< Terug

Duif

tortelduif

In het christendom heeft zich een rijke duif-symboliek ontwikkeld. Heel expliciet verschijnt de duif als symbool van de Heilige Geest; in sommige kerken is hij aan de koepel boven de centrale ruimte afgebeeld, zodat de Geest als het ware boven de gemeente zweeft. Ook verschijnt deze vogel op doopvonten, wat verwijst naar de doop van Christus in de Jordaan. De duif met olijftak, symbool van nieuw leven, geldt al zeer vroeg als beeld van de ziel die tot de eeuwige rust is ingegaan; in die hoedanigheid vinden we hem op grafstenen. De vliegende duif verwijst naar de hemelvaart van Christus en de afbeelding van twaalf duiven rond een kruis symboliseert de twaalf apostelen die leven uit het kruis. De vredesbeweging, binnen en buiten het christendom, draagt de vogel in haar blazoen. De witte vredesduif is heden ten dage over de gehele wereld bekend en symboliseert de universele hoop op duurzame vrede.

De wortels van deze positieve duiding liggen in de bijbel, met name door de duif in het zond-vloedverhaal en in het verhaal van Jezus’ doop.

Grondtekst

Ruim 30x treffen we jonah, ‘duif’, aan in het Oude Testament, waarvan 5x in Genesis 8 (zondvloedverhaal), 6x als koosnaam in Hooglied (1:15; 2:14; 4:1; 5:2,12; 6:9) en 9x als offer- of vergoedingsdier in Leviticus (o.a. 1:14; 5:11). Het woord vinden we terug in de naam Jona (2 Kon. 14:25; Jona 1-4); de naam Jemima, Job 42:14, gaat terug op een Semitisch woord voor ‘tortelduif’. Mogelijk ligt er een stamverwantschap met ‘anah, ‘klagen” (Jes. 3:26; 19:8). De verbinding bèn-jonah, ‘jonge duif’, verschijnt in Leviticus vaak samen met tor, ‘tortelduif’ (12:6; 15:14, 29). Deze parallelle aanduiding tor geldt als een onomatopoëtisch woord, dat wil zeggen, een nabootsing van de klank van het gekir ‘tor-tor’. We komen het voornamelijk inLeviticus tegen (9x van de 15x), als offerdier. Een ander woord voor tortelduif is gozal (Gen. 15:9; vgl. Josefus, Joodse Geschiedenis, I, 184). Het Nieuwe Testament heeft allereerst peristera, ‘duif, als offerdier (Mat. 21:12; Mar. 11:15; Luc. 2:24; Joh. 2:14, 16), in een vergelijking (Mat. 10:16) en als begeleidende vogel van de Geest (Mat. 3:16; Mar. 1:10; Luc. 3:22; Joh. 1:32). De trygoon is de ‘tortelduif’, alleen in Lucas 2:24 als offerdier (vgl. Lev. 12:8 en Josefus, Joodse Geschiedenis, III, 230).

Letterlijk en concreet

a.Naast de wilde duiven treffen we in Israël tamme duiven aan (Jes. 60:8; Josefus, Joodse Oorlog, V, 181). De duif kent net als andere vogels een natuurlijk ritme, in het voorjaar bijvoorbeeld laat hij zich door gekir horen (Jer. 8:7; Hoogl. 2:12). De tortelduif is een trekvogel, in het voorjaar verschijnt hij, in het najaar trekt hij naar andere oorden. Zijn hoofd-voedsel bestaat uit harde zaden en om die te weken heeft hij veel drinken nodig, vandaar dat hij te vinden is bij waterbeken (Hoogl. 5:12). Als duiven broeden, brengen zij geluid voort. Dit geluid of gekir heeft iets droevigs (vgl. Jes. 38:14; 59:11).

b.De duif, een reine vogel, is in oud-Israël een geliefd offerdier. Deze geliefdheid heeft hij te danken aan zijn zuiverheid – volgens de antieke opvatting bezit de duif geen gal – en aan het feit dat hij vaak in het land is te vinden, zodat hij betaalbaar is voor de armere mensen (Gen. 15:9; Lev. 5:7; Luc. 2:24).

Beeldspraak en symboliek

a.Bijzonder kleurrijk is de plaats van de duif in de liefdespoëzie van Hooglied. Op één of twee teksten na dient zij als metafoor voor het meisje, de bruid. De jongen, de bruidegom, neemt deze metafoor in de mond om iets moois van zijn lief te duiden. Wät drukt hij ermee uit? Niet alleen in Israëls liefdesgedichten komt de duif voor, ook in poëzie buiten de bijbel. Daar is de vogel het symbool van de liefdesgodin. De duif treedt daar op als de bode van de liefde. Tegen die achtergrond moeten we de metafoor duif in Hooglied verstaan. Als de jongen zegt: ‘Jouw ogen zijn als duiven’ (1:15; 4:1), dan bedoelt hij dat haar ogen de liefde verkondigen en dat zij tot beminnen is bereid. Het meisje spreekt over haar vriend met de woorden: ‘Zijn ogen zijn als duiven bij waterbeken, badend in melk…’ (5:12). Ook zijn ogen verkondigen de liefde; er is sprake van wederzijdse liefde. De verbinding met water en melk benadrukt de levendigheid, de glans en de diepte van de liefde. Het ‘mijn duif’ in 5:2 en 6:9 legt niet zozeer nadruk op het bezittelijke, maar veel meer op de onderlinge afhankelijkheid. Elke duif veronderstelt een andere duif! De verborgen duif in 2:14 beschrijft het liefdesaspect van de afstand. Zo treedt de duif in Hooglied op als dier dat het ultieme menselijk geluk verbeeldt, namelijk de liefde tot de ander. De rabbijnse traditie ziet hier de duif als symbool van de liefde tussen de Heer en zijn volk Israël.

b.De verbinding tussen de duif en de Heilige Geest is binnen de christelijke traditie breed verspreid. Begrijpelijk, gelet op de rol van de duif bij de ervaring van de Geest, die neervalt op de dopeling Jezus. Alle vier evangeliën verhalen ervan, zij het met onderscheiden accenten (Mat. 3:16; Mar. 1:10; Luc. 3:22; Joh. 1:32). Dit gewichtige moment in het Jezusverhaal zit vol symboliek en herinnert aan de weg van Israël door de wereld, waarbij het water de rode draad vormt. De gebeurtenis speelt zich af bij de Jordaan, de dopeling gaat onder in de rivier, de Geest manifesteert zich in de verschijning van de duif of andersom verwijst de duif naar de Geest. Het geheel herinnert aan oudtestamentische waterverhalen. Allereerst is daar de zondvloed die dreigt en gromt en doet ondergaan. Maar de chaos is niet het laatste. Er breekt een nieuw begin aan. En dit nieuwe begin wordt aangekondigd door onder andere de duif, die op zoek gaat naar levensruimte. Op zijn tweede zoektocht vindt hij leven, het teken daarvan is een vers olijfblad in zijn snavel. Wanneer de duif na de derde keer – zie ‘getal’, B-f – te zijn uitgezonden, niet terugkeert, weet Noach dat het nieuwe leven op aarde is aangebroken (Gen. 8:7-12). De tweede tekst waarop we willen wijzen, is de novelle Jona. Hier voert de auteur de profeet Jona, ‘de duif’, ten tonele. Verder spreekt hij over water dat ondergang brengt en over een nieuw begin. De elementen van deze twee verhalen klinken na in de beschrijving van de doop van Jezus door de evangelisten. Het evangelie benadrukt met water-ondergang-duif het moment van vernieuwing. Er breekt een nieuwe fase aan. De door God gezonden mens van Nazaret wordt op intensieve wijze aangeraakt door de hemel; aldus vertegenwoordigt Hij Gods aanwezigheid en programma op aarde.

c.Het geluid dat de duif voortbrengt, dient wel als beeld van de mens die hevig lijdt. Koning Hiskia past dit beeld op zichzelf toe (Jes. 38:14). Zijn stem is gebroken, hij klaagt en roept angstvallig tot God. Zijn geklaag doet denken aan vogelgeluid. Het beeld van de duif met zijn droevig-klinkend koeren of zijn angstgeschrei past hier goed. Dezelfde vergelijking vinden we bij latere profeten (Jes. 59:11; Ez. 7:16; Nah. 2:8[7]). We horen er de diepe klacht en soms zelfs de doodsangst in.

d.Meer dan eens verschijnt de duif als beeld van een volk. Bijvoorbeeld het volk Israël, dat als een duif het vreemde land verlaat en naar huis vliegt (Hos. 11:11), als teken van een nieuw begin en het opnieuw binnentrekken van het beloofde land. Maar Israël lijkt soms ook op een angstige duif die versuft is en niet meer weet wat hij doet (Hos. 7:11). De psalmist bidt tot God of Hij de ziel van tortelduif Israël niet prijsgeeft aan de dreigende roofvogels, de vijanden (74:19). Of met de met rijkdom overladen duiven in Psalm 68:18 ook Israël is bedoeld, valt niet met zekerheid te zeggen; mogelijk zinspeelt de zanger op de overwonnen buit. Beloftevol klinkt de beeldspraak dat volkeren naar Jeruzalem verlangen om de Heer te ontmoeten: zij snellen naar Sion zoals duiven voortvliegen naar de duiventil, alwaar zij thuishoren (Jes. 60:8). Er is evenzeer de tegenovergestelde beweging: Moab wordt vanwege zijn onrecht de ontheemding aangezegd. Het zal zich nestelen in de bergen gelijk de duiven in bergachtig gebied vertoeven (Jer. 48:28).

e.Jezus zendt de apostelen als schapen onder wolven en roept hen op ‘voorzichtig als slangen en argeloos als duiven’ te zijn (Mat. 10:16). De wolven verwijzen naar vijandig gedrag van vermoedelijk leidende personen in het land. Hoe dienen de apostelen zich op te stellen? Voorzichtig als slangen, dat is: waakzaam, oplettend. En argeloos als duiven, dat is: open, echt, zuiver. Twee kanten van een goede en vruchtbare houding van Gods gezondenen onderweg.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 55; 68; 74; Gezang 165; 243; 249; 285; 337; AllesI: 3; 17; 19; II: 14; Bijbel I: 50; 52; II: 37; 72; Evangelie I: 11; Gezegend: 35; 138; 206; Liturgie: 619; Zingend IV: 25; V: 56 (= Gezangen: 679); VI: 14.

b.Poëzie:

Hans Bouma, Zolang er vogels zijn, Baarn 1984, blz. 6: ‘Tortelduiven’. Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 94: ‘Van de vogel duif’; 404: ‘De duif en die déluge’. Judith Herzberg,27 liefdesliedjes, Amsterdam 19867, blz. 11: ‘Je bent snel en statig. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1980, blz. 23: ‘De duif’; 177: ‘De doop in de Jordaan’. Jan Willem Schulte Nordholt,Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 135-136: ‘Twee gedichten over de Heilige Geest’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 74: ‘Duif’.

c.Verwerking:

Een goede invalshoek om de duif-symboliek in het vizier te krijgen, is het bekijken van kerkelijke afbeeldingen van de duif. Er zijn – zie de inleiding boven – tal van voorbeelden voorhanden. Een andere mogelijkheid is de poëzie; in de zojuist genoemde gedichten vinden we verschillende aanknopingspunten. De thema’s die opkomen bij de bijbelse symboliek van de duif zijn onder meer: de aanraking door de Geest, doop, ondergang en opgang, nieuw begin, de aanwezigheid van God, de apostolische houding, liefde en schoonheid, thuiskomst en ballingschap.

Verwijzing

Primair heeft de beschrijving van de duif sterke raakvlakken met de beschrijving van ‘vogel‘ in het algemeen en met die van aparte vogels zoals ‘roofvogel‘ en ‘zwaluw‘. Zie voorts ‘adem‘ en ‘wind‘ wat betreft de relatie met de Geest.

< Terug