< Terug

12.8. Geven maakt rijk

Zie ook

Heidelbergse Catechismus

Zondag 42

Vraag 110: Wat verbiedt God in het achtste gebod?

Antwoord: God verbiedt niet alleen het stelen en roven, wat de overheid straft, maar Hij noemt ook diefstal: alle verkeerde handelingen en vergrijpen, waarmee wij het bezit van onze naaste in handen trachten te krijgen, hetzij met geweld of schijn van recht, zoals met vervalsing van gewicht, lengte, maat, waar en munt, met woeker of door enig middel dat God verboden heeft. Hij verbiedt bovendien alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting van Zijn gaven.

Vraag 111: Maar wat gebiedt God u in dit gebod?

Antwoord: Dat ik het belang van mijn naaste, waar ik kan en vermag, bevorder en met hem zo handel als ik zelf wilde dat men met mij handelde. Bovendien, dat ik getrouw mijn arbeid verricht om de behoeftigen te kunnen bijstaan.

Relatie van het thema tot het hoofdthema

Het achtste gebod mag niet beperkt worden tot een verbod op diefstal. Hier wordt de levenskunst van de bijbelse gerechtigheid behandeld. Wij worden opgeroepen om niet alles voor onszelf te hebben en te houden. We dienen eraan mee te werken dat ieder mens krijgt wat hij broodnodig heeft, en ervoor te zorgen dat wij allemaal een bestaan hebben op Gods aarde. Stelen is niet alleen onterecht nemen, maar zeker ook: niet willen geven. Diefstal is niet alleen een gebrek aan integriteit, maar vooral een gebrek aan royaliteit. Gerechtigheid vraagt om een houding van een ander te laten meedelen in het mijne. Stille armoede vraagt om een reactie.

De leefwereld van de hoorder

In een rechtbank worden heel wat zaken behandeld die vallen onder dit gebod. De morele verontwaardiging is dan ook groot als bijvoorbeeld onze fiets wordt gestolen (zelf ben ik meervoudig ervaringsdeskundige). ‘Ze moeten van mijn spullen afblijven.’ En ook bij woninginbraak kunnen de emoties hoog oplopen. De emotionele schade is meestal ook veel groter dan de materiële. Tegelijk blijken veel mensen op andere gebieden het weer niet zo nauw te nemen met dit gebod. Daarbij kunnen we denken aan belastingontduiking, onjuiste declaraties, verzekeringsfraude, misbruik van sociale voorzieningen, enzovoort. Diefstal blijkt in alle lagen van de bevolking voor te komen.

Ten diepste hebben wij hier te maken met het kwaad van de hebzucht (avaritia). De bankencrisis van de afgelopen jaren is daar een pijnlijk voorbeeld van. Dit komen wij in alle leeftijdscategorieën tegen; differentiatie blijkt bij dit onderwerp wonderlijk genoeg niet nodig te zijn. Wij hebben de neiging om te denken dat (veel) bezit ons gelukkig maakt. Dus hoe meer ik heb, hoe gelukkiger ik ben. En dat geluk willen we vervolgens vastleggen door ons bezit veilig te stellen: ‘Dit is van mij.’ Hoe vast zitten wij aan ons bezit? Is er ook ruimte voor (weg)geven?

Met het oog op de tieners

Jongeren willen bij de groep horen. Daarom willen ze ook dezelfde kleding en spullen hebben als de anderen. Het is nog beter het mooiste en het duurste van de groep te hebben. Wie afwijkt, valt buiten de boot. Daarnaast speelt een grote rol dat de meesten van hen in welvaart zijn opgegroeid en dat vanzelfsprekend vinden. Weinig tieners worden bewust opgevoed tot een gevende houding.

Doordat het geweten van jongeren nog in ontwikkeling is, kunnen zij op het gebied van diefstal heel ik-gericht handelen. Zonder veel gewetensbezwaren nemen sommigen uit een winkel iets ‘kleins’ mee. Tegelijkertijd zijn juist tieners soms erg verontwaardigd wanneer van hen zogenaamd iets ‘gestolen’ wordt. Het is dus de vraag of ze de norm die ze op anderen toepassen, ook zelf in praktijk brengen.

Denk bij dit gebod ook aan de prestatiecultuur die zowel in onderwijs als jeugdcultuur sterk heerst: ‘Doe IK het wel goed?’ ‘Zien ze MIJ wel?’ – in plaats van ook oog te hebben voor de klasgenoot die wat minder goed kan meekomen.

Er zijn ook tieners die wel degelijk bezig zijn met vragen rond gerechtigheid en dergelijke. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan de stichting Time To Turn. Het zwart-witdenken dat tieners soms kenmerkt, kan dus ingeschakeld worden om hen rond dit onderwerp uit te dagen.

Met het oog op de kinderen

Kinderen zijn al vroeg gefascineerd door het bezit van veel speelgoed. De speelgoedfolders rond 5 december worden van a tot z bekeken. Delen is ons niet aangeboren, maar moeten wij leren. Vrijwel alle kinderen kennen de uitdrukking ‘samen spelen, samen delen’ wel: zowel thuis als op de crèche en op school krijgen ze dit regelmatig van de volwassenen te horen. Kinderen leren gedrag aan door het van volwassenen na te doen. Dat geldt dus ook voor delen: wanneer volwassenen hun het goede voorbeeld geven, nemen kinderen het over en maken ze zich het delen eigen.

Zakgeld is trouwens ook een belangrijk onderdeel van de leefwereld van kinderen. ‘Ik krijg één euro per week. En jij?’ ‘Papa, Job krijgt twee euro per week, waarom krijg ik zo weinig?’

Uitleg

Het Hebreeuwse werkwoord gnb betekent ‘stelen, beroven, kidnappen’ (zie o.a. New International Dictionary of Old Testament Theology & Exegese, Volume 1, p. 878-880). Verschillende uitleggers vermoeden dat de oorspronkelijke strekking van het achtste gebod betrekking heeft gehad op een gewelddadige ontvoering van mensen, mede op grond van Exodus 21:16. Ik ben niet overtuigd van deze zienswijze. Het lijkt me aannemelijk om te stellen dat dit gebod vanaf het begin zowel het ontvreemden van mensen als van bezittingen betrof (zie ook Ex. 22:1 vv.). Naast de letterlijke betekenis komen wij in het Oude Testament ook de figuurlijke betekenis tegen van stelen. Absalom steelt de harten van de mensen van Israël (2 Sam. 15:6) en valse profeten stelen Gods woorden (Jer. 23:30). Dit zijn vormen van manipulatie. Binnen de wijsheidsliteratuur van het Oude Testament krijgt stelen nog een heel andere strekking. Arme mensen mogen stelen om in leven te blijven (Spr. 6:30; vgl. 30:9). Stelen kan ook een poging van de rijken zijn om nog rijker te worden ten koste van de armen (Job 24:14). Binnen het onderricht van Jezus zien wij deze lijnen ook duidelijk terug. Diefstal is veelmeer niet willen geven en net doen alsof er geen armen zijn (Mat. 19:16-22).

De catechismus kiest ook hier voor wat niet mag en wel moet. Hierdoor krijgt het gebod een dynamiek die ons aanzet tot bezinning. Vraag en antwoord 110 begint met datgene wat de overheid zal bestraffen: stelen (in het geheim) en roven (openlijk). De overheid draagt hier niet voor niets het zwaard om te straffen en te beschermen. Als in een samenleving het gezag wegvalt (bijvoorbeeld bij het uitbreken van een revolutie), zien we dat dit heel vaak gepaard gaat met plunderingen. Diefstal kan ook op een heel geraffineerde manier plaatsvinden. Voor het oog lijkt alles te kloppen, maar in werkelijkheid wordt de situatie zo gemanipuleerd dat er wel degelijk sprake is van ontvreemding. De catechismus noemt hier expliciet de vervalsing van eenheden (kg, m, dm3, enzovoort). Tegenwoordig is de fraude op dit gebied enorm teruggedrongen door het Internationale Stelsel van Eenheden en onafhankelijke meetinstituten zoals het Nederlands Meetinstituut. Toen men nog werkte met maten zoals de el (elleboog) en de duim, was het gevaar van oneerlijkheid levensgroot (Deut. 25:13-16; Spr. 20:10, 23; Amos 8:7).

Woeker – het vragen van een onredelijk percentage rente – komt ook voor in het rijtje van de verboden. Daarna wordt gierigheid genoemd. Deze ondeugd beïnvloedt dus op negatieve wijze ons handelen. Tot slot komen de misbruik en verkwisting van gaven aan de orde. Hierin klinkt heel duidelijk het rentmeesterschap. De stap naar vraag en antwoord 111 is hierdoor heel klein geworden. Het achtste gebod leert ons om het belang van mijn medemens serieus te nemen. Hun welzijn dien ik, indien mogelijk, te bevorderen. Ons handelen kunnen we het beste toetsen aan het gezegde: ‘Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’ (Mat. 7:12). Als afsluiting spoort de catechismus ons aan om de handen uit de mouwen te steken. Op die manier zijn wij in staat om anderen te helpen (Spr. 6:6, 21:25; Luk. 3:11-14; Ef. 4:28).

De Bijbel leert ons dat heel de wereld ten diepste van de Here God is. Hij is de eigenaar en wij zijn Zijn rentmeesters. Wij moeten ook op dit punt leren niet ik-gericht te leven, maar wij-gericht. Vanuit die houding gaan we verstaan dat geven ons rijk maakt. We hebben in het leven dus allemaal te maken met het algemene ambt van diaken.

Relevantie van het thema

In de roman De vliegeraar (een roman met een islamitische context) worden alle geboden herleid tot het achtste gebod. ‘“Wat de mullah ook mag beweren, er is slechts één zonde, niet meer dan één. En dat is diefstal. Elke andere zonde is een variatie daarop, begrijp je dat?” (…) “Als je iemand vermoordt, steel je een leven,” zei Baba. “Je steelt het recht van zijn vrouw op een echtgenoot en berooft zijn kinderen van een vader. Als je een leugen vertelt, steel je iemands recht op de waarheid. Als je iemand bedriegt steel je zijn recht op een rechtvaardige behandeling.”’ (Khaled Hosseini, De vliegeraar, p. 20.) Zonder het nu meteen ‘theologisch’ volledig eens te zijn met ‘Baba’ (Perzisch voor vader): dit citaat maakt wel duidelijk hoe goed het is om diefstal in zijn volle breedte neer te zetten.

In onze samenleving is het begrip ‘eigendom’ een volledig geaccepteerd gegeven. Het blijkt dat wij dit hebben overgenomen van de Romeinen (zie A.A. van Ruler, Verhuld bestaan, p. 210). Het Romeinse recht gaat ervan uit dat de mens eigenaar is van wat hij bezit. Hij beschikt over het recht om ermee te doen wat hij wil. In onze geïndividualiseerde samenleving is deze vanzelfsprekendheid alleen maar toegenomen. Ook de socialisten piekeren er niet over om hier aan te tornen. Binnen het oude Israël had het woord ‘bezit’ of ‘eigendom’ een andere lading. Ze was minder absoluut. De sociale wetgeving in het Oude Testament maakt duidelijk dat wij ons bezit in bruikleen hebben. Na zeven jaar (sabbatsjaar) en vijftig jaar (jubeljaar) werden de economische verhoudingen weer hersteld. Dan kreeg iedere familie zijn mogelijk verkochte land en bezit weer terug (Lev. 25 en Deut. 15).

Deze en andere wetten stimuleren ons om na te denken over een eerlijk sociaal-economisch leven. Dat kunnen wij doen in het klein (microniveau) en uitdragen om vorm te geven op nationaal en internationaal niveau (macroniveau). De politiek speelt hierin een belangrijke rol. Ik vind het altijd weer aangrijpend om te moeten vaststellen dat de christelijke politieke partijen hier vroeger weinig oog voor hebben gehad, dat de ‘goddeloze’ communisten en socialisten ons hebben moeten wakker schudden (zie o.a. E.P. Meijering, Hoe God verdween uit de Tweede Kamer. De ondergang van de christelijke politiek). Daarbij zij wel opgemerkt dat Handelingen 2 en het communisme fundamenteel van elkaar verschillen. In de vroegchristelijke gemeente leerde men dat wat van mij is, ook van jou is. Het communisme leert het tegenovergestelde: wat van jou is, is ook van mij.

In onze hebberige tijd wordt dat wat wij zijn, afgemeten aan dat wat wij bezitten. De catechismus benadrukt juist dat het in ons leven gaat om wie wij mogen zijn. En vanuit die humaniteit ontstaat dan de houding om te willen delen. En dan zullen wij ontdekken dat wij rijk worden door te geven. De gemiddelde Nederlander zou haast denken dat het hier gaat om een goede belegging. De Bijbel leert ons om onze bankzaken niet uitsluitend met de rekenmachine te doen. Waarom vinden wij het vaak zo moeilijk om onze bankzaken een onderdeel te laten zijn van ons gebedsleven? Wat geef ik weg en wat heb ik zelf nodig? Het blijkt dat heel veel mensen geen idee hebben wat ze weggeven aan goede doelen. En deze onwetendheid is vaak niet zo onschuldig. Want als wij het wel weten, kon het weleens beschamend weinig zijn.

Ook in het achtste gebod zien wij hoe God wil dat wij mensen met elkaar omgaan. Onderwerpen als slavernij, vrouwenhandel en arbeidsethiek vallen hier helemaal onder. De geboden zijn geen beperkingen, maar heilzame begrenzingen. Onze zondige verlangens en daden botsen als biljartballen tegen de randen van Gods geboden. En daar waar de bal over de rand gaat, valt deze buiten de tafel op de grond. Het spel kan pas dan hervat worden als de bal weer veilig binnen de randen van de tafel wordt gelegd. Zo blijkt binnen de grenzen van Gods geboden ook het goede leven te gedijen. Maar wij zijn op dit punt knap hardleers.

Met het oog op de tieners

Dat stelen niet kan en mag, is voor onze jongeren wel duidelijk. Het achtste gebod gaat veel verder. Dat vraagt om een andere houding. Het zou mooi zijn als de boodschap van ‘al wat je wilt dat je mensen jou doen, doe jij hun evenzo’ blijft hangen bij de jongeren. De HC kan hen hierbij uitdagen (en wellicht een beetje ‘schuren’). Ook hier geldt dat onze samenleving andere normen en waarden hanteert dan de Bijbel ons leert. Concreet kunt u het geefgedrag noemen.

Met het oog op de kinderen

Kinderen zullen moeten leren dat ze mogen genieten van hun spullen (speelgoed), maar dat ze ook bereid moeten zijn om te delen. Dat evenwicht blijkt niet eenvoudig te zijn: voor het ene kind is dat makkelijker te vinden dan voor het andere (zie ook bij ‘De leefwereld van de hoorder’). Kinderen willen in feite niets liever dan gezellig samen spelen. Toch lukt het in de praktijk lang niet altijd goed. Dat is niet alleen voor ouders frustrerend, maar ook voor henzelf. Ze weten best dat het goed is om te delen, maar in de praktijk is het zo moeilijk! Voor kinderen kan de eyeopener zijn dat ook volwassenen nog steeds aan het leren zijn en dat de Here God ons hierbij wil helpen.

Relevante bijbelgedeelten

Over onze omgang met ons geld en bezit zijn veel bijbelgedeelten te vinden. De belangrijkste teksten per onderwerp:

  • Diefstal: Mattheüs 15:19; Markus 7:22; 1 Korinthe 6:10; Efeze 4:28.

  • Eerlijke eenheden: Deuteronomium 25:13-16; Spreuken 20:10, 23; Amos 8:7.

  • Gevaar en mogelijkheden van geld: Prediker 5:9-19, 7:7-14; Mattheüs 6:24; Lukas 16:1-13.

  • Gelijkenis van de rijke boer: Lukas 12:13-21.

  • Delen met je naaste: Leviticus 23:22; Deuteronomium 15:7-8; Lukas 3:11; Hebreeën 13:16; Jakobus 2:14-16; 1 Johannes 3:17.

  • Onbezorgdheid: Mattheüs 6:19-29; 1 Petrus 5:7.

  • Oneerlijke winst: Spreuken 1:19, 15:27, 28:16.

  • Sabbats- en jubeljaar: Leviticus 25; Deuteronomium 15.

  • Tevreden zijn: Lukas 3:14; 1 Timotheüs 6:6-8; Hebreeën 13:5.

  • Waarschuwingen tegen hebzucht: Romeinen 1:29; 1 Korinthe 5:10; Efeze 5:3; Kolossenzen 3:3; 1 Timotheüs 6:9-10; 2 Petrus 2:3, 14.

Aanwijzingen voor de leerdienst

Doelstellingen

De gemeente heeft na afloop van de preek meer inzicht gekregen in haar eigen (subtiele) verlangens naar meer bezit, heeft geleerd dat wij geen eigenaars maar rentmeesters zijn van onze bezittingen, en is uitgedaagd om inhoud te geven aan de uitdrukking ‘geven maakt rijk’.

Homiletische aanwijzingen

Uit het voorgaande is al wel duidelijk geworden hoe breed de thematiek van het achtste gebod is. Het gevaar is om moralistisch te gaan preken: ‘Dit mag niet en dat moet wel.’ En vervolgens gaat de gemeente met een hele waslijst van ver- en geboden naar huis. De kunst is nu juist om de gemeente op een inspirerende manier aan het denken en handelen te zetten. Vraag en antwoord 110 en 111 kunnen leidend zijn voor de preek. Ook hier kiest de catechismus voor de verbiedende en de gebiedende strekking van het gebod. U zou kunnen beginnen met vraag en antwoord 111. Vanuit het goede leven kunnen vervolgens de gevaren benoemd worden.

In deze schets wordt gekozen om vanuit een bepaald bijbelgedeelte het thema te behandelen. De keuze is gevallen op het bijbelboek Prediker. Deze wijsheidsleraar staat met beide benen op de grond. In zijn zoektocht naar de blijvende waarde van ons leven doet hij de ene ontdekking na de andere.

– De inleiding kan met iets uit de actualiteit beginnen. Als tekstkeuze kunnen wij Prediker met twee ‘woorden’ laten spreken. Dat typeert hem ook als Joodse wijsheidsleraar (masjaal-stijl). De twee teksten zijn Prediker 5:9a: ‘Wie het geld liefheeft, wordt van geld nooit verzadigd’, en 7:12: ‘Wijsheid biedt schaduw en geld biedt schaduw’.

– Hoe hebzuchtig ben ik eigenlijk? Tim Keller vertelt in zijn boek Namaakgoden (p. 61-62) dat hij een serie van zeven lezingen over de zeven hoofdzonden had gehouden tijdens een ontbijt voor mannen. Hij schrijft: ‘Mijn vrouw zei: “Ik wed dat je het kleinste publiek krijgt in de week dat het over hebzucht gaat.” Ze kreeg gelijk. (…) Als pastor heb ik mensen bijna iedere soort zonde horen belijden. Bijna. Ik herinner me niet dat er ooit iemand kwam zeggen: “Ik geef te veel geld aan mezelf uit. Mijn geldzucht is, geloof ik, schadelijk voor mijn gezin, mijn ziel, en de mensen om me heen.” Hebzucht verbergt zich voor zijn slachtoffers. De geldgod werkt op een manier waar verblinding een onderdeel van is.’

Het is overduidelijk dat de Bijbel heel kritisch is over geld en waarschuwt voor het gevaar van hebzucht. Samenvattend komen we in de Bijbel drie redenen tegen waarom hebzucht zo slecht is. Ten eerste stellen wij ons vertrouwen op ons geld en niet op God; ten tweede hebben wij te weinig oog voor onze medemensen in nood; en ten derde lopen wij het gevaar om helemaal in de macht van het geld te komen (verslaving).

In Prediker 7:12 wordt geld positief ter sprake gebracht. Net als wijsheid biedt geld schaduw. Dat is een forse uitspraak! Hier kunnen wij dus op een positieve wijze over geld en bezit spreken. Dit is treffend uitgebeeld in een reclamespot van de ASN Bank. Zij benadrukken daarin de twee kanten van geld (zie: http://www.youtube.com/watch?v=hGmoLq9CKys).

Deze uitspraak kan uitgelegd worden met een bekend voorbeeld: de aartsvader Abraham. Hij was rijk, en dat wordt in Genesis geduid als een zegen van God. Hierbij kan ook naar voren gebracht worden dat wie geld heeft, kan delen. Geven maakt rijk!

In Prediker 5:9-13 klinkt een veel kritischer geluid. Het gaat hier niet primair over het geld, maar over het liefhebben van geld. In dit gedeelte legt Prediker uit wat geldliefde met ons doet. Hij noemt vijf redenen om ons geld niet lief te hebben:

  • We worden nooit verzadigd van het geld (vs. 9). Het heeft een verslavend effect.

  • Als ons vermogen toeneemt, zullen veel mensen er gebruik van (willen) maken (vs. 10). Welvaart geeft veel onechte vrienden.

  • Bij veel geld krijgen we geldzorgen (vs. 11). Het levert ons slapeloze nachten op, terwijl iemand met een normaal inkomen lekker slaapt.

  • Geld is fragiel (vs. 12-13). Het ene moment zijn we rijk, even later blijkt er weinig van over te zijn. Dit is de afgelopen jaren wel erg actueel geworden: aandelen kelderden, bedrijven gingen failliet, enzovoort.

  • Geld heeft geen blijvende waarde. Bij ons sterven nemen we niets mee (vs. 14).

Het vervolg in de verzen 17-19 vind ik zo verrassend. Daar roept Prediker ons op om in alle eenvoud te genieten van ons eten en drinken. Dat blijkt zelfs een gave van God te zijn. Prediker predikt hier een volmondig ‘ja’ voor het aardse leven. Zolang wij het levenslicht ontvangen, is er ruimte om te werken, om te rusten, om te ontvangen, om te geven, om te genieten. Is dit ook niet precies het bijbelse begrip ‘gerechtigheid’? Het is leven met de medemens voor Gods aangezicht. En in dat leven blijkt geven ons rijk te maken. Dit is niet altijd even gemakkelijk. Dat hebben Prediker en zo veel anderen in de Bijbel ons wel duidelijk gemaakt. Voor je het weet word je verliefd op je geld. Maar we moeten ook niet doorslaan naar de andere kant door een soort Diogenes van Sinope (ca. 350 v.Chr.) te worden, die afstand nam van iedere vorm van werelds comfort. ‘Hoe minder men bezit, hoe gelukkiger men is’, was zijn levensfilosofie. Wij mogen zo onze verlangens hebben. Dat is leven. Waar niet meer verlangd wordt, wordt niet of nauwelijks meer geleefd. Maar tegelijk is daar de oproep om tevreden te zijn. In Prediker 6:9 zegt hij het heel kras: ‘Het is beter te genieten van iets tastbaars dan te grijpen naar iets onbereikbaars’ (NBV).

– Leven met anderen is een hele levenskunst. Binnen die kunst kan onze portemonnee onmogelijk buiten schot blijven. Laat er ruimte zijn voor elkaar: ruimte voor de medemens en onszelf, maar bovenal ruimte voor God. Heb het geld niet lief, maar heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Ligt hier ook niet de sleutel om verlost te kunnen worden van onze ‘geldziekte’? Dit kan alleen door de liefde van Jezus Christus. Wie gaat ontdekken hoe rijk wij zijn in Hem, gaat ook anders om met zijn geld en bezit.

Tot slot mogen de macro-economische vraagstukken aan bod komen. Het vrije-marktmechanisme van vraag en aanbod kan heel oneerlijk zijn. Wat doen we bijvoorbeeld met (te) goedkope kleding die door kinderarbeid is vervaardigd, of door volwassenen onder erbarmelijke omstandigheden in bijvoorbeeld Azië? Mag een kopje koffie iets meer kosten door fairtradekoffie te kopen? En hoe gaan we om met onze dieren (de bio-industrie)? Moet een dier zo behandeld (mishandeld?) worden om de prijs per kilogram vlees zo laag mogelijk te houden? De vraag hierbij is altijd of ons (koop)gedrag werkelijk bijdraagt aan een eerlijkere samenleving. Het is goed om te beseffen dat elke mentaliteitsverandering altijd in het klein is begonnen. Hiermee verbonden is ook het thema duurzaamheid. Hoe gaan we om met ons afval en onze energiebronnen? Wij mogen de toekomende generaties toch niet van een leefbare aarde beroven. En is het ook niet een christelijke opdracht om de aarde te bewaren voor de dag dat Jezus terugkomt?

Met het oog op de tieners

Twee helpende gedachten (in deze volgorde):

  • Whjd – What Has Jesus Done?

  • wwjd – What Would Jesus Do?

Een andere suggestie is om tieners het volgende mee te geven: ‘God liefhebben boven alles en je naaste liefhebben als jezelf. Probeer dat deze week eens concreet te maken: dat je niet maar pakt wat je pakken kunt, dat er zo veel mogelijk (aan bezit, complimenten, waardering etc.) jouw kant op komt, maar dat er ook iets van jouw kant uit mag gaan naar de ander.’ Trek dit breder dan alleen ‘geld’: dat is lang niet voor alle tieners zo belangrijk.

Met het oog op de kinderen

Leren om niet alleen maar aan jezelf te denken is uiteraard ook voor kinderen van belang: ‘Probeer het deze week maar eens uit, als je een vriendje te spelen hebt. Vraag je ouders eventueel maar om hulp. Het zou best kunnen zijn dat niet alleen je vriendje dan blij wordt, maar jijzelf ook!’ Vertel eventueel een kort verhaaltje hierbij om dit te illustreren.

Ook inlevingsvermogen is te leren en te oefenen: ‘Probeer er maar eens aan te denken hoe jij je zou voelen als je vriendje jou alleen maar met zijn kapotte autootje laat spelen en zelf met die mooie grote brandweerauto gaat spelen. Het is logisch dat je delen nog moeilijk vindt. Veel grote mensen vinden dat ook nog steeds! Maar je kunt het wel leren. En in de kerk proberen we elkaar daarbij te helpen, door heel goed te luisteren naar wat de Here God ons daarover vertelt.’

Pastorale aanwijzingen

Het is goed om in het gebed ruimte te maken voor schuldbelijdenis. Maak deze concreet. De zonde(n) tegen het achtste gebod is (zijn) niet abstract, maar uiterst actueel. Zo kunnen wij ook bidden om wijsheid: ‘Wat moet ik doen, Here?’ De catechismus noemt in vraag en antwoord 111 dat het goed is om te werken, om zo te kunnen delen. Voorbede voor werklozen en arbeidsongeschikten is dan ook zeker op zijn plaats. Zo kan er ook gebeden worden tegen stille armoede en voor de voedselbank.

Met het oog op de tieners

Als jongeren op een gegeven moment een baantje hebben, is het gevaar groot dat alles wat ze verdienen voor henzelf is. Ze mogen bemoedigd worden om te (leren) geven. Vergeet niet dat er tieners in de gemeente kunnen zijn die moeten leven van bijna niets. Ook zij hebben bemoediging nodig, maar dan anders.

Er mag ook aandacht zijn voor tieners die mogelijk al eens veroordeeld zijn voor winkeldiefstal, of die met een slecht geweten rondlopen als het over stelen gaat. Ze kunnen het nu misschien nog goedmaken.

Met het oog op de kinderen

Kinderen kunnen heel verschillend omgaan met hun eigen speelgoed. Sommigen beschermen het angstvallig: niemand mag eraan komen. Het achtste gebod kan hun leren dat delen alleen maar mooi is. Het geeft ruimte voor elkaar. Dit kan duidelijk gemaakt worden aan de hand van een verhaaltje over twee fictieve kinderen (Jaap en Marijn). Ze gaan samen spelen, maar het wordt ruzie. Moeder komt er ’s avonds op terug bij Jaap. Volgende keer proberen ze het nog eens. Jaap denkt aan wat moeder gezegd heeft en doet goed zijn best. Hij vindt het best moeilijk en het gaat ook niet meteen goed. Maar als hij merkt hoe blij Marijn is als hij ook eens met zijn nieuwe auto mag spelen, wordt hij daar zomaar zelf ook blij van!

Een andere mogelijkheid is iets te doen met de actie ‘Schoenendoos’: ‘Stel je voor: je gaat een schoenendoos vullen voor een kind dat heel arm is. Natuurlijk doe je er tandpasta in, een schrift en… ook iets van jezelf. Iets moois, iets leuks waar je zo’n kind heel blij mee zou maken. Denk er eens over na: waarmee zou jij hem of haar blij kunnen maken?’

Liturgische aanwijzingen

  • Psalmen in de oude berijming: 26:10; 49; 62:7; 119:36; 146:5, 6 en 7.

  • Psalmen in de nieuwe berijming: 26:10; 49; 62:6; 119:13; 146:4 en 5.

  • Liedboek voor de Kerken Gezang 108:5, 268, 279:4, 473 en 479.

Helpende vormen

Zie preekschets 12.6.

Op de samenvatting van de preek kan een lijstje van goede doelen worden opgenomen.

Met het oog op de tieners

Vraag een aantal tieners in de week voorafgaande aan deze leerdienst om via e-mail, Facebook of Twitter te reageren op onderstaande stelling, en vraag of u hun reacties (anoniem) mag gebruiken: ‘Jongeren kunnen best tien procent van hun loon of zakgeld aan goede doelen geven.’

Als u met een beamer werkt, zou u – bijvoorbeeld na het lied na de preek – onderstaande geef-ideeën aan de tieners en kinderen kunnen voorleggen ter overweging. Daarna kunt u nog een passend lied laten zingen.

Geef-idee Ga ik doen Weet niet Doe ik niet
Een bos bloemen van € 10 voor je oma als ze 70 wordt.
Een verwenbon van € 15 voor je moeder op Moederdag.
In de klas wordt geld opgehaald voor aidskinderen in Afrika. Jij geeft € 10.
Je ouders besluiten met Sinterklaas een zak vol speelgoed neer te zetten bij een vluchtelinggezin uit Iran. Jij doet mee met € 5.
In de kerk wordt gevraagd het zendingswerk te steunen. Jij doet mee met € 2 per maand.

Met het oog op de kinderen

Zie bovenstaande geef-ideeën, maar dan met aangepaste bedragen.

Tieners en kinderen kunnen voor de nieuw begonnen week ook een concrete opdracht meekrijgen. ‘Probeer eens meer aan een ander te denken dan aan jezelf! Dat kan op allerlei manieren: iemand bezoeken, iemand vragen om met je te spelen, iets aardigs op Facebook zetten, enzovoort. Bel/mail/sms de predikant, jeugdwerkleider of leiding van de kindernevendienst dan nog maar eens om te vertellen hoe het gegaan is!’ Daarbij kan de predikant aangeven dat hij er vrijwel zeker van is dat dit ook voor het kind zelf goed zal uitpakken. Van geven word je nooit minder!

Literatuur

  • Colin Brown (ed.), New International Dictionary of Old Testament Theology & Exegese, Volume 1. Grand Rapids, 1986, p. 878-880.

  • Khaled Hosseini, De vliegeraar. Amsterdam, 2008, p. 20.

  • Tim Keller, Namaakgoden. De lege beloften van geld, seks en macht, en de enige werkelijke hoop. Franeker, 2010, p. 59-76.

  • E.P. Meijering, Hoe God verdween uit de Tweede Kamer. De ondergang van de christelijke politiek. Amsterdam, 2012.

  • A.A. van Ruler, Verhuld bestaan. Nijkerk, 1949, p. 210.

< Terug