Aagje gaat zaaien
Bij Marcus 4:26-34
Aagje droomt van een eigen tuintje. Daarachter bij het muurtje, daar is nog een mooie, zonnige plek. Aagje gaat aan het werk. Met een hak maakt ze de grond los. Ze roert er stro en mest van de geiten door. Klaar is het. Nu kan het maar groeien. Maar wat moet er in die grond? Laat ik maar beginnen met een handvol graan, denkt ze. Dat zit in een pot in de keuken. Keurig op een rij stopt ze korrel voor korrel in de aarde. Ze giet er water overheen. En dat is het dan voorlopig. Aagje gaat op een grote steen bij het tuintje zitten wachten. Ze kijkt strak naar het tuintje. Maar er gebeurt niets. Na een uur begint ze ongeduldig te worden. Ze peutert een zaadje uit de aarde tevoorschijn. Daar is nog niks aan te zien en ze stopt het terug. Even wachten nog, zeker. Na twee uur bekijkt ze het zaadje opnieuw. Nog niks. Haar grote broer Jezus komt eens kijken wat ze doet. ‘Mooie tuin heb je, Aagje.’ ‘Ja, maar groeien doet het nog niet.’ ‘Nee,’ zegt Jezus, ‘dat gaat zogauw niet. Het moet rustig kunnen groeien en dan komt het vanzelf op. Het duurt wel maanden voor het groot en rijp is. Kijk, hier in mijn zak heb ik nog allemaal zaadjes voor je, gekregen van mijn vriend Jozef, je weet wel met die mooie tuin. Die zijn voor jou.’
Maanden later zit Aagje weer op de steen bij haar tuintje. Alles is groot geworden. Er zitten korrels aan de halmen en bloemen aan de stelen. De mosterdplant is reusachtig geworden, er zitten zelfs vogels in. En Aagje zit in de schaduw. Jezus zit met zijn vrienden binnen te praten. Laat haar maar lekker hier buiten zitten. De droom is uitgekomen.