die toe op de leer als het verborgen, richtinggevende principe van het verhaal.

Vanhoozer, The Drama of Doctrine.

Voortbouwend op Wrights metafoor schetst hij een breed concept waarin hij zien laat dat het voor een verantwoorde verdere ontwikkeling van het drama nodig is dat we in de Schrift ontdekken wat richtinggevend is voor het handelen van God. Alleen in nauwe verbondenheid daaraan kunnen we een script schrijven voor het leven van de kerk in heden en toekomst. De consistentie van dat script hangt dus rechtstreeks af van de theologische kwaliteit daarvan.
Voor de homiletiek is die gedachte bijzonder vruchtbaar te maken. Het formuleert op een creatieve wijze hoe Schrift en preek in elkaars perspectief kunnen komen te liggen. Wil in de stem van de acteurs van vandaag de stem van de Auteur en Hoofdrolspeler hoorbaar worden, dan zal de tendens van de preek in theologisch consistente verantwoording ten overstaan van de Schrift geconcipieerd moeten worden. (bijbelse) theologie is de ruggengraat van de preek. In feite biedt dit principe een eigentijdse uitwerking van de grammaticale regel die Noordmans al formuleerde vanuit het trinitarisch dogma (zie hoofdstuk 3). Uiteraard is theologie dan meer dan een geheel aan overtuigingen. Het is een vernieuwing van het denken vanuit de gedachten van Christus (1 Korintiërs 2:16).

7. Innovatie als preekprincipe
Niet alleen consistentie is nodig. Als een deel van het script ontbreekt is er ook innovatie nodig. Door voor dit aspect aandacht te vragen schept Wright ook geestelijke ruimte in de omgang met de Schrift.

Wright, ‘How can the Bible be authoritative?’, 19.

We hoeven niet krampachtig te suggereren dat de Bijbel antwoord geeft op al onze vragen. Juist door de culturele geconditioneerdheid serieus te nemen, maar haar tegelijkertijd in te bedden in het gezaghebbende van het overkoepelende verhaal ontstaat er ruimte voor de erkenning, dat we voor een deel de weg nieuw zullen moeten zoeken.

Op dit punt is natuurlijk wel belangrijk dat het drama geen eenakter is. In een eenakter moet alles onthuld worden en gebeuren voordat het doek valt. Zo is de hang naar zingeving te typeren voor wie deze wereld en dit leven als ultieme werkelijkheid beschouwt. Wie leert zien dat zijn rol een plaats heeft in de zoveelste acte krijgt oog voor de complexiteit van het drama. Elke acte heeft zijn eigen clou en bovendien is het belangrijkste al gebeurd. Dat zet de rol van de huidige acteurs op een bescheiden plaats neer. Vgl. Wells, Improvisation, 55 v.v.

Dat betekent voor de preek dat we in een nieuwe situatie ook letterlijk opnieuw zullen moeten formuleren wat God te zeggen heeft. Voortbouwend op het gezaghebbende script van de Bijbel is het onze taak in vertrouwen op de Geest en al biddend het script te improviseren dat nog ontbreekt op de weg naar het komende rijk. Dat improviserende karakter is een wezenlijke trek voor de preek, die in feite door alle tijden heen is gehonoreerd door de vrijheid die de prediker ontving in het componeren van de preek.

Van Dusseldorp, die dit terecht benoemt als de ‘ruimte tussen Bijbel en prediking’ waarschuwt er voor die ruimte niet te beperkt op te vatten. Van Dusseldorp, Preken tussen de verhalen, 154 v.v.

Het was in de zestiger jaren van de vorige eeuw reeds Ernst Lange die op dit aspect van de preek de nadruk legde. De nood die hij in zijn tijd signaleerde was dat veel preken, met alle verantwoorde exegese van de betreffende perikoop, de hoorders alleen lieten in hun concrete situatie. Daarom legde hij er de nadruk op dat de preek, om het bevrijdende licht van het evangelie in de situatie te laten schijnen, toch vooral een vernieuwend karakter moest hebben. In dat verband typeerde hij de preek als neues Wort.

Ernst Lange, Predigen als Beruf, 29, 36, 66, 112. Zie voor een inzicht gevende bespreking van deze typering Jos Douma, Veni Creator Spiritus. De meditatie en het preekproces. Kampen 2000, 69 v.v.

Intussen is wel van belang dat het begrip improviseren een sterke openheid heeft die aanleiding geeft tot misverstanden alsof er sprake is van een vrijheid voor het realiseren van willekeurige opties. Wright verheldert het begrip ergens met behulp van de metafoor van improvisatie in de muziek.

N.T. Wright, The Last Word. Scripture and the Authority of God-Getting Beyond the Bible Wars. New York 2005, 126.

Improvisatie is, zeker in de jazz-traditie, alleen mogelijk door zorgvuldig te luisteren naar de andere stemmen, aandacht te schenken aan de gegeven thematiek en trouw te blijven aan ritme, harmonie en toonsoort. Al die aspecten samen waarborgen de consistentie die nodig is om improvisatie geloofwaardig te laten zijn. Niemand moet dus van de wijs raken, maar alle christenen en kerken zijn in Christus vrij om de op hun eigen setting geënte variaties te improviseren. Juist op dit punt blijkt natuurlijk hoe belangrijk het is dat de acteurs echt vertrouwd zijn met de bedoelingen van de auteur. De consistentie gaat voorop. Vanuit de gedachten van Christus (1 Korintiërs 2:16) ontstaat echte vrijheid.

