Adam en Eva in de kleren
Wanneer ik Adam en Eva in beeld probeer te krijgen, komen er drie conventionele plaatjes op mijn netvlies. Het sublieme naakt van Dürer in Madrid, de schaamte op een ets van Rembrandt, en ten slotte twee blote, radeloze mensen die het paradijs worden uitgezet. Dat is driemaal naakt en wat de laatste scène betreft, is het voor die mensen driemaal niks. Ze worden met schade en schande beladen weggestuurd uit Gods lusthof en hebben zelfs geen kleren om aan te trekken. Om dat nog eens goed te benadrukken worden op de bronzen deuren in de Dom te Hildesheim (1015) de beide mensen nakend verjaagd, terwijl God tijdens deze bestraffing keurig gekleed is. Dat is het resultaat van eeuwenlange dominante beeldvorming in het christelijke denken geweest. Soms laat een schilder zich corrigeren door de notitie in Genesis 3:21. Daar staat toch heus dat God voor de mensen kleren van dierenvellen maakte en hen die aantrok, voordat hij ze de wereld in stuurde. Dan krijgen ze van de schilder in plaats van kippenvel een vacht. Maar ook zo komen ze niet erg indrukwekkend over. Ze zien er eerder uit als dieren of als wilden. Het lijkt wel of die harige vellen de mensen nog eens extra moeten herinneren aan de ellendige toestand, waarin ze zich zelf hebben gemanoeuvreerd. Dat is ook precies de uitleg die Calvijn in zijn Genesiscommentaar aan deze tekst geeft: ‘God wil … dat zij zich hun zonde herinneren.’ Deze kleding maakt hen ervan bewust hoe naakt ze eigenlijk zijn. Die zit, zou je denken. Maar waarom neemt God dan toch de moeite om de mensen met dierenvellen te bekleden? Is dat met het oog op de bedoeling niet wat overdone? Er klopt iets niet.