< Terug

De brief van Judas

Een profetisch stemgeluid uit de apostolische kerk

De brief van Judas had ooit de twijfelachtige eer te worden bestempeld als ‘het meest verwaarloosde boek’ en ‘het meest onbegrepen werk’ van het Nieuwe Testament. Dat komt niet alleen door de geringe omvang. Ook 2 en 3 Johannes zijn relatief klein, maar die twee brieven worden meestal gecombineerd met 1 Johannes en/of gerekend tot de groep johanneïsche geschriften. En de brief van Paulus aan Filemon maakt deel uit van het Corpus Paulinum. Het feit dat Judas ook bij een brievenverzameling hoort, als een van de zeven Katholieke Brieven, heeft in het moderne onderzoek minder aandacht gekregen. Recent is echter gepleit door Darian Lockett voor eerherstel van deze Katholieke Brieven als een collectie geschriften met een eigen profiel binnen de nieuwtestamentische canon.

Wil de echte Judas opstaan? Hier: Judas Taddeüs, geschilderd door A. Van Dyck (1599-1641). Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam.

Rob van Houwelingen is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.

De brief van Judas is de zevende van de Katholieke Brieven. Deze brief laat een stem horen met een heel persoonlijke klankkleur die niet gemist kan worden in het polyfone stemmenweefsel van het Nieuwe Testament.

Judas en zijn lezers

De auteur van de Judasbrief dient zich in de aanhef meteen aan als de broer van Jakobus. Traditioneel wordt hij geïdentificeerd als een jongere broer van Jezus. Toch betwijfelen veel moderne onderzoekers of hij deze brief geschreven kan hebben. Eerder zou een onbekende auteur de naam van Judas hebben gebruikt om aan zijn betoog gezag te verlenen. Dit verschijnsel noemt men pseudepigrafie. Steeds vaker en vanuit verschillende perspectieven wordt tegenwoordig echter de vraag gesteld of pseudepigrafie zich wel verdraagt met canoniciteit. Betekent het feit dat de Judasbrief in de nieuwtestamentische canon is opgenomen niet dat de authenticiteit ervan algemeen werd aanvaard? Bovendien rekent de schrijver zich in vers 17 niet tot de apostelen, wat zijn gezag niet ten goede zou komen. Historisch gezien is het auteurschap van Judas beslist niet uit te sluiten.

De vraag rijst waarom Jakobus niet zelf een vervolgbrief heeft geschreven.

Zijn naam staat, evenals die van Jakobus, in de evangeliëntraditie vermeld, wanneer het gezin van Jozef en Maria ter sprake komt (Matteüs 13,55; Marcus 6,3). Zoals de studie van Bauckham laat zien, hebben de broers van de Heer en ook andere bloedverwanten, onder wie twee kleinzoons van Judas, naast de apostelen een belangrijke rol gespeeld in het Joodse christendom tijdens de eerste eeuw (vergelijk 1 Korintiërs 9,5). Jakobus en Judas gaan trouwens niet prat op hun bloedverwantschap met de Heer; zij noemen zichzelf allebei: ‘een dienaar van Jezus Christus’.

Voor het beantwoorden van de vraag wie de beoogde lezers waren en waar zij woonden, geeft de Judasbrief geen duidelijke aanknopingspunten. Dit betekent niet dat Judas een soort pamflet tegen ketterij of een christelijk manifest geproduceerd heeft, bedoeld voor algemeen gebruik, zonder een bepaalde geloofsgemeenschap voor ogen te hebben. De auteur is terdege op de hoogte met de omstandigheden in de gemeente(n) die hij aanschrijft, zoals blijkt uit vers 3-4. Judas weet in welke situatie zijn lezers verkeren. Hij signaleert het gevaar van goddeloze dwaalgeesten die zich onder hen hebben gemengd. Daarom dienen zij te strijden voor de eenmalig overgeleverde, apostolische geloofsinhoud. Verder geeft Judas een serie voorbeelden uit de geschiedenis van Israël die juist lezers van Joodse afkomst konden begrijpen. Terwijl de dissidenten distantiërend worden aangeduid als ‘bepaalde mensen’ (4) en met ‘dezen zijn’ (8.10.12.16.19), spreekt hij de geadresseerden herhaaldelijk aan als ‘geliefden’ (3.17.20). Schrijver en lezers moeten elkaar dus op de een of andere manier gekend hebben. Bij wijze van hypothese kan overwogen worden of de broederlijke verwijzing naar Jakobus aan het begin van de brief niet alleen dient om de schrijver nauwkeurig te identificeren, maar ook iets zegt over de lezers. Qua inhoud zijn er nogal wat overeenkomsten tussen de brieven van Jakobus en Judas. In beide gevallen worden bijvoorbeeld grootsprekers gesignaleerd, die vooral belangrijke personen naar de mond praten (vers 16; Jakobus 2,1-9; 3,1-10), aardsgerichte, ongeestelijke mensen (vers 19; Jakobus 3,15); maar er is gelukkig nog gelegenheid om dwalende gemeenteleden te redden (vers 23; Jakobus 5,19-20). Gezien deze overeenkomsten zou het lezerspubliek van deze twee brieven gelijk kunnen zijn: Joodse christenen in de diaspora, ergens tussen Jeruzalem en Antiochië, zoals inzake de brief van Jakobus doorgaans wordt gesteld. Vergeleken met Jakobus is de kerkelijke crisis bij Judas wel heviger. De vraag rijst waarom Jakobus eigenlijk niet zelf een vervolgbrief heeft geschreven. Zag Judas zich genoodzaakt op te treden namens zijn oudere broer, omdat deze gestorven was? In dat geval is zijn brief te dateren na de gewelddadige dood van Jakobus in het jaar 62 na Christus, mogelijk ook nog na afloop van de Joodse oorlog die daarop volgde (maar waarvan niets blijkt in de brief). Zo valt voor de datering van de Judasbrief met enige reserve te denken aan de jaren zeventig van de eerste eeuw.

Structuur

De brief van Judas is zorgvuldig opgebouwd, met toepassing van diverse literaire middelen om het betoog kracht bij te zetten, bijvoorbeeld parallellisme, alliteratie en assonantie, evenals het gebruik van drietallen, metaforen, sleutelwoorden en synoniemen. Verschillende voorstellen zijn gedaan om de tekst te structureren. Hier volgt een mogelijke indeling:

a Introductie: Judas 1-2

b Motivatie: Judas 3-4

c Argumentatie: Judas 5-16

d1 Herinnering: Judas 17-19

d2 Opwekking: Judas 20-23

e Lofprijzing: Judas 24-25

Opmerkelijk genoeg spreekt Judas zijn lezers juist bij het begin van de onderdelen met een appellerend karakter (ingeleid door b en uitgewerkt in d1 en d2) op een directe en hartelijke manier aan als ‘geliefden’. Na de introductie stelt Judas het urgente verschijnsel van dissidente vrijbuiters aan de orde dat hem tot het schrijven van deze brief heeft gemotiveerd. Hij wil zijn lezers waarschuwen en bemoedigen. Het lijkt erop dat de dwaalgeesten ongestraft hun gang kunnen gaan, maar niets is minder waar. Zij staan genoteerd voor het oordeel; hun vonnis is al lang geleden schriftelijk vastgelegd (4). Over de betekenis van deze uitdrukking verschillen de meningen. Sommigen denken aan Gods oordeel over goddelozen, dat in hemelse boeken vastligt. Ook een juridische interpretatie is wel voorgesteld: ‘opschrijven tot het oordeel’ zou betekenen ‘in staat van beschuldiging stellen’. Maar volgens de meeste commentaren wijst ‘dit vonnis’ vooruit. In het directe vervolg noemt Judas immers steeds zo’n schriftelijk vastgelegd oordeel uit de geschiedenis van Israël. De argumentatieve verzen 5-16 bieden in feite één serie voorbeelden van vonnis en straf, om daarmee de stelling van vers 4 te onderbouwen. Zo wordt Gods oordeel over de goddelozen uitvoerig gedocumenteerd.

Vervolgens kan Judas in vers 17-23 overgaan tot de bemoediging van zijn lezers die in vers 3 was aangekondigd, bestaande uit een herinnering en een opwekking (voorzien van pastorale adviezen: vers 22-23). Met een uitvoerige lofprijzing op God, ‘die de macht heeft u voor struikelen te behoeden’ (24-25), wordt deze brief afgesloten.

Voorbeeldenreeks

Het loont de moeite wat nauwkeuriger te kijken naar de reeks voorbeelden die Judas geeft uit de geschiedenis van Israël, daarbij min of meer verwijzend naar een geschreven tekstgedeelte. In het overzicht op de volgende pagina worden ze gepresenteerd.

Naar aanleiding van dit overzicht is het volgende op te merken:

1. De voorbeelden uit de geschiedenis van Israël zijn niet gerangschikt op chronologische volgorde, maar worden door Judas opgevoerd omwille van de argumentatie;

2. Tradities die wij tegenwoordig plegen te onderscheiden als bijbels en buitenbijbels staan bij Judas nog broederlijk naast elkaar en zijn soms onderling versmolten, zoals dat destijds binnen het jodendom gebruikelijk was;

3. Judas geeft het Henochcitaat door als een gezaghebbende oordeelsprofetie, afkomstig van de historische Henoch (‘de zevende vanaf Adam’) en opgeschreven in het gelijknamige boek.

Bij wijze van terugblik wil ik nog kort ingaan op twee factoren die de acceptatie van de brief van Judas hebben bemoeilijkt. Ten eerste de onverwachte auteursnaam.

Dat Judas geen apostel is, leek in het proces van canonvorming lastig te rijmen met de voorwaarde van apostoliciteit. Nader bekeken blijkt echter dat daarbij vooral gelet werd op apostolische inhoud en dat de broers van de Heer, zoals reeds opgemerkt, naast de apostelen actief waren in het vroegste christendom. Ten tweede de verwerking van apocriefe geschriften: de Hemelvaart of het Testament van Mozes (niet bewaard gebleven, maar vermeld door Clemens van Alexandrië, Didymus de Blinde en Origenes), en 1 Henoch, vooral de profetische veroordeling van goddelozen waarmee dit boekwerk begint. Afgezien van de methodische (en anachronistische) vraag of een enkele verwijzing door Judas het complete apocriefe boek 1 Henoch canonieke status zou verschaffen, betreft deze verwijzing echter niet allereerst het boek, maar de oordeelsprofetie die al voor de zondvloed werd uitgesproken door de historische Henoch.

De hemelvaart van Henoch. Figures de la Bible, 1728.

Testament in tweevoud

Tot nu toe is in dit artikel de relatie tussen 2 Petrus en Judas buiten beschouwing gelaten. Vooral 2 Petrus 2 vertoont veel overeenstemming met de Judasbrief. Deskundigen gaan meestal uit van de prioriteit van Judas, hoewel sommigen de hypothese van een gemeenschappelijke bron willen openhouden. Gezien deze moderne consensus over de prioriteit van Judas kiezen tal van commentaren ervoor, in afwijking van de canonieke volgorde, de brief van Judas te behandelen vóór 2 Petrus.

Er worden hoofdzakelijk drie argumenten aangevoerd ten gunste van de prioriteit van Judas. Ten eerste vormen de punten van overeenkomst bij Judas een sluitend geheel, terwijl ze in 2 Petrus verspreid zijn over drie hoofdstukken. Ten tweede wordt in Judas niet gesproken over het uitblijven van de wederkomst, maar in 2 Petrus lijkt dat wel het geval, wat zou wijzen op een later stadium in de ontwikkeling van het vroegste christendom. Ten derde zijn de voorbeelden uit de geschiedenis in 2 Petrus 2 in chronologische volgorde geplaatst en ontbreken de voorbeelden uit apocriefe geschriften.

Bij nadere beschouwing blijkt deze wijze van argumentatie echter niet sluitend. De drie genoemde argumenten zijn desgewenst namelijk ook omkeerbaar, bijvoorbeeld op de volgende manier. Ten eerste kan Judas verspreid voorkomend materiaal uit 2 Petrus hebben verzameld en tot een compact geheel hebben gesmeed. Ten tweede kan Judas de eschatologische elementen uit 2 Petrus hebben genegeerd, omdat het uitblijven van de wederkomst in later tijd minder als probleem werd ervaren dan in de beginfase van het vroegste christendom. Ten derde kan Judas voorbeelden uit de Joodse traditie hebben toegevoegd aan wat door Petrus was genoemd, omdat die zijn doelgroep van Joodse christenen extra zouden aanspreken; hij hoeft zijn lezers alleen maar te herinneren aan wat zij al weten (5). Ook de prioriteit van 2 Petrus heeft daarom wel verdedigers. Een tekstueel contactpunt tussen 2 Petrus en Judas vormt de apostolische waarschuwing tegen de komst van ‘spotters’ (2 Petrus 3,2-4; Judas 17-18; de term empaiktai komt binnen het Nieuwe Testament alleen op deze twee plaatsen voor). Wanneer Judas zijn lezers herinnert aan de woorden van de apostelen, een groep voormannen waartoe hij zelf blijkbaar niet behoort, geeft hij een citaat dat vrijwel letterlijk overeenkomt met de formulering uit de tweede brief van de apostel Petrus: ‘Aan het einde van de tijd zullen er spotters komen, die zich laten leiden door hun goddeloze begeerten’ (Judas 18). Bovendien heeft Judas een specifieke verklaring aan het citaat toegevoegd. Terwijl de apostelen hadden gewaarschuwd voor mensen die volgens hun eigen begeerten leven, luidt zijn oordeel dat die eigen begeerten goddeloze begeerten zijn. Goddeloosheid oftewel ‘onvroomheid’ is in de brief van Judas een belangrijk thema; de dwaalgeesten worden in vers 4 als zodanig getypeerd en in de aangehaalde profetie van Henoch (vers 15) komt dit woordveld zelfs drie keer voor.

Wie tot goddeloosheid vervalt, krijgt onherroepelijk met het onheil van Gods oordeel te maken.

Toch blijft het opmerkelijk dat behalve op het punt van deze apostolische waarschuwing nergens letterlijke overeenstemming tussen 2 Petrus en Judas te vinden is. Er zijn verschillende voorbeelden uit de geschiedenis gekozen. Overeenkomstige voorbeelden worden zelfstandig uitgewerkt, waarbij het accent anders komt te liggen. Judas lijkt dus noch een kopie noch een samenvatting van 2 Petrus te zijn. De meest bevredigende verklaring is dat beide brieven teruggaan op een gemeenschappelijke bron, waarbij bedacht moet worden dat Judas waarschijnlijk een formulering uit 2 Petrus gebruikte. Een schriftelijke bron in de vorm van een profetisch traktaat of een apostolische ketterpolemiek lijkt onaannemelijk, omdat zulk materiaal niet bewaard is gebleven. Een mondelinge bron is veel plausibeler. Zowel 2 Petrus als Judas staat dan in de gemeenschappelijke traditie van de apostolische verkondiging, met vaste elementen als herinnering en waarschuwing, waarbij men ter illustratie over een reeks voorbeelden uit de geschiedenis beschikte. Waarschuwingen tegen dwaalgeesten zijn te herleiden tot het onderricht van Jezus Christus (Matteüs 7,15-23; 24,23-28). Afhankelijk van de omstandigheden, konden zulke waarschuwingen op een bepaalde manier worden toegespitst en geconcretiseerd (vergelijk Handelingen 20,29-30; 1 Timoteüs 4,1-3; 2 Timoteüs 3,1-9; 1 Johannes 2,18). Schematisch voorgesteld:

Indien 2 Petrus het geestelijk testament van de apostel Petrus omvat, zoals elders door mij is betoogd, dan kan de brief van Judas misschien beschouwd worden als het geestelijk testament van Jakobus, opgetekend door diens jongere broer. Een apostel en een broer van de Heer wilden allebei de gemeente van Jezus Christus mobiliseren vanwege zijn beloofde terugkomst. Het zijn twee brieven vol verwachting.

Ondanks de polemische toonzetting wordt de brief van Judas beheerst door de overtuiging uit vers 2-3 dat alle gelovigen ‘door God de Vader geheiligd en voor Jezus Christus bewaard’ zijn en daardoor deelhebben aan ‘ons gemeenschappelijke heil’. Maar wie tot goddeloosheid vervalt, krijgt onherroepelijk met het onheil van Gods oordeel te maken. Dat wil Judas door zijn brief voorkomen, ook in de toekomst. Zo krijgt dit profetische stemgeluid uit de apostolische kerk weerklank tot op de huidige dag.

Literatuur

• In dit artikel is materiaal verwerkt uit: P.H.R. van Houwelingen (red.), Apostelen: Dragers van een spraakmakend evangelie (CNT; Utrecht: Kok, 20133 ), 98-104 en idem, 2 Petrus en Judas: Testament in tweevoud (CNT; Kampen: Kok, 20114 ), 107-122.

• Richard Bauckham, Jude and the Relatives of Jesus in the Early Church (Edinburgh: T&T Clark, 1990).

• Christian Blumenthal, Prophetie und Gericht: Der Judasbrief als Zeugnis urchristlicher Prophetie (Göttingen: V&R Unipress, 2008).

• Darian R. Lockett, Letters from the Pillar Apostles: The Formation of the Catholic Epistles as a Canonical Collection (Eugene: Pickwick, 2017).

• Eric F. Mason en Troy W. Martin (red.), Reading 1–2 Peter and Jude: A Resource for Students (Atlanta: SBL, 2014).

< Terug