Zie voor een grondig verantwoorde afbakening van de reikwijdte en de grenzen van die improvisatie Wells, Improvisation. Wells, die van Vanhoozer de kritiek kreeg dat deze de metafoor van de improvisatie sterker bijbels zou moeten verankeren, laat zien dat improvisatie alleen plaats kan vinden in een vitale verbinding met het lezen van de Schrift. In dit verband spreekt hij van een ‘cyclus van praktijken’: je leest de Schriften om getransformeerd te worden, die transformatie krijgt al improviserend gestalte in de vernieuwing van het concrete leven. Samuel Wells, ‘Christelijk is geen bijvoeglijk naamwoord’, in: Herman Paul en Bart Wallet, Oefenplaatsen. Tegendraadse theologen over kerk en ethiek. Zoetermeer 2012, 57-72 (68/9).

De prediker staat niet alleen voor die innoverende taak. Door de gave van de Schrift en opgenomen in het geheel van Gods reddende activiteit waar de Schrift deel van uit maakt is hij in staat om onder woorden te brengen wat de Geest vandaag tot de gemeente zegt. Juist hier kan blijken dat preken meer is dan de Schrift uitleggen en haar vervolgens toepassen in de concrete situatie. Preken is in dit licht te omschrijven als door de Geest innovatief werken aan het concrete script voor de lopende acte in de actuele scene van het drama van Gods redding.

8. Een heilig script
Waar zou je anders over preken dan over de Bijbel? Met die vraag zette dit hoofdstuk in. In het voorgaande bleek de bijzondere betekenis van de Schrift het antwoord niet eenvoudig maakt. De Bijbel is het boek, dat Gods verhaal in deze wereld present stelt. Vervolgens krijgt dat verhaal zijn uitstraling daar waar het in de preek verder gaat. Dat maakt de relatie tussen Schrift en preek zo bijzonder dat we hier niet met een eenduidig antwoord toe kunnen. Het resultaat van dit hoofdstuk vat ik samen in twee conclusies.

In de eerste plaats is de plaats en betekenis van de Schrift in het preekproces te definiëren als het gezaghebbende verhaal dat Gods handelen door de eeuwen heen communiceert. Als zodanig is de Bijbel het verhaal dat in de preek zal moeten doorklinken en op die manier gezag verleent aan de preek. De Bijbel is dus binnen de genoemde metaforiek te typeren als het script voor de preek. De preek zelf zal dan kunnen functioneren als uitnodiging aan de hoorders om hun eigen plaats en rol binnen het geheel van Gods drama te leren verstaan en aanvaarden.

Een concrete leesoefening als rechtstreekse uitwerking van de metafoor bieden Craig G. Bartholomew and Michael W. Goheen, The Drama of Scripture. Finding Our Place in the Biblical Story. Grand Rapids 2004.

In de tweede plaats is de Bijbel te definiëren als het richtinggevende woord dat wacht op consistente en vernieuwende uitwerking in het concrete leven van de horende gemeente. Om werkelijk verder te komen op weg naar het binnen het script onthulde doel zal de preek zelf ook als vernieuwend (deel)script moeten fungeren. Daarbij zal de Schrift als matrix (moederscript) kunnen fungeren en zo meteen als verificatie voor de betrouwbaarheid van het preekscript kunnen dienstdoen. Die verificatie zal nodig zijn, omdat de preek zich altijd afspeelt op het snijvlak van evangelie en cultuur, het thema van het volgende hoofdstuk.

Sprekende,

Zo was het van den beginne:

niets was er, niets bestond, tot u er taal

aan gaf – en niet zodra u dat gedaan had,

was het er, en luisterde naar u.

Het licht lichtte,

omdat u het zei te lichten.

Planeten wentelden,

omdat u ze zei te wentelen.

De aarde bracht voort,

omdat u haar vertelde voort te brengen.

Alles luisterde. En luisteren

was leven.

Sprekende,

Aan een wereld die niet luisteren wilde, niet leven

met u, gaf u opnieuw taal. Uw Woord, het wandelde

met ons, zoals u ooit de hof bewandelde en sprak

en liefhad, en pijn kreeg en zocht, met een gebroken hart,

op de tast van de taal:

Waar ben je? Waar ben je?

Wij waren weg. Wij waren lichtjaren

bij u vandaan.

En toen was daar opnieuw uw Woord,

en wandelde met ons en zei:

ik ben de weg, de waarheid – en het leven.

De leerlingen gingen het begrijpen, gaandeweg,

en schreven op wat er in hun herinnering

nog leefde van uw taal. Omdat ze opnieuw beseften

dat luisteren leven is.

Sindsdien beseffen wij dat wij niets te vertellen hebben

dan dat u zelf in onze huid gekropen bent. Dat u ons taal

gegeven hebt, ten leven.

En uit die taal een boek.

Uw woord, dat leeswoord is, en leefwoord wordt,

maar leenwoord blijft. Taal

voor zo lang als het duurt.

Sprekende,

Geef dat uw woord, het leeswoord op mijn tafel,

in uw gemeente hardop gedroomd, leefwoord wordt.

En leenwoord blijft,

Van u. Naar wie wij luisteren, omdat wij aan het slot van het gehoorde weten

dat luisteren naar u

leven is.

Rien van den Berg

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken