< Terug

Buik

ingewanden, maag, binnenste

Wanneer een gebeurtenis ons hoogst onaangenaam treft, zeggen we wel: ‘Daar zou je buikpijn van krijgen’. Wanneer we verliefd worden op iemand, voelen we vlinders in de buik. Met andere woorden, een ingrijpend voorval raakt de mens van binnen en soms voel je dat letterlijk in de buikstreek. Daarom dacht men vroeger dat de buik de zetel was van emotie en gevoel. In de bijbel is het niet anders, zoals we weldra zullen zien.

Grondtekst

Het Hebreeuwse me’iem (30x) duidt het binnenste van het lichaam, namelijk ‘buik, ingewanden, maag’ van de mens (2 Sam. 20:21; Ez. 3:3; 2 Kron. 21:15-19) of van de vis (Jona 2:10) of van het beeld (zie het Aramese me’eh, Dan. 2:32). Vaak doelt het woord op het abstracte’binnenste, innerlijk’ als de zetel van het gevoel (Jes. 16:11; 63:15). Vaak duidt dit binnenste de ruimte waarin de mens ontstaat, dus ‘(moeder)schoot’ (Gen. 25:23; Ps. 71:6). De betekenis van me’iem komt grotendeels overeen met die van bètèn (ca. 70x): ‘buik’ (Richt. 3:21-22; Ps. 17:4), ‘binnenste’ als zetel van het gevoel(Spr. 22:18) en ‘moederschoot’ (Hoogl. 7:3; Pred. 11:5). Het derde woord, qèrèv (227x), komt meestal als voorzetsel voor, in de constructie ‘in of vanuit het midden’. De grondbetekenis luidt: ‘ingewanden’ van de mens (Job 20:14), van dieren in het algemeen (Gen. 41:21) en van offerdieren in het bijzonder (Ex. 12:9; Lev. 1:13). Ook hier ligt de stap van de betekenis ‘ingewanden’ naar die van ‘binnenste’ voor de hand (Gen. 18:12; Ps. 62:5). De verwantschap tussen me’iem, bètèn en qèrèv blijkt duidelijk in het synonieme parallellisme van Job 20:14. In het Nieuwe Testament is het gebruikelijke woord voor ‘buik’ koilia. Primair doelt het op het orgaan dat voedsel opneemt en verwerkt, waardoor het met maag vertaald wordt. (Mat. 12:40; Luc. 15:16; 1 Kor. 6:13; Op. 10:9-10). Tweemaal betreft het de buik van de vis uit het Jonaverhaal (Mat. 15:17; Mar. 7:19). Daarnaast is koilia het orgaan van de voortplanting: ‘(moeder)schoot, moederlijf, vooral bij Lucas (1:15, 41-44; 2:21; 11:27; 23:29; verder Mat. 19:12; Joh. 3:4; Hand. 3:2; 13:8; Gal. 1:15). Slechts eenmaal treffen we gastèr aan in de betekenis ‘buik’, eigenlijk het ‘binnenste’ van het lichaam (Tit. 1:12; vgl. 1 Clemens 21:2, citaat uit Spr. 20:27). Ook dit woord komt voor met betrekking tot ‘zwanger zijn/worden’ (Mat. 1:18, 23; 24:19, plus parallelteksten; Luc. 1:31; 1 Tess. 5:3; Op. 12:7).

Letterlijk en concreet

a.De buik met zijn maag en ingewanden is het orgaan dat eten en drinken opvangt en dit verwerkt tot voedingsstof voor het lichaam; de afvalstoffen verdwijnen in het toilet (Mat. 15:18-19). Een lege maag impliceert honger (Luc. 15:16); normaal is dat de maag van voedsel wordt voorzien (Ez. 7:19; 1 Kor. 6:13).

b.Door een van ontrouw verdachte vrouw zogenaamd vloekwater te laten drinken, kan de priester constateren of zij inderdaad overspel heeft gepleegd (Num. 5:22). Ondervindt ze van de vloeistof nadelige gevolgen – ingevallen dij-streek, opgezette buik – dat is ze inderdaad ontrouw geweest. In dat geval dient de aantasting van haar gezondheid tevens als straf. Wellicht dat de vrouw bij schuld als getekende door het leven gaat.

Beeldspraak en symboliek

a.De buik of het binnenste is de woonplaats van emoties en gevoelens. In die zin komt ditorgaan dicht in de buurt van het hart. Achter de emotie schuilt de ervaring van iets wat meestal diepe indruk maakt. We horen van de emotie van verliefdheid, zoals dat de bruid overkomt bij het zien van de hand van haar lief (Hoogl. 5:4). Zij krijgt er vlinders van in de buik. We lezen over de emotie van hevig verdriet, zoals de dichter van Klaagliederen dat bezingt bij het ondraaglijke verlies dat hem en de zijnen is overkomen (1:20; 2:11). Zijn binnenste lijkt op een kolkende zee. Hetzelfde ervaart Job: ‘Mijn buik kookt en komt niet tot rust’ (30:27). Jeremia roept bijna radeloos die indrukwekkende woorden ‘O mijn buik, o mijn buik.’ uit (4:19). Hierin brengt hij zijn angst en zorg over het naderende onheil voor zijn volk onder woorden. Angst kent ook Habakuk, als hij verneemt dat Gods oordeel eraan komt (3:16). De wijsheidsleraar verhaalt van de onrust in zijn binnenste door gebrek aan inzicht. Zijn ingewanden roerden zich zolang hij dat inzicht moest ontberen. Dat spoorde hem aan om op zoek te gaan (Sir. 51:21). De versregel herinnert aan de kerkvader Augustinus van wie we weten dat zijn binnenste onrustig bleef totdat het rust vond in God. De goddeloze kent geen rust van binnen; zijn hart is een en al onrust; hij voelt zich opgejaagd omdat hij zichzelf en het kwade naloopt (Job 20:20). Het geeft een positief gevoel om de woorden van de wijzen in de buik te bewaren (Spr. 22:18).

Ook de uitdrukking ‘hart in mijn binnenste’ wijst op een sterke emotie. Dat hart in het binnenste van een mens kan gebroken zijn van ontzetting (Jer. 23:9), of in brand staan door ontreddering of het verlangen om te spreken (Ps. 39:4), of doorwond zijn omdat de mens wordt opgejaagd (109:22). Het beeld van het geraakte hart in iemands binnenste drukt telkens een heftige gemoedstoestand uit.

b.Ook spreekt de bijbel van de buik of het innerlijk van God. Dit antropomorfe beeld tekent de bewogenheid, de ontferming van God. Hij wordt keer op keer van binnen geraakt, zoals bij het zien van Moabs goddeloosheid (Jes. 16:11). De boeteling vraagt wanhopig af waarom Gods innerlijke bewogenheid over hem is uitgebleven (Jes. 63:15), want de Heer is toch een God die zich ontfermt over zijn kinderen?

In de relatie tussen God en Israël treffen we de constructie ‘in het midden’ aan. Bij de bespreking van ‘lichaam’ (zie aldaar) zien we dat het lichaam als metafoor voor Israël functioneert. Wanneer nu God in het midden van Israël vertoeft, dan mogen we zeggen, dat Hij in het binnenste van het lichaam verblijft. Zoals het voedsel in de buik het lichaam in leven houdt, zo is God de geestelijke kracht voor Israëls bestaan. De aanwezigheid van God is afhankelijk van Israëls gehoorzaamheid. Bij ontrouw trekt God weg uit het binnenste van Israël. Het gevolg daarvan is een levenloos lichaam. Zie Exodus 34:9; Deuteronomium 7:21; Jeremia 14:9; vgl. 1 Korintiërs 14:25.

c.De toorn van God richt zich nadrukkelijk op de buik van de goddeloze. Het kwaad mag dan in de mond zoet smaken, in de buik is het bitterheid (Job 20:12). Oppervlakkig gezien schijnt het slechte winst te brengen, maar wie dieper kijkt weet beter. Door Gods gerechtigheid velt het kwaad degenen die het toelaten. De psalmdichter verzoekt God de vijanden die hem het leven zuur maken, te straffen en met die straf hun buik te vullen (Ps. 17:14). De straf zal als voedsel in hun binnenste komen en zo hun hele lichaam raken. Dit ‘voedsel’ heeft de goddeloze steeds anderen te eten gegeven; nu zal hij zelf daarvan verzadigd raken.

Op nog een totaal andere manier brengt God voedsel in de mens. Aan drie profeten – Jeremia, Ezechiël en de ziener op Patmos – geeft Hij opdracht een boekrol op te eten. De smaak van de boekrol onthult de inhoud van de boodschap. Zie ‘brief’, B-d. We kunnen in dit verband ook verwijzen naar Jezus’ uitspraak: ‘Wie in Mij gelooft,.stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’ (Joh. 7:38). Wie ja zegt tegen Christus, zal vol raken van zijn kracht. Naar de hoorder gaat de oproep uit: eet en drink, figuurlijk gezien, de wil van God die in Christus scherp zichtbaar is geworden! Hetgeen in de buik is opgeslagen is van invloed op de mens zelf. De buik staat soms voor de persoon. De vrome van Psalm 40 zingt: ‘Uw Tora is in mijn buik, mijn binnenste’ (vs. 9). Met dit beeld maakt hij duidelijk dat hij God met hart en ziel, met huid en haar wil volgen. Door bij wijze van spreken de woorden van God te nuttigen, stemt hij zijn gedrag en houding af op die woorden.

d.In de Jona-novelle neemt de buik van de grote vis een bijzondere plaats in. In Jona 2:1-4 [1:17-2:3] lezen we achtereenvolgens:

de buik van de vis; de buik van de onderwereld; het hart of het binnenste van de zee.

