Menu

Premium

Als God verschijnt

Bij Jeremia 1,4-10 en Lucas 4,21-30(32)

Epifanie viert de verschijning van God in de wereld. God laat de wereld niet over aan zichzelf. Hij blijft niet onzichtbaar en in de verte. Nee, Hij komt dichtbij en bezoekt zijn mensen. In Jezus wordt Hij aanschouwbaar, hoorbaar, tastbaar. Maar de verschijning Gods betekent niet enkel en alleen feest. Hierop wijzen zowel de oudtestamentische lezing als de evangelielezing. Als God aan Jeremia verschijnt, draagt Hij de jongeman activiteiten op waarbij deze zich spontaan niet op zijn gemak voelt. En de Lucaanse beschrijving van de afwijzing in Nazaret roept in herinnering, dat het ‘verschijnen’ van Jezus toen al niet louter juichend welkom uitlokte.

Waar haalt hij het vandaan?

Mozes doet het (Ex. 3,11) en Gideon doet het (Re. 6,15). Jesaja doet het (Jes. 6,5) en nu ook Jeremia (Jer. 1,6). Op het moment van hun roeping uiten zij allemaal hun bedenkingen. De taken die God hun geeft, vinden zij te groot, zichzelf er niet voor geschikt. Gods opdrachten – ze hebben er niet op zitten wachten. Ze liggen niet in de lijn van hun leven, passen niet in hun plaatje van zichzelf. Hoe anders kijken wij vaak naar het leven. De bekende zangeres, weten de kranten te berichten, heeft van kindsbeen af de hele dag gezongen. Een van de eerste woorden die de jonge onderzoeker als peuter kon zeggen, aldus zijn trotse vader, was: ‘waarom?’ Wij zien graag constanten, blijvende trekken, een bepaalde aanleg die in de kern al vroeg aanwezig is en later tot bloei komt.

Toch hebben de weerwoorden in roepingsverhalen niet zozeer te maken met een menselijke onwil tegen Gods plannen. Dit blijkt uit Gods antwoorden: ‘Ik zal bij je zijn’ (Ex. 3,11); ‘Dat kun je omdat Ik je bijsta’ (Re. 6,15); ‘Hiermee leg Ik mijn woorden in jouw mond’ (Jer. 1,9). Het gaat om autorisatie, om machtiging: de profeet spreekt en handelt niet uit zichzelf. Hij verricht Gods werk en geeft Gods boodschap door. Zijn optreden wordt van buiten door God bepaald en zit niet als een rode draad in zijn levenslijn. Althans niet vanuit menselijk perspectief: God had Jeremia wel degelijk al vóór zijn conceptie voor deze opdracht bestemd.

Jezus bij een synagogedienst

Uitgebreider dan elke andere evangelist zet Lucas Jezus neer als een jood van zijn tijd. In Lucas 4 ziet de lezer Hem in de synagogedienst de profetenlezing verzorgen en van een uitleg voorzien. Net zo zullen de volgelingen na Jezus’ hemelvaart in Jeruzalem vanzelfsprekend met regelmaat naar de tempel gaan (Hand. 2,46) en zal Paulus op zijn zendingsreizen in de synagogen spreken (bijvoorbeeld Hand. 13,14-15). De reacties op Jezus’ uitleg zijn vrij positief, bewegen tussen lovende bewondering en verraste verbazing. Hij is immers de zoon van Jozef. Van Hem had je zo’n uitleg niet verwacht. Maar de boodschap is welkom. Jesaja’s profetieën vervuld – wie zou dat niet graag zien en horen? De reden voor de felle reactie (die al vooruitloopt op Jezus’ kruisiging!) van de synagogebezoekers aan het einde is niet zijn uitleg van de profeten.

Waarom zij en niet ik?

Vervolgens voorspelt Jezus dat de mensen in de synagoge te Nazaret hem zullen vragen om in hun (en zijn!) stad even indrukwekkende daden te verrichten als in Kafarnaüm. Horen wat er elders gebeurd is, zal voor hen niet genoeg zijn. Zij geven blijk van de alom bekende menselijke behoefte aan een onomstotelijk bewijs van God (in dit geval van de goddelijke kracht in Jezus) direct voor hun ogen. Deze behoefte

gaat misschien gepaard met een soort ‘spirituele jaloezie’, met het gevoel achtergesteld te zijn bij een ander: waarom doet God in mijn leven niet wat Hij in het leven van anderen doet?

Maar God beantwoordt niet aan de eis dat Hij overal op dezelfde manier tekens van zijn aanwezigheid moet geven. Zijn openbaring is altijd plaatselijk en selectief. Wie de bijbelse verhalen vanuit het juiste perspectief leest, zal op dit punt niet aan (zelf)misleiding ten prooi vallen. Je moet je realiseren dat Gods hulp voor de weduwe van Sarepta of de genezing van Naäman ook toen uitzonderlijke gebeurtenissen waren. Elia werd ten tijde van de grote hongersnood niet naar alle weduwen gestuurd en Elisa maakte niet alle mensen met huidvraat rein. Deze verhalen zijn niet generaliseerbaar, ze zijn niet bedoeld om in iedereen de verwachting van soortgelijke wonderen in zijn eigen leven te wekken. De lezer moet zich de impliciet in de verhalen gegeven context realiseren.

Het heil? Graag. Maar toch niet voor anderen!

Maar Jezus’ constatering dat God niet overal op dezelfde manier te ervaren is, is niet de aanleiding voor de poging tot moord aan het einde van onze perikoop. De woede barst los omdat Jezus in zijn voorbeelden uitdrukkelijk erop wijst dat mensen van buiten Israël de ontvangers van Gods weldaden waren. ‘In Israël’ waren er vele weduwen in de tijd van Elia – maar hij werd gestuurd naar een weduwe in de buurt van Sidon, dus naar een vrouw die niet uit Israël was. ‘In Israël’ waren er ook veel mensen met huidvraat. Maar rein werd alleen Naäman de Syriër. De Lucaanse Jezus ziet zich in de lijn van deze profeten. Zijn boodschap zal bij mensen terechtkomen die niet joods zijn, en een aantal jodenchristenen zal deze ‘heidenchristenen’ met nogal wat reserve bejegenen. Jesaja’s profetieën vervuld, de heilstijd aangebroken – dat mocht je verkondigen. Maar de aankondiging dat de vertrouwde grenzen tussen binnen en buiten, tussen ‘wij’ en ‘zij’ niet meer zouden kloppen, dat de boodschap van het heil naar Gods wil ook de heidenen zou bereiken, creëert on zekerheid en agressie.

Opnieuw valt hier een link te leggen met Jeremia, de enige profeet die uitdrukkelijk als profeet voor ‘alle koninkrijken en volken’ wordt aangesteld (Jer. 1,10), wiens ambt dus verder strekt dan alleen Juda of Israël.[1]

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken