Jonge mensen die gaan, én zij die blijven

In september 2019 kreeg ik een berichtje van een jongvolwassene, 26 jaar. Ik heb haar ruim zes jaar geleden leren kennen als een betrokken gelovige jongere in de kerk. Ze ging studeren en kreeg een relatie met een jongen die niet religieus is opgevoed en geen christen is. In de tijd dat wij elkaar ontmoetten was ze intensief bezig met thema’s rond geloof en wetenschap. Nu bezoekt ze niet tot nauwelijks meer een kerk.

In de eerste twee decennia van de 21e eeuw zijn er verschillende studies gedaan naar (post-)adolescentie en kerkverlating. Dat is relevant, omdat een hoog percentage jongeren de kerk verlaat. Inzicht in motieven van mensen kan kerken helpen bij het maken van beleid om het kerkelijke commitment van jonge mensen zoveel mogelijk te stimuleren. De centrale vragen in dit beschrijvende artikel zijn: Welke processen en overtuigingen spelen een rol bij jonge mensen om de kerk te verlaten of te blijven en hoe kunnen kerken kerkelijk commitment van jonge mensen theologisch en pedagogisch thematiseren?

In deze inleiding citeer ik uitvoerig de 26-jarige vrouw. Om kerkverlating in de (post-)adolescentie te begrijpen hebben we verhalen van jonge mensen nodig die we in gesprek brengen met theorie en andersom. Daarom citeer ik in deze inleiding uitvoerig de 26-jarige vrouw die ik leerde kennen. Ze schrijft:

‘Alles gaat goed. Mijn vriend en ik wonen inmiddels met heel veel plezier alweer een jaar samen. Dat bevalt echt fantastisch! Het kerkbezoek staat wel op een laag pitje. Het is moeilijk om na ‘verwend’ te zijn met de vorige gemeente een andere kerk te vinden, en ook opvattingen/interesses blijven niet altijd hetzelfde.’

Ik vraag haar wat ze met dat laatste punt bedoelt. Zij antwoordt:

‘Qua opvattingen leg ik een link tussen geloven enerzijds en mijn dagelijkse werk anderzijds. Hoewel mijn werk vooral bèta-achtig en exact is, loop ik wel tegen vragen aan als ‘Wanneer is iets waar?’ en ‘Hoe kan ik iets verantwoorden?’. Uiteraard hoef je geen promovendus te zijn om zulke vragen te stellen, maar het is voor mij wel de hoofdaanleiding om het onderwerp ‘geloven’ tegen het licht te houden. Uitgaande van een wetenschappelijke aanpak voor redeneren, kan ik niet concluderen dat bijvoorbeeld Vader, Zoon en Geest echt bestaan, of dat er vergeving van zonden is. Andere zaken waar geen bewijs voor is, geloof ik ook niet, waarom dan wel deze christelijke uitgangspunten?

Dit wil niet zeggen dat ik niets meer met het geloof heb – integendeel. Ik vind alleen ‘geloven’ niet zo’n gepaste term meer, het gaat voor mij meer om ‘aanvaarden’. Dus: weten dat het christendom niet wetenschappelijk ‘dicht te timmeren’ valt, maar de principes aanvaarden omdat die toegevoegde waarde hebben in mijn leven (bijvoorbeeld een gevoel van troost en rechtvaardigheid). Overigens is dit ‘aanvaarden’ ook voor de exacte wetenschap niets geks. Ik refereer bijvoorbeeld aan imaginaire getallen in de wiskunde. Het woord ‘imaginair’ zegt het al: de getallen bestaan eigenlijk niet, maar als je ze aanvaardt en gebruikt, kun je bepaalde wiskundige en natuurkundige problemen (met name op het gebied van trillingen en golven) heel veel makkelijker oplossen.

Dan nog de link tussen dit verhaal en kerkbezoek: het voelt een beetje als een ‘toneelstukje’ om met z’n allen een eredienst te houden die in het teken staat van iets waarvan je niet weet of het echt bestaat. Zeker als het gebeurt in een vorm (lees: liturgie) die niet bij je past. Overigens is de term ‘toneelstukje’ hier niet heel gepast. Ik weet, ook uit mijn eigen leven, dat kerkdiensten enorm waardevol kunnen zijn. Ik wil er dus zeker niet denigrerend over doen, maar ik kon even geen andere term bedenken die mijn gevoel bij sommige kerkdiensten illustreert.

Dit alles neemt niet weg dat ik het nog steeds heel leuk vind in de gemeente te A en dat ik me er – al is het toch al een aantal jaar geleden – nog steeds heel welkom voel. Al is de frequentie behoorlijk gedaald (om eerlijk te zijn: de laatste keer was bijna een jaar geleden, vorig jaar met Kerst). Ook op andere vlakken vind ik het leuk/fijn om me nog met het geloof bezig te houden, bijvoorbeeld op het gebied van muziek. Ik houd erg veel van Engelse hymnen.’

Analyse van het voorbeeld

Er is verschil tussen kerkverlating en geloofsverlating. Kerkverlating kan geloofsverlating betekenen, maar dat is niet noodzakelijk het geval. Perrin (2020) onderzocht 47 millennials (geboren tussen 1986-1995) en onderscheidt drie groepen:

  • zij die niet meer geloven;
  • zij die gedesillusioneerd zijn geraakt over de kerk maar wel geloven;
  • zij die actieve kerkgangers zijn, waarbij sommigen dat niet vanuit de opvoeding hebben meegekregen.

Het voorbeeld van de vrouw uit de inleiding laat al zien dat ‘kerkverlating’ een fenomeen is waarin allerlei factoren te onderscheiden zijn. Onderzoeken tonen aan dat er gedeelde factoren zijn die een rol spelen, maar ieder verhaal kan uiteindelijk alleen in zijn eigenheid begrepen worden. Een mens valt niet samen met statistiek. In de terminologie van Barna, een groot christelijk onderzoeksbureau in de Verenigde Staten, heet de vrouw uit het verhaal ‘dechurched’.[1] Dat zijn zij die vroeger actief in de kerk waren, in meerdere of mindere mate, maar het laatste half jaar geen kerkdienst, ook geen bijzondere dienst rond bijvoorbeeld een life event, hebben bezocht. Dit wordt onderscheiden van ‘unchurched’: zij die de laatste zes maanden geen dienst hebben bezocht, maar daarvoor niet echt kerkgangers waren. Kinnaman en Matlock (2019) onderscheiden bij degenen die de kerk verlaten prodigals and nomads. De eerste groep zijn ex-christenen, de tweede groep zijn mensen die zichzelf wel als christelijk beschouwen, maar geen kerk meer bezoeken.

‘Dit wil niet zeggen dat ik niets meer met het geloof heb – integendeel’

Dat kerkverlating niet per se geloofsverlating inhoudt, laat ook het voorbeeld uit de inleiding zien. Zo putten veel mensen troost uit christelijke muziek buiten de kerkelijke kaders om. De toekomst zal moeten leren of geloven voor deze jonge vrouw doorgang vindt en welke rol de kerk daar wel of niet bij speelt. De toekomst zal moeten leren of geloven voor haar naar de achtergrond of uit beeld verdwijnt doordat verbondenheid met de kerk verdwijnt. Ook daar zijn verhalen van bekend. Dat in de praktijk een veelvoud van factoren van invloed is op wel of niet geloven en wel of niet kerkelijk betrokken zijn, is eveneens bekend. Twee veelvoorkomende factoren spelen ook in het leven van deze vrouw een rol, namelijk ‘verhuizing’ en ‘een niet gelovige partner’.

In het boek Warum ich nicht mehr glaube (2014) doen de onderzoekers Faix, Hofmann en Künkler verslag van een kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar jonge mensen die het christelijk geloof hebben losgelaten. Hoewel dat niet samenvalt met ‘de kerk verlaten’, is dit onderzoek relevant, omdat twee van de vier centrale motieven uit dit onderzoek een rol spelen bij de vrouw uit het verhaal. De resultaten zijn gebaseerd op 259 enquêtes, waarvan 155 afkomstig van 18-35-jarigen.

Het kwalitatieve deel bestaat uit acht diepteinterviews met jongvolwassenen. Er is voor de selectie van de interviews gekeken naar spreiding en verschillende verhalen. Allereerst komt het ‘intellectuele’ leidmotief in het voorbeeld naar voren. Dat motief wil zeggen dat jongeren de God van de Bijbel niet kunnen rijmen met de wetenschap of in andere gevallen met eigen ervaringen- en kenmogelijkheden. ‘Wanneer is iets waar?’ schrijft de vrouw uit het voorbeeld.

‘Identiteit’ is het tweede leidmotief dat van toepassing is. Meer dan bij intellect speelt hier de omgeving een rol. Onder meer bij de fase van het volwassen worden en de daarbij behorende identiteitsontwikkeling kunnen mensen ontdekken dat een bepaald geloof of een vorm van geloof zoals ze dat kennen niet bij hen past. De vrouw uit het voorbeeld komt juist ook in deze fase van identiteitsontwikkeling op meer afstand van de kerk te staan.

(Post-)adolescentie en kerkverlating

Zoals verschillende onderzoeken aantonen gaat het meestal niet om een bepaald moment dat mensen de kerk verlaten, maar is het een proces. Dit wordt onderstreept door De Bruijn, die in 2015 onderzoek deed onder 120 ‘kerkloze’ jonge mensen uit de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt).[2] Verder kunnen mensen van allerlei leeftijden afstand nemen. Ze kunnen ook juist opnieuw betrokken raken. Wel is het zo dat in de fase van adolescentie (circa 13-18 jaar) en post-adolescentie (vanaf 18 jaar) relatief vaak kerkverlating aan de orde is. De onderzoekers De Graaf, Need en Ultee concluderen dat het leeftijdseffect vooral een duureffect betreft. Dat wil zeggen dat met ieder jaar dat religieuze mensen ouder worden, de kans afneemt dat ze de kerk verlaten (2000, 254).

Zoals gezegd, vormt identiteitsvorming een motief bij kerkverlating. In de (post-)adolescentie vinden belangrijke ontwikkelingen plaatsvinden als het gaat om identiteitsvorming. Centrale vragen in die fase zijn: ‘Wat is je persoonlijke weg om te gaan? Met welke groepen ben je verbonden of wil je verbonden zijn?’ Studiekeuze, werkkeuze, partnerkeuze, ontstaan van jonge gezinnen en groeiende financiële onafhankelijkheid zijn onderwerpen uit de adolescentie en post-adolescentie.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat een peiling in 2009 in de Verenigde Staten aangeeft dat 96 procent van de christelijk gesocialiseerde volwassenen die afstand nemen van het geloof waarin ze zijn opgevoed, en daarmee ook van de geloofsgemeenschap, dit voor hun 35e jaar doen (cf. Faix, Hofmann en Künkler 2015, 37, 42). Als redenen voor het afstand nemen worden genoemd dat de spirituele vraag niet vervuld werd, dat men de ‘leer’ niet meer gelooft, of dat ze stukje bij beetje zijn weggedreven (43). De Barna Group spreekt in 2019 over 64 procent jongvolwassenen (18-29 jaar) in de Verenigde Staten met een kerkelijke achtergrond die de kerk verlaten (Kinnaman en Matlock 2019, 15). Nu laat onderzoek uit Amerika zich niet zomaar naar de Nederlandse context omzetten, maar het fenomeen van ontkerkelijking in de fase van (post-)adolescentie overstijgt landsgrenzen. Veel jongeren en jongvolwassenen kiezen voor een andere weg dan die van de religieuze socialisatie uit hun jeugd.

‘Resilient disciples’

Met het oog op beleid rond jongeren en kerkelijke betrokkenheid is het zinvol om niet alleen kennis te hebben van de groep die de kerk verlaat, maar ook van de groep kerkblijvers, waarbij het goed is je te realiseren dat de groepen niet altijd strikt te scheiden zijn.

Er zijn in diverse onderzoeken allerlei, niet altijd tot elkaar herleidbare, cijfers over percentages van kerkverlating. Weinig van die cijfers zijn erop gericht om aan te geven dat een grote groep jongeren, in absolute aantallen, wel betrokken is op de kerk of een andere geloofsgemeenschap. Het CBS geeft aan dat in 2015 41 procent van de jongeren tussen de 15 en 25 jaar zich tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering voelde horen, terwijl dat in 2010 nog 49 procent was. Onder jongvolwassenen (18 tot 25 jaar) is deze daling het sterkst.[3] Dit is een boodschap die een negatieve trend communiceert: nog maar 41 procent. Maar in absolute aantallen zijn er ook in 2015 nog vele jongeren betrokken. Daar gaat het tweede deel van dit artikel over.

Kinneman en Matlock laten in het boek Faith for exiles zien dat geloof van 10 procent van Amerikaanse jongvolwassenen (18-29 jaar) die in de kerk blijven in velerlei opzichten ‘resilient’ is (2019, 32). Zij spreken over resilient disciples, veerkrachtige discipelen. Uit hun onderzoek komt ook naar voren dat een grote groep ‘gewoonte-kerkganger’ (38 procent) is. De onderzoekers geven deze groep helaas minder aandacht. Ze vragen zich af welke factoren een rol spelen in het resilient discipleship en wat kerken kunnen doen om resilient discipleship te ondersteunen.

Het gaat millennials om ervaringen van God en om gemeenschapszin

Wat karakteriseert de resilient disciples? Ik noem enkele van de genoemde karakteristieken (36v). Ze willen dat anderen zien dat Jezus in hun leven zichtbaar wordt in woord en daad; ze benadrukken dat worship/eredienst een levensstijl is en niet alleen een bepaald moment; ze willen God eren met hun gaven en talenten; de Bijbel is het Woord van God en bevat waarheid over de wereld; Jezus Christus is gestorven en opgestaan om zonde en dood te overwinnen. Ze kennen grote waarde toe aan de kerk.

De Hart analyseert in Geloven binnen en buiten verband (SCP 2014) dat er bij christelijke jongeren die bij de kerk betrokken zijn sprake is van een serieus nemen van de kerk. Een opvallende conclusie in dit rapport is dat jongeren die naar de kerk gaan vaker traditioneel zijn in hun opvattingen dan ouderen (85-86). Dit roept de vraag op of de kerk in de toekomst orthodoxer zal worden.

De Nederlandse jeugd als geheel komt op steeds grotere afstand van de kerk en het christelijk geloof. Tegelijkertijd is er sinds een paar decennia een omgekeerde ontwikkeling geweest onder de kerkelijke jeugd. Je ziet dit bij zowel rooms-katholieken als protestanten. Vanaf het midden van de jaren negentig wijkt de kerkelijke jeugd in toenemende mate af van de gehele kerkelijke bevolking in een orthodoxe religieuze richting, aldus De Hart (45). Deze orthodoxe ‘stijl’ komt tot uitdrukking in het volgen van kerkelijke voorschriften en kerkelijke participatie en in het hebben van vertrouwen in kerken. Het komt ook tot uitdrukking in de neiging tot meer traditionele overtuigingen op verschillende punten bij de jongere kerkleden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de mening dat de Bijbel volledig Gods Woord is (62-63) en het bestaan van een leven na de dood en geloof in duivel en hel.

Ook uit een onderzoek onder jongeren door de EO komt naar voren dat voor 80 procent van hen de Bijbel helemaal waar is.[4] Zeker met betrekking tot het geloof in de duivel en de hel is het verschil met de oudere geloofsgenoten groot (De Hart, 89-90, 93-95). Met name frequent naar de kerk gaan en het houden aan kerkelijke voorschriften is bij protestantse jongeren wel hoger dan bij katholieke, evenals een geloof in duivel en hel (66, 69-70, 87-88).

Volgens De Hart is er in de Rooms-Katholieke Kerk sprake van wat hij het ‘harde kerneffect’ noemt: liberalen verlaten geleidelijk de kerk en wie overblijft zijn de ‘ware gelovigen’. Voor protestantse jongeren speelt waarschijnlijk ook de invloed van de evangelische stroom een rol (49, 63-64, 91). Maar verder onderzoek is nodig om deze trend volledig te verklaren, aldus De Hart (92).

Deze conclusies zijn gebaseerd op een breed en omvangrijk onderzoek. Ook hier geldt dat de individuele verhalen anders kunnen zijn en er kan ook verschil zijn binnen het kerkelijk spectrum, maar het wijst op een ontwikkeling in de breedte van de kerk. Uit cijfers van recent onderzoek van de jongerenorganisatie van de PKN (JOP-Jong Protestant 2018) blijkt dat de meeste jongeren van de PKN zich wat meer in de rechterflank van de kerk bevinden: 20 procent van de kerken heeft 3 procent van de jongeren; 20 procent van de kerken heeft 53% van de jongeren. En die laatste groep bevindt zich meer rechts van het midden (Nagel-Herweijer e.a. 2018). Opvattingen spelen daarbij ongetwijfeld een rol, maar mogelijk ook de dynamiek dat jonge mensen vaak gaan naar waar jonge mensen zijn.

Betekent dit orthodoxe commitment een meer eenvormige kerk, zoals soms gedacht wordt? Recent onderzoek naar jongeren rechts van het midden laat zien dat voor hen relaties boven opvattingen gaan (Visser-Vogel en Sonnenberg 2020). De weerbarstige praktijken konden weleens meer ruimte voor pluriformiteit laten, dan orthodoxie die wordt gemeten vanuit aan een bepaalde leerstelling.

Perrin (2020) legt uit dat millennials zich uitdrukken in waarden als authenticiteit, loyaliteit, relationaliteit en participatie als het gaat om geloof en kerk. Tevens geeft ze aan dat het millennials gaat om ervaringen van God en het duiden van die ervaringen, en dat het gaat om gemeenschapszin.[5] Het genoemde onderzoek naar missionair besef en handelen van jongeren laat zien dat jongeren uit het orthodoxe spectrum van de kerk wat die relationele waarden betreft kind zijn van hun tijd.

De kerk en jongeren

Ten slotte beantwoorden we de vraag: ‘Hoe kunnen kerken kerkelijk commitment van jonge mensen theologisch en pedagogisch thematiseren?’ Ik kom tot een viertal beschouwingen.

Als eerste: Stefan Paas (2015) en anderen hebben er terecht aandacht voor gevraagd dat in de meeste eeuwen en plaatsen de kerk een minderheidspositie heeft gehad. Die ‘nuchtere’ constatering is nodig om de jongeren in de kerk niet het juk van het behoud van de toekomst van de kerk op te leggen.

Een spanningsveld is dat veel jonge christenen voor wie geloven altijd in het kader van een minderheidspositie heeft gestaan, in de kerk met veel verhalen te maken krijgen over verlating en vermindering. En dat de blijvers vervolgens in dit negatieve narratief worden geportretteerd als degene op wie de hoop is gevestigd. Daar kan voor hen iets beklemmends vanuit gaan. Het legt een oneigenlijk gewicht op het commitment van jongeren. Daar komt bij dat als kerken veelvuldig inzoomen op de afwezigheid van jongeren, de jongeren snel worden gezien als een probleem. Ook dat discours is weinig behulpzaam.

Theologisch gesproken vervalt voor een vitale kerk het onderscheid van jong en oud. Een vitale kerk heeft primair te maken met de doop. Als dat het uitgangspunt is, dan spreken we niet allereerst over jongeren vanwege hun jong zijn, maar vanwege hun gedoopt zijn (vgl. Root 2014, 127-133). Een vitale kerk wordt dan niet gemeten aan de leeftijd, maar aan in hoeverre de doop daadwerkelijk vernieuwing brengt in de kerk en daarbuiten. Daar ligt het startpunt voor het nadenken over het kerkelijk commitment van jong en oud.

Veel van ons denken en onderzoeken gaat, als tweede beschouwing, over de vraag waarom mensen de kerk verlaten. Het is goed om verhalen van kerkverlaters te horen en er waar mogelijk lering uit te trekken. Maar vanuit de gedachte dat kerk-zijn geen vanzelfsprekendheid is, is de werkelijk interessante vraag: waarom geloven mensen en maken ze deel uit van de kerk?

De kerk verlaten of er juist blijven hangt samen met identiteitsontwikkeling

Hier zijn positieve invloeden te benoemen zoals de rol van ouders. Steeds blijkt uit onderzoeken dat kinderen van mening zijn dat hun ouders de belangrijkste rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van hun religieuze identiteit. Socioloog De Graaf beargumenteert dat in het samenspel van landenkenmerk en individueel kenmerk (het interactie-effect) religieuze ouders in seculiere landen meer moeten investeren in de religieuze opvoeding dan ouders van kinderen in een religieus land. De invloed van individuele religieuze socialisatie door ouders is van grotere invloed op de ontwikkeling van de religiositeit van kinderen dan in een religieuze samenleving (De Graaf 2013, 18; Kelley en De Graaf 1997, 655). Van de Koot geeft een helder overzicht van ontwikkelingen en aspecten van geloofsopvoeding en geeft aan dat de mate waarin het geloof van ouders belangrijk en betekenisvol is een rol speelt, evenals dat de religieuze overeenstemming tussen ouders van positieve invloed is (2013, 45).

Ook zijn er wat in de literatuur wordt genoemd: de significant others. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de rol van grootouders. De grootouders niet zozeer als ‘de-opvoeders, maar als mede-opvoeders (Bengtson 2013, 18). Opvoeders, werkers in de kerk en leraren hebben aangaande geloofscommunicatie en -overdracht naar jonge mensen grote verantwoordelijkheid, want het geloof en religieuze socialisatie waar kerkgang mee samenhangt, is iets dat wordt doorgegeven van generatie op generatie. In die zin ligt er een opdracht. Maar die opdracht verklaart niet alles. Want als het om geloof en kerkelijk commitment gaat is er – geloofsmatig gezien – ook het element van ‘gave’. Daar krijgen we via onderzoeken niet zomaar grip op.

De derde beschouwing heeft te maken met de rol en het zelfverstaan van de kerk. In de complexiteit van wat geloven en kerk-zijn is, willen Kinnaman en Matlock leren van de resilient young disciples. Zij noemen onder meer:

  • het belang van werken aan gemeenschapszin en betekenisvolle intergenerationele relaties;
  • het belang van het jongeren helpen om talenten in te zetten voor God;
  • van het focussen op een relatie met Jezus;
  • maar ook van een countercultural mission: ga niet mee in onze egocentrische en angstige cultuur en leer jongeren een missionaire houding (Kinnaman en Matlock 2018, 208-209).

Stefan Paas geeft in zijn boek Vreemdelingen en priesters (2015) mijns inziens een scherpzinnige analyse van de kerk in een post-christelijke samenleving. Hij gebruikt weliswaar niet de term countercultural mission, maar voert wel een pleidooi voor kleine groepen, die als minderheid, als ballingen, te midden van alle verwarring die dat meebrengt, priesterlijk aanwezig zijn door lofprijzing en zegen als bemiddelaars tussen God en wereld en vice versa (190-196). Het is een rijke metafoor, waar Paas diepgaand mee theologiseert in relatie tot de context van vreemdeling zijn. De kerk – door het meervoudsgebruik ‘priesters’ slaat de metafoor ook op individuele christenen – krijgt een verbindende rol tussen God en wereld. In de uitwerking van de metafoor lijkt het verschil tussen Christus en kerk gradueel te zijn. Daarmee komt bij Paas het accent te liggen op de kerk als plaats waar Christus met gelovigen wil samenwonen en de kerk als mediator, in plaats van op de kerk als gemeenschap waar Christus met zondaren wil samenwonen en de kerk als schuilplaats. Terwijl juist in dat laatste beeld diepe solidariteit met de wereld schuilt.

Jonge mensen die graag actief iets willen betekenen voor de wereld, zullen het door Paas aangereikte beeld van de kerk als bemiddelaar aansprekend vinden. Maar daar staat tegenover dat juist in een tijd waarin ook van jonge mensen veel prestaties worden gevraagd het goed is om te benadrukken dat het verschil tussen kerk en wereld niet een andere rol is, maar een andere Heer. Ofwel, is nadruk op de boodschap ‘Christus is anders’ uiteindelijk niet heilzamer dan nadruk op de boodschap ‘jij bent anders, of de kerk is anders’? Dat begint niet bij wat je moet doen, maar geeft een meer ontspannen ruimte om te ontdekken wie je bent. Daarmee komt liturgisch gezien het accent niet op de lofzang en zegen te liggen, zoals bij de metafoor van priester, maar op de verkondiging en sacramenten, waarin Christus tot ons komen wil.

Ten vierde, we hebben gezien hoe keuzes om de kerk te verlaten of om juist te blijven samenhangen met identiteitsontwikkeling. Identiteit speelt zich af tussen individualiteit en gemeenschappelijkheid. Biedt de kerk ruimte aan jonge mensen om na te denken over hun individualiteit in relatie tot God? En zijn er voor hen voorbeeldfiguren voorhanden als het gaat om geloven en het vinden van je weg daarin? Dat zijn vragen waarvan het goed is dat een kerk zichzelf die stelt. Psycholoog Marcia en anderen spreken over de processen van ‘exploratie’ en ‘commitment’ die een rol spelen bij identiteitsontwikkeling (1993). Bij alle nadruk in de kerk op commitment is een belangrijke vraag: hoeveel exploratiemogelijkheden zijn er in de kerk en het jeugdwerk? Is er ruimte voor het stellen van vragen, het opdoen van ervaringen en het zoeken naar passende vormen en plaatsen?

Tot slot

Er zijn (post-)adolescenten die christelijk zijn opgevoed, maar het geloof vaarwel zeggen. Er zijn jonge mensen die de kerk vaarwel zeggen, maar blijven geloven. En er zijn jonge mensen die actief betrokken zijn bij en aan de kerk. Welke weg ook wordt gegaan, het is voor alle jonge mensen nauw verbonden met identiteitsontwikkeling, waarbij ze zich verhouden tot hun sociale omgeving. Daarin zijn een aantal factoren belangrijk.

  • Geloof wordt overgedragen, evenals religieuze socialisatie in de kerk. Ouders spelen een cruciale rol.
  • Jonge mensen hebben ruimte nodig om te exploreren en hun (kerkelijke en/of geloofs)-identiteit te ontwikkelen. Ook het zoeken van antwoorden op (intellectuele) zin- en levensvragen speelt daarbij een rol.
  • Relationaliteit en authenticiteit spelen een grote rol, waarmee ruimte wordt gegeven aan de ander. Dit geldt ook voor orthodox-christelijke jongeren.
  • Het is van belang dat kerken fundamenteel nadenken over wie jongeren zijn en wie de (gemarginaliseerde) kerk is.

En dit alles met urgentie en tegelijkertijd ontspanning, want de Heer van de kerk is ook betrokken op de 21e eeuw.

Ronelle (dr. P.M.) Sonnenberg is universitair docent Praktische Theologie/Youth Ministry aan de Protestantse Theologische Universiteit en predikant in de Protestantse Kerk in Nederland.

Noten

[1] https://www.barna.com/research/church-attendance-trends-around-country/ (gezien november 2019).
[2] Zie https://www.onderwegonline.nl/wp-content/uploads/2015/03/Twintigers-tussen-zuil-en-wereldstad.pdf
[3] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/0aandeel-godsdienstige-jongeren-gedaald
[4] https://www.youtube.com/watch?v=T58kP46s5Gw (gezien 15 juni 2020)
[5] https://visie.eo.nl/2019/10/psalmen-en-openbaring-favoriete-bijbelboeken-van-jongeren/

Literatuur

Bengtson, V.L., Putney, N.M. & Harris, C.H. (2013). Families and Faith. How Religion is passed down across Generations. New York: Oxford University Press.

Faix, T., Hofmann, M. & Künkler, T. (2014). Warum ich nicht mehr glaube. Wenn junge Erwachsene den Glauben verlieren. Witten: SCM-Verlag.

Graaf, N.D. de (2013). Oorzaken en enkele gevolgen van ontkerkelijking. Theoretische reflecties en empirische uitkomsten. In: M. te Grotenhuis e.a. (red.), Ontkerkelijking, nou en…? Oorzaken en gevolgen van secularisatie in Nederland (pp. 9-26). Delft: Eburon.

Hart, J. de (2014). Geloven binnen en buiten verband. Godsdienstige ontwikkelingen in Nederland. Den Haag: SCP-publicatie.

Kelley, J. & Graaf, N.D. de (1997). National Context, Parental Socialization, and Religious Belief: Results from 15 Nations. American Sociological Review 62 (4), 639-659.

Kinnaman, D. & Matlock, M. (2018). Faith for Exiles. 5 proven ways to help a new generation to follow Jesus and thrive into digital Babylon. Grand Rapids: Baker Books.

Koot-Dees, D. van de (2013). Prille geloofsopvoeding. Een kwalitatief onderzoek naar de rol van geloven in jonge protestants-christelijke gezinnen in Amsterdam. Zoetermeer: Boekencentrum.

Marcia, J., Waterman, A., Matteson, D., Archer, S. & Orlofsky, J. (1993). Ego identity: A handbook for psychosocial research. New York: Springer-Verlag.

Nagel-Herweijer, C., Linden, L. van der, Wondergem, J., Bierenbroodspot, D.-J., La Porta, V. & Zuidam, R. (2018). Onderzoek naar het jeugdwerk binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Utrecht: PKN/JOP.

Need, A., Graaf, N. de & Ultee, W. (2000). Levensloop en kerkverlating. Een nieuwe en overkoepelende verklaring voor enkele empirische regelmatigheden. Journal for the Study of the Pseudepigrapha 75 (3), 229-257.

Paas, S. (2015). Vreemdelingen en priesters. Christelijke missie in een postchristelijke omgeving. Zoetermeer: Boekencentrum.

Perrin, R.H. (2020). Changing Shape. The Faith Lives of Millennials. Londen: SCM Press.

Root, A. (2014). Bonhoeffer as youth worker: A theological vision for discipleship and life together. Grand Rapids: Baker Academic.

Visser-Vogel, E. & Sonnenberg, P.M. (2020). Geloof en missie in het leven van jongeren. Een onderzoek naar het missionair bewustzijn en handelen van christelijke jongeren. Utrecht: OJKC/PThU.

Meer Geloofsopvoeding & Pastoraat