Jezus verwijst later naar dit verhaal door een parallel te trekken tussen het verblijf van Jona in de buik van de vis en dat van de Zoon des Mensen in het hart van de aarde (Mat. 12:40). De buik van de vis is een metafoor voor doodsdreiging. Jona ligt bij wijze van spreken al in zijn graf. Hij verkeert in de holte van de dood en staat er oog in oog mee. Hij heeft het benauwd, is vervuld van angst: vanuit de buik, vanuit zijn nood, vanuit de onderwereld schrééuwt hij om redding. De doodsbuik blijkt door Gods genade tegelijkertijd een moederschoot vol ontferming te zijn. De buik als dreiging en redding. Hetzelfde gebeurt met de Zoon des Mensen. Drie dagen en drie nachten verblijft Hij als een afstervende graankorrel in het hart van de aarde, maar deze aarde geeft eveneens de mogelijkheid aan de korrel om te ontkiemen.

e.De vadsige buik is het beeld voor iemand die vol begeerte zit en wellustig leeft. Zo noemt Paulus in zijn brief aan Titus, die op Kreta vertoeft, de Kretenzers ‘vadsige buiken’ (1:12). Mogelijk citeert hij in deze tekst een uitspraak van de op Kreta geboren schrijver Epimenides, die van zijn volk zegt dat het leugenaars zijn, beesten en vadsige buiken. Paulus haalt dit woord aan om zijn harde kritiek op sommige gelovige Kretenzers te rechtvaardigen; zij zijn meer op eigen voordeel uit dan bezig met de opbouw van de gemeente. Zie voor vadsigheid ook ‘nier’, B-g.

We wijzen op nog twee andere opmerkingen van Paulus. In zijn brief aan de gemeente van Rome waarschuwt hij voor mensen die in plaats van Christus hun eigen buik dienen (16:18). De eigen buik is metafoor voor het eigenbelang, en dat gaat ten koste van het belang van het evangelie. Aan de Filippenzen schrijft hij over mensen wier buik hun God is (3:19). Wat hij exact bedoelt, is niet duidelijk. Zinspeelt hij op mensen die zich geven aan genotzucht, of op Joden die altijd maar bezig zijn met de vraag naar rein en onrein voedsel, of op mensen die alleen vertrouwen op hun eigen vlees en leven zonder God? De enige zekerheid is dat er mensen zijn die het dienen van God laten samengaan met het dienen van aardse belangen. Deze laatste vormen een aantasting van het evangelie.

Praxis

a Liederen:

Liedboek: Psalm 17; 22; 38; 40; 39; 51; Gezang83; 117; 151; 313; 370; 388; 399; 433; 439; 463; 478;Liturgie: 40; 474; 536; 600 (= Zolang: 65); Gezegend: 30; 35; Psalmschrift: Psalm 40, openings- en slotlied; Zingend I-II: 151; III: 63.

b Poëzie:

Hans Andreas, Gedichten 1948-1974, Haarlem, 1975, blz. 141: ‘Het midden van het lichaam’. Hans Bouma, Mijn God, Kampen 1997, blz. 173: ‘Wonend bij mensen’. Michel Coune, Bruidszang bij het Hooglied, Averbode/Kampen 1992, blz. 95: ‘Ik kreeg met mijn lief te doen’. Judith Herzberg,27 liefdesliedjes, Amsterdam 19867, blz. 31: ‘Ik slaap, maar mijn hart slaapt niet.’. Anton Korteweg, In handen, Amsterdam 1997, blz. 34: ‘Het hart spreekt’. J. Slauerhoff, Verzamelde gedichten, Amsterdam 199817, 418: ‘Binnenzee’.

c Verwerking:

In de Midrasj Rabbah Genesis (LXX,9) lezen we: Toen hief Jakob zijn voet op (Gen. 29:1). Rabbi

Acha merkte op: Een zachtmoedig hart is leven voor het vlees (Spr. 14:30); omdat Jakob deze goede tijding [de boodschap tijdens de droom te Betel] vernam, droeg zijn hart zijn voet. Daarom zeggen de mensen: “De maag draagt de voet”.’ Bij deze uitleg kunnen we aansluiten om de reikwijdte van ons woord uit te leggen. We signaleren de volgende thema’s: relatie binnenkant-buitenkant, emotie en gevoel (liefde, verdriet), bewogenheid, Gods aanwezigheid en afwezigheid, dienen van God en dienen van andere goden, eigenbelang en gemeenschapsbelang.

Verwijzing

De meeste woorden voor buik betekenen ook moederschoot; zie ‘geboorte‘ en ‘moeder‘. Daarnaast zijn er raakvlakken met ‘hart‘ en ‘nier‘.

< Terug