Menu

Premium

Gras

Wie Nederland ooit vanuit de lucht heeft aanschouwd, weet dat groen een overheersende kleur is. Grote delen van ons land bestaan uit weiden en dankzij het klimaