Perspectieven op ballingschap en een diaspora-bestaan

Ballingschap is een beeld dat door Joden zelf met de eigen identiteit wordt verbonden terwijl ook buitenstaanders het beeld van de ‘wandelende Jood’ op zoek naar een plaats in betere tijden herkennen. Maar dat is slechts een gedeelte van het verhaal. Gedurende grote delen van de Joodse geschiedenis is sprake van een diaspora-bestaan – een zelf gekozen bestaan als minderheid te midden van een niet-Joodse omgeving. Zo trekt men zich terug achter zelfgebouwde muren die de mensen binnen moeten beschermen tegen de schadelijke invloeden van buiten. Een zuivere enclave te midden van een onreine poel des verderfs. Het is dit fenomeen dat ten grondslag ligt aan de (ultra-)orthodoxe gemeenschap die afgebeeld wordt in de serie Unorthodox van Netflix.

Het onderwerp ballingschap, ontheemding en vervreemding lijkt een grondthema te zijn in de verhalen van Tenach. De eerste mensen Adam en Eva worden als straf na het eten van de boom van kennis uit het zorgeloos paradijs naar de grote wereld verbannen. Twee cherubijnen en het rondwentelende zwaard moeten verhinderen dat de mens terugkeert naar het paradijs en de boom van het leven. In de wereld buiten het paradijs zullen zij tegenslag, lijden en ander ongemak ervaren. Hun zoon Kaïn zal dat aan den lijve verder ondervinden als straf op het doden van zijn broer Abel: ‘u zult een zwervende en dolende zijn op aarde’ (Genesis 4:12).
Ook Noach en zijn familie zijn ballingen als overlevenden van de zondvloed. In de ark dobberen zij lange tijd rond om vervolgens op de berg Ararat te stranden – ver van hun oorspronkelijke woonplaats vandaan. Hier zullen ze allen weer opnieuw moeten beginnen: van een hernieuwde relatie met het goddelijke door middel van een nieuw verbond tussen God en de mens en de wereld tot een hernieuwde relatie tussen mens en de aarde. Noach wordt immers landbouwer en ontdekt de druif en de producten daarvan. Volgens de narratieve traditie van de rabbijnen (Midrasj) ontdekt Noach ook de ploeg – zo verzacht hij het harde werk van de mens die na de zondeval moet zwoegen om de aarde te bewerken (Genesis 3:18-19). Zo is Noach de troost voor zijn generatie, zoals zijn vader ooit voorzag (Genesis 5:29).

Maar hiermee is het thema ballingschap in de vroege Bijbelse geschiedenis van de mens niet uitgeput. Waren het eerder alleen individuen die ontworteling en ballingschap ervaren, nu gaat het verhaal over de mensheid die als collectief ballingschap ondergaat. Na de grote ramp van de zondvloed weet de mensheid zich weer te organiseren en op te bouwen. Men woont in eerste instantie bij elkaar als antwoord op deze grote ramp. Eensgezind van taal, cultuur en ideeën is de toren van Babel hun symbool als baken in een onveilige wereld – wie ver afdwaalde van zijn woonplaats kon altijd van verre de enorme toren zien en als kompas gebruiken om terug te keren in het grote collectief. Maar deze eenheid wordt door God verstoord en de mens wordt vanuit de omgeving van Babylonië-Mesopotamië over de wereld verspreid – zo ontstaan de volkeren met verschillende talen en culturen. Vervreemding, ballingschap, migratie – het lijkt de constante te zijn in het menselijke bestaan:

Zoals Hij voor de zonen van Esau gedaan had (…) voor wie Hij de Chorieten verdreven en verdelgd had, zodat zij hun gebied in bezit genomen hadden en daar in hun plaats wonen tot op de huidige dag. De Kaftorieten, die uit Kaftor gekomen waren, hadden de Awwieten, die tot Gaza in dorpen woonden, verdelgd en zich in hun plaats gevestigd. (Deuteronomium 2:22-23)

Toch verlaat de Tenach dit universele perspectief al in Genesis en houdt zich vanaf nu voornamelijk bezig met het volk Israël en het thema ballingschap, dat als een rode draad door de verhalen heen loopt. Met nu één groot verschil – ballingschap wordt altijd gevolgd door terugkeer en herstel en het opheffen van de toestand van vervreemding. De verhalen beginnen bij de aartsvaders die alle drie in meer of mindere mate te maken krijgen met ontworteling en een rondtrekkend bestaan. Dat start bij Abraham die alles in het Ur van de Chaldeeën moet achterlaten om de tocht te maken naar het land dat God hem zal wijzen, Kanaän. Een land dat echter al bewoond wordt door bewoners met verschillende etnisch-culturele achtergronden en daarmee de kiem in zich draagt voor spanningen in de toekomst.
De tocht vanuit Kanaän naar Egypte vanwege een hongersnood en weer terug is voor Abraham een nieuwe vorm van ballingschap bovenop zijn eerste wegtrekken uit zijn oorspronkelijke vaderland. Ook Isaak trekt door het land en gaat van het zuiden naar de kuststreek van de Filistijnen, op weg naar Egypte vanwege een hongersnood. Maar God wil dat Isaak in Israël blijft en hij woont langere tijd in het gebied van de Filistijnen totdat hij weer terugkeert naar Beër Sheva.

Met Jakob wordt de overgang gemaakt van het individu naar het Joodse collectief. Met 70 mensen – hijzelf, zijn vier vrouwen, twaalf zonen en een dochter en hun nakomelingen – trekt hij naar Egypte ten tijde van een hongersnood om daar lange tijd te blijven. Deze Egyptische periode duurt honderden jaren en zal uitmonden in slavernij en onvrijheid – het thema ballingschap wordt door het volk Israël dat in Egypte wordt geboren, aan den lijve ondervonden. De terugkeer naar het Heilige Land blijkt vervolgens een complex proces waarin de wonderbaarlijke Exodus, de Sinaï-ervaring met wetgeving en verbond, en 40 jaar omzwervingen in de woestijn tussenstations blijken op weg naar de toekomst.

Een bloeitijd volgt hierna onder de leiding van vooral David en Salomon die in Jeruzalem een prachtige tempel voor de God van Israël bouwt – een periode van vrede en voorspoed is begonnen. Deze zal echter niet heel lang duren – onder de regering van zijn zoon Rechabeam wordt Salomons rijk opgedeeld in een noordelijk rijk Israël en een zuidelijk rijk Judea. Het noordelijke rijk wordt in de achtste eeuw veroverd door de Assyriërs die de bewoners meenemen als ballingen en verspreiden door hun grote rijk. Zo een 150 jaar later zal het zuidelijke rijk Judea door de Babyloniërs verslagen worden; de tempel in Jeruzalem wordt vernietigd en de elite en vakmensen worden naar Babylonië verbannen. Anderen zullen uit Israël naar de omringende landen emigreren – vooral Egypte.

Maar het verhaal eindigt niet hier. Na 70 jaar zal de terugkeer/wederkeer vanuit Babylonië naar Israël plaatsvinden – precies zoals dat door de profeten voorspeld is. Groepen Joden uit Babylonië zullen onder leiding van Zerubabbel, Ezra en Nehemia de terugtocht naar Israël maken. Het is echter maar een gedeelte van de Joden dat terugkeert. En zo wordt het fenomeen van diaspora een blijvend verschijnsel in de Joodse geschiedenis. Diaspora is een zelfgekozen ballingschap want men kan vanuit Babylonië, Egypte of andere omringende landen terugkeren naar Israël, waar Jeruzalem herbouwd is mét tempel. Gedurende de gehele tweede tempeltijd zal er een tempel in Jeruzalem staan waarnaar Joden vanuit de diaspora op pelgrimage gaan, maar die vervolgens ook weer terugkeren naar het buitenland. Op sommige momenten in de geschiedenis bestaan er zelfs drie Joodse tempels: de tempel in Jeruzalem, een tempel in Samaria en een tempel in Egypte van diaspora-Joden. Later zal men via de synagogen die overal in de diaspora verrijzen een soort mini-tempel naar het buitenland brengen waar men God óók kan ontmoeten.

Een echt herstel van hoe alles vroeger was, blijkt de tweede tempel niet te zijn. De heilige ark ontbrak en daarmee was de goddelijke aanwezigheid minder voelbaar; het Davidische koningshuis keerde evenmin terug. Bovendien leefde men toch vooral binnen de grenzen van de toegekende autonomie, de geopolitieke parameters van het krachtenveld waarbinnen Israël lag: het Perzische rijk – Cyrus geeft de toestemming voor het herbouwen van de tempel – en daarna onder de Ptolemeïsche en Seleucidische rijken die Israël soms ook bezetten. De niet vervulde beloften van de tweede tempelperiode deden al eerder messiaanse speculaties ontstaan (een hemelse figuur die naar aarde zal komen en alles zal rechtzetten, in Daniël). Met de komst van de Romeinen was het gedaan met de vrijheid in het land Israël – ook mét tempel en hogepriesters kan men blijkbaar in ballingschap zijn, leerde men nu uit ervaring. De verwoesting van de tempel in Jeruzalem door de Romeinen in 70 was het dieptepunt van deze vierde ballingschap van Israël. Na de val van de tempel in 70 zullen messiaanse verwachtingen nog sterker op de voorgrond komen.

En zo wordt het fenomeen van diaspora een blijvend verschijnsel in de Joodse geschiedenis

Enkele bijbelboeken beschrijven het thema ballingschap vanuit een diaspora-uitgangspunt – zoals Daniël, Tobit en Ester. Zij tonen een aantal religieus-pragmatische strategieën die op overleven zijn gericht. Zo is er het belang van wijsheid die voor politieke invloed gebruikt kan worden – Daniël, Tobias, Mordechai en Ester zijn allemaal op een of andere manier aan de machthebbers verbonden: als raadgevers, droomuitleggers of financieel beheerders. Men speelt het aardse politieke spel goed en op een bepaalde manier is men ook geïntegreerd als minderheid. Het leven buiten Israël is niet per se altijd slecht en onveilig in materiële en fysieke zin. Daarnaast is er ook de esoterisch-spirituele kennis die inzicht geeft hoe de actualiteit en de loop van de geschiedenis geïnterpreteerd dient te worden: ooit zullen het Babylonische rijk en het Perzische rijk verdwijnen waarna een nieuwe orde voor de ‘heiligen’ gevestigd wordt. Daniël gebruikt hiervoor het model van de vier rijken (Daniël 2:32-33) als verklaringsmodel.

Tijdens de Romeinse overheersing wordt deze nieuwe vorm van ballingschap naadloos in het model van de vier rijken ingepast. Maar God maakt zich ook nu ook al tastbaar als redder door de wonderen en de engelen die het vrome individu beschermen – zoals de redding uit de oven van Chananja, Misaël en Azarja (3:13 e.v.), Daniël uit de leeuwenkuil (6:17 e.v.), en de genezing van Tobit en Sarah.

In het hier-en-nu moet men een religieus leven leiden, trouw aan de God van Israël. Dagelijks gebed is hierbij van belang – Daniël bidt driemaal daags met geopend venster in de richting van Jeruzalem (Daniël 6:11) als teken voor het toekomstige herstel en ook in Tobit speelt gebed een belangrijke rol. Ook wordt het belang van het afwijzen van afgodendienst, het houden van de spijswetten en het behouden van de etnische afkomst uiteengezet door het trouwen met iemand uit de eigen groep (Tobit). Dit laatste vinden we ook terug in de visie van Ezra en Nehemia die komende vanuit het Perzische rijk in Israël een nieuwe, pure gemeenschap willen opbouwen vanuit een idee over Joodse identiteit zoals dat vooral in de periode van de Babylonische ballingschap tot stand is gekomen. Verder wordt ook het belang van goede werken benadrukt in Ester (9:22) en Tobit (hoofdstuk 1). Met deze tools probeerde men de ballingschap te overleven met behoud van eigen identiteit tot het moment van herstel en terugkeer.

