< Terug

Als pasgeboren kinderen

Bij Genesis 1-11

Het alternatieve leesrooster reikt voor de periode Paasnacht tot en met Pinksteren 2018 perikopen uit Genesis 1-11 aan en legt daarmee oorspronkelijke verbanden van het kerkelijk jaar bloot. Genesis 1 klinkt immers elk jaar in de Paasnacht, de verhalen van Noach en zijn ark zijn onlosmakelijk verbonden met de doop (vgl. 1 Petrus 3,20-22) en de torenbouw van Babel heeft geleid tot de vele talen die instemmen met het Pinksterverhaal. Het onderstaande artikel beoogt de gekozen perikopen te plaatsen in hun bijbels-theologische samenhang.

Indeling van het boek Genesis

De gangbare indeling in hoofdstukken van het Oude Testament komt uit de christelijke Vulgata en dateert uit de late Middeleeuwen. Pas in de zestiende eeuw is deze indeling overgenomen in uitgaven van het Hebreeuwse Oude Testament. Voldoende reden dus om deze indeling kritisch te bekijken. Iedereen is het er bijvoorbeeld wel over eens dat Genesis 1 ten onrechte na vers 31 eindigt.
De Hebreeuwse Bijbel gebruikt in Genesis een indeling volgens toledot, letterlijk: ‘verwekkingen’. Deze toledot geven aan waarmee het schriftgedeelte begint en hoe de verhaallijn van daaruit loopt. Ze beginnen in Genesis 2,4 – ‘de toledot van hemel en aarde’ – en lopen via toledot in 5,1; 6,9; 10,1; 11,10.27; 25,12.19 en 36,1.9 uit op de ‘toledot van Jakob/Israël’ (37,2).
De vraag komt op bij welke toledot het ‘eerste scheppingsverhaal’ (Genesis 1,1-2,3) behoort. De toledot staan overwegend als opschrift boven wat volgt. Ook de rabbijnse indeling in paragrafen (Hebr.: parasjot) legt in Genesis 2 de cesuur tussen vers 3 en 4. De conclusie moet zijn dat het ‘eerste scheppingsverhaal’ helemaal niet valt onder de toledot. Het staat op zichzelf, als achtergrond van alles wat volgt. Omraamd door de woorden ‘God schiep’ (Genesis 1,1; 2,3b), beschrijft deze perikoop het ‘begin’ – ook in de zin van beginsel, principe – van heel Gods schepping. Opvallend is dat er geen toledot van Abram zijn. In Genesis is de uittocht uit Ur der Chaldeeën het moment waarop de cruciale wending plaats vindt: vertrek uit het heidense land, op weg naar Gods goede aarde, Kanaän. Die uittocht begint niet bij Abram, maar bij zijn vader, Terach (11,31). De onder ons gebruikelijke cesuur bij 12,1 is begrijpelijk, maar niet die van de Hebreeuwse tekst. Abram (later ‘Abraham’) behoort tot de toledot van Terach (11,27).

Urgeschichte?

Het begin van Genesis staat te boek als de Urgeschichte. Dat is geen historie in onze zin van dat woord, veelmeer een geschiedenis die zich steeds weer zal herhalen. Vanaf 2,4 gaat het in Genesis over de ‘geschiedenis’, de gang van zaken, in de geschapen wereld. Wat gebeurt daar? En vooral: wat doen de mensen die daar wonen en wat doen ze niet? Waar gaat het op de aarde goed en waar gaat het mis? En hoe komt dat? Dat alles veronderstelt het ‘eerste scheppingsverhaal’. De termen ‘eerste’ en ‘tweede’ scheppingsverhaal zijn niet erg gelukkig. Er is maar één scheppingsverhaal: Genesis 1,1-2,3. Het ‘tweede’ (Genesis 2,4b- 3,24) vult aan en becommentarieert het ‘eerste’.
‘God schiep’ (Genesis 1,1; 2,3b) is niet iets uit het verre verleden. Daarom begint 2,4b niet met ‘ten tijde’, maar met ‘ten dage’. Een ‘dag’ wordt in de Bijbel niet primair bepaald door de kalender, maar door een specifieke gebeurtenis. ‘Schiep’ staat in onze vertalingen weliswaar in de verleden tijd, maar de Hebreeuwse werkwoordsvorm duidt niet op het tijdstip, maar op het aspect van de handeling. Wat God in Genesis 1,1 doet, is een vrije en machtige daad, niet aan enige conditie gebonden, in principe onherroepelijk en van alle tijden: verleden, heden en toe- komst. Hij schept een leefbare aarde, nog steeds. Ook wat er op basis daarvan in Genesis 2,4-11,32 gebeurt, gebeurt nog steeds.

De mens: man en vrouw

Het ‘Boek van de toledot’ begint in Genesis 5,1. Het beschrijft de wording (‘verwekking’) van Israël te midden van de volkeren. Voorafgaand daaraan vertelt Genesis enkele belangrijke dingen over de geschapen mens op Gods goede aarde, hoe hij daar leeft en zich gedraagt. Eerst wordt het thema van Genesis 1,27 opgenomen: de mens en zijn vrouw (Genesis 2,4b-25). Ze zijn ‘één vlees’ (Genesis 2,24), één in hun kwetsbaarheid, stof uit de akker (Genesis 2,7), maar ze hebben elkaar. Hun naaktheid (2,25) onderstreept die kwetsbaarheid. In de wereld wordt daar steeds weer misbruik van gemaakt. Dat gebeurt hier niet. Ze gaan niet met elkaar om op een schandalige manier.1 Waar dat onder ons wel gebeurt, leven wij niet meer in de schepping, maar in de corruptie van de schepping. Dan wordt er door de mens niet geluisterd naar JHWH God, maar naar een vijandige macht. Spreek ‘JHWH God’ uit als: ‘de HEER God’ (en dus niet een andere god!). De combinatie komt voor vanaf Genesis 2,4.

De zondeval

Dat niet luisteren van de mens naar JHWH God wordt uitgewerkt in hoofdstuk 3, het verhaal van de ‘zondeval’, ‘de eerste zonde’. De christelijke theologie van de eerste eeuwen van onze jaartelling werd geconfronteerd met een klemmende vraag: hoe kan Genesis de schepping ‘goed, ja zeer goed’ (Genesis 1,31) noemen, terwijl de realiteit van ons bestaan onmiskenbaar vol is van ellende en kwaad? Er waren theologen die om deze reden het hele Oude Testament verwierpen. De God van Genesis was volgens hen een kwaadaardige macht, zeker niet de Vader van Jezus Christus.
Het is vooral Augustinus (354-430) geweest die voor dit probleem een oplossing aanbood: de mens was in oorsprong goed, maar het is ooit in het paradijs misgegaan. De mens ‘zondigde’ door te eten van de verboden boom. Daardoor bracht hij het kwaad in de wereld. Dat lijkt in overeenstemming met Paulus (Romeinen 5,12-21). Maar Paulus leest de teksten uit Genesis niet louter historiserend, en in hoeverre Augustinus als neo- platonist dit wel deed, is een punt van discussie. Bij Paulus is de ‘zondeval’, net als in Genesis, een voorval dat zich onder ons, als donkere keerzijde van de bevrijding, nog steeds voordoet.
Een Hebreeuws woord dat wij vertalen met ‘zonde’ komt in Genesis 3 niet voor. ‘Zonde’ verschijnt in de Bijbel voor het eerst in Genesis 4,7.13 (respectievelijk chath’at en ‘awon). Zonde is alles wat ge- zien de goede schepping misgaat. Zonde is niet het overtreden van een gebod: dat is een symptoom van de zonde. De zonde is in heel de Bijbel het negeren van de macht van JHWH God. Dat is precies wat de mens doet in Genesis 3. Het gebod is geen opgeheven vingertje, maar een ons gegeven weg ten leven. Negeren van het gebod, luisteren naar de stem van andere goden en godjes, zoals Eva naar de misleidende praatjes van de slang, voert de mensheid ten dode.
‘Boom’ (of ‘geboomte’) is een metafoor voor wat de wereld de mens te bieden heeft: leven in overvloed, maar ook kennis, praktische ervaring, van wat goed en kwaad (slecht) is voor de mens. Het goede geeft God aan de mens; met het kwaad zal Hij zelf afrekenen. ‘Zonde’ is dat de mens, collectief en individueel, het kwaad in de eigen hand houdt. Hij wil als God zijn, eigen baas, en hij denkt: dat redden we wel. Maar hij redt het niet. Al snel is het kwaad niet in zijn macht, maar is hij in de macht van het kwaad.

De mens en zijn broeder

Hoe het misgaat zien wij in hoofdstuk 4: Kaïn en Abel. ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ (Genesis 4,9) is de theologie van de slang. Daarin komt de broeder niet voor. In Genesis 4 komt de broeder wel voor, acht keer. Het is het verhaal van de mens, als collectief en als individu, die denkt zijn broeder niet nodig te hebben, terwijl hij in feite pas waarlijk mens is omdat er ‘broeders’, medemensen, zijn.
Kaïn zegt letterlijk (Genesis 4,13) dat zijn misdaad te groot is om te dragen. Vertalers voegen ‘de straf’ in, maar misdaad en straf zijn twee zijden van dezelfde zaak. Dit kwaad – het eigenbelang dienen door de broeder uit te schakelen – ‘straft’ altijd zichzelf.

Het ‘huwelijk’ der godenzonen

Genesis 6,1-4 maakt gebruik van een Griekse mythe, waarin door toedoen van Eros sublieme halfgoden worden verwekt, ‘heroën’ (‘helden’). Plato bespreekt deze mythe in de Cratylus (398), met verwijzing naar Hesiodus. In Genesis zijn het ‘reuzen’ (Gr.: gigantes), ‘geweldigen uit de oertijd’ en ‘mannen van naam’. Plato zegt over hen niets kwaads. Integendeel: wanneer er af en toe ook nu nog één verschijnt, is dat prachtig. In Genesis wordt echter aan de vermenging van goden en mensen, niet alleen in die dagen, ‘maar ook daarna’ (6,4) – dit soort godenzonen treedt dus ook later nog weleens op! – paal en perk gesteld. De invloed van mensen die zich (half)goden wanen of voor goddelijk worden gehouden, is in de schepping gelimiteerd: 120 jaar.
‘Huwelijk’ (vgl. NBG ’51) is wel erg eufemistisch: de godenzonen ‘pakken’ (Hebr.: laqach – Genesis 6,2) de mensenmeisjes waar ze zin in hebben gewoon. Zo gaat dat, nog steeds.

De zondvloed

Opnieuw hanteert Genesis een motief dat ook bij de volkeren voorkomt, zoals in het Babylonische Gilgamesj-epos: de zondvloed. Als het totaal mis blijkt te gaan met de mens op aarde, ziet God maar één weg: met een schepping zo verziekt kan het beter afgelopen zijn (Genesis 6,6). De tekst herinnert keer op keer aan Genesis 1. De schepping van de mens en de diersoorten wordt als het ware element voor element teruggedraaid. De chaos van de ‘wateren’ (Genesis 1,2) krijgt opnieuw de overhand. Maar toch, zolang er één ‘rechtvaardig en gaaf’ (Genesis 6,9) mens wordt gevonden, is het met de schepping niet echt afgelopen. God doet opnieuw een wind (Hebr.: roeach = adem, geest) over de chaos gaan (Genesis 8,1) en het droge, de goede schepping, verschijnt. Het verbond met God (Genesis 9,11) staat, van Hem uit, vast.

De torenbouw van Babel

Het verhaal in Genesis 11,1-9 is deel van de ‘toledot van de zonen van Noach’ (Genesis 10,1), wat nog eens duidelijk wordt onderstreept in Genesis 10,31-32. Onderwerp: de volkeren (Hebr.: gojim) op de aarde, na de vloed (Genesis 10,32). Wat doen die mensenzonen (Genesis 11,5)? Ze bouwen steden en torens tot in de hemel. Weer wordt losjes een motief ontleend aan de volkeren. Iedereen denkt bij dit verhaal aan een indrukwekkende Babylonische tempeltoren (ziqqurat). Een geweldige prestatie natuurlijk, zo’n bouwsel. Deze massieve concentratie van botte macht kan echter onmogelijk Israël voortbrengen. In termen die doen denken aan een komedie – God ironiseert hun drukdoenerige taaltje (vgl. Genesis 11,7 en 11,3.4.) – wordt verteld hoe JHWH er een eind aan maakt. Hij daalt af om een kijkje te nemen. Het meervoud (Genesis 11,7) duidt op JHWH plus zijn hofhouding (vgl. Psalmen 82). Willen die gojim groot worden? Willen ze voor zichzelf een naam maken (Genesis 11,4; vgl. 6,4)? Dat gaat mooi niet door. Dit soort machtsconcentratie is voor- behouden aan Israëls God. Híj weet hoe Hij daarmee omgaat, deze gojim niet: die willen altijd alleen maar meer. Dat kan op den duur niet goed gaan. Maar JHWH, de God die heerst, kan ook verdelen. Dat gebeurt. Op een gegeven moment verstaan de overmoedige gojim hun eigen ‘gebabbel’ niet meer. Hun hele bouwwerk valt uiteen. Ze worden ‘verstrooid’ (Hebr.: foets, in Genesis 11,4.8.9; vgl. Ned. ‘foetsie’) over de aarde. Nu is er ruimte voor de toledot van Terach (11,27).

< Terug