Alleen heeft naar de visie van de Joden de messiaanse verlossing nog steeds niet plaatsgevonden sinds het jaar 70 toen de tempel werd verwoest. De Joden werden niet allemaal ingezameld naar Israël, de tempel niet herbouwd, de offercultus niet heringevoerd, het Davidisch koningshuis niet hersteld, en de oude instituties zoals het sanhedrin niet hernieuwd. Met het verstrijken van de jaren en de intensivering van de ervaring van ballingschap door verdrijvingen, vervolgingen en migratie werd de vraag over het lot van het Joodse volk en de loop van haar geschiedenis steeds sterker. Tot aan de moderne tijd was het traditionele antwoord dat men op de nabije verlossing moet wachten vanuit een betrokkenheid op het verbond en de bijbehorende verplichtingen op ethisch en ritueel gebied. Met de intrede van de moderniteit kwam de idee van de maakbaarheid van mens en samenleving op de voorgrond te staan in het menselijke denken. Gecombineerd met de burgerrechten die Joden kregen in Westerse landen vanaf het einde van de negentiende eeuw leidde dit – tot spijt van de meer traditionele groepen die zich later orthodox zullen noemen – ook bij veel Joden tot een gevoel dat men het lot in eigen hand moet nemen, in plaats van wachten op een Goddelijk ingrijpen.

Het in eigen hand nemen van het lot kent in de Joodse context verschillende gedaanten. Enerzijds zijn er de mensen die met behoud van een Joodse identiteit vol in de niet-Joodse samenleving willen leven. Hiervoor moet het Jodendom echter sterk hervormd worden en teruggebracht worden tot haar ethisch-morele basis. Archaïsch aandoende rituelen en gebruiken die niet meer in de moderne tijdsgeest passen moeten verdwijnen, evenals elke verwijzing naar Israël, tempel en offerdienst. Andere hervormers stellen gematigder wijzigingen voor en vinden dat de basis voor verandering in de traditie zelf gevonden moet worden. Dan zijn er aan de andere kant de orthodoxen die in principe religieuze verandering afwijzen, maar wel open staan voor de elementen van de seculiere samenleving die zonder conflict met de traditie overgenomen kunnen worden en zelfs van waarde kunnen zijn voor een godsdienstig leven. ‘Tora in combinatie met de weg/gewoonte van de wereld’ is hun leus. Je kunt dan denken aan de waarde van seculiere studies, muziek, esthetiek, etiquette en ethiek op voorwaarde dat de Tora de maatstaf blijft.

Hoewel de messiaanse verlossing een religieus verlangen blijft, neemt men in het hier-en-nu het leven in de diaspora als gegeven waar mee te leven valt, zeker gezien de betere burgerlijke status die Joden hebben gekregen. Israël als licht onder en voor de volkeren.

Geheel anders was het standpunt van de zionisten. Zij zagen het bestaan van Joden te midden van het toenmalige christelijke Europa als een onnatuurlijke toestand en als slecht voor de Joden. In de bloedige geschiedenis van de Joden in Europa zagen zij een bewijs voor hun inzichten. Bovendien vormden antisemitische incidenten in verlichte landen als Frankrijk (Dreyfus-affaire) en de vervolgingen van Joden in Oost-Europa in de negentiende en begin twintigste eeuw een bewijs dat ook de moderniteit niet het antwoord biedt aan het ‘Joodse probleem’. Hiervoor was nodig dat men terugkeert naar een genormaliseerd bestaan op een eigen territorium, met autonomie en de mogelijkheid om de eigen cultuur en taal op natuurlijke wijze tot uitdrukking te laten komen.

Als minderheid te midden van andere volkeren is voor Joden slechts een schaduwbestaan gegeven. Men was hierin uiteraard beïnvloed door het opkomende nationalisme uit de tweede helft van de negentiende eeuw dat volkeren vooral in de context van een (natie)staat en een territorium definieerde en staatloze etnische minderheden als cultureel en moreel inferieur zag. Hoewel men eerst open stond voor verschillende territoriale oplossingen, koos de zionistische beweging voor het land Israël als de plek waar een Joods huis gerealiseerd moest worden.

Sommige religieuze Joden zagen in de terugkeer op individuele basis naar Israël een spirituele katalysator die het goddelijke messiaanse plan moest initiëren. Zij baseerden dit op het mystieke inzicht dat voordat het goddelijke ingrijpt in het fysieke, er eerst een ‘opwekken van beneden’ moet plaatsvinden. De emigratie van enkelingen naar het toenmalige Palestina is een voorafbeelding van het grote messiaanse scenario dat zich op collectief niveau later zal manifesteren. Zodra een bepaalde kritieke massa is bereikt door deze individuen zal het grotere plan van boven af in werking gezet worden. Gedurende de negentiende eeuw zullen vrome Joden uit Oost-Europa de tocht naar Israël maken om daar hun leven te leiden in afwachting van de verlossing. In het latere succes van de zionistische beweging en de oprichting van de staat Israël zullen religieuze zionisten later het bewijs zien dat het seculiere zionisme een instrument is in de hand van God om de verlossing langs aardse geopolitieke wegen te openbaren. Men leeft vanaf nu in een periode van ‘de ontluiking van de verlossing’.

Verlossing is een moeizaam en langzaam proces

Vanuit de orthodoxie kwam ook een ander antwoord op de moderniteit dat later het label ultra-orthodox zal krijgen. Als één van de grondleggers van deze beweging wordt wel rabbijn Mozes Schreiber (1763-1839) genoemd, die de formule ‘al het nieuwe is verboden van de Tora’ muntte. Het zal het uitgangspunt worden door de ultra-orthodoxie die de seculiere wereld radicaal afwijst, seculiere studies verbiedt en zoveel mogelijk kiest voor een zelfgekozen isolement van de buitenwereld die als gevaarlijk wordt gezien voor het zielenheil van de Jood. Schreiber bond oorspronkelijk de strijd aan tegen de hervormers die de traditie verkwanselden. In tweede instantie zal later vanuit deze ideologie het zionisme door anderen bestreden worden. De zionisten wilden immers een genormaliseerd bestaan van Joden waarin religie een marginale rol speelt. Bovendien waren hun oproepen tot massale emigratie naar Israël in strijd met de rabbijnse traditie die dat juist verbood.

Na de oprichting van de staat Israël onderhoudt de ultra-orthodoxie een moeizame relatie tot die staat, van overwegend afwijzend tot pragmatisch. Tegenwoordig heeft ook de ultra-orthodoxie een modus vivendi gevonden mede door hun politieke invloed vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw, die ook vertaald werd in massieve staatssteun voor hun instituten waarzonder hun levensstijl moeilijk vol te houden is. Hoewel sommigen nog steeds het idee hebben dat het leven van een ultra-orthodoxe Jood in de seculiere staat Israël een vorm van (paradoxale) ballingschap onder Joden is. Uitzonderingen hierop zijn enkele groeperingen binnen de ultra-orthodoxie in Israël – voornamelijk gesitueerd in de oude Joodse wijken van Jeruzalem – en in de diaspora – voornamelijk de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Zij zijn zeer anti-zionistisch, staan zeer afwijzend tegenover de Joodse staat en zijn vaak ook nog conservatiever dan de rest van de ultra-orthodoxie ten aanzien van de moderne buitenwereld, seculiere kennis, seksualiteit en de manvrouw verhoudingen.

Terug naar de Netflix-productie Unorthodox, die gebaseerd is op het boek met het levensverhaal van Deborah Feldman, afkomstig uit de chassidische Satmer-gemeenschap in New York. De film geeft een inkijkje in deze wereld waarin het vooral gaat om het fysieke en religieuze voortbestaan van het collectief, waarin vrouwen (maar ook mannen) een vaste, voorgeschreven rol hebben en de buitenwereld als grotendeels vijandig wordt ervaren. Seculiere kennis, smartphones, tv’s en andere symbolen van de moderne wereld worden met veel scepsis bekeken en doorgaans verboden omdat ze het religieuze leven ondermijnen. Voor Esty/Deborah is ballingschap een thema dat op verschillende niveaus in het leven speelt: als individu dat zich niet veilig voelt in haar eigen gemeenschap, als uittreder in een nieuwe, grotendeels onbekende wereld en ten slotte in de Joodse wereld waar uittreders soms vijandig bejegend worden ook na hun uittreden – en niet altijd alleen door leden van de oorspronkelijke gemeenschap. Verlossing is een moeizaam en langzaam proces.

Leon Mock is docent Judaica aan de Tilburg School of Catholic Theology.

Tags:

Meer Bijbel en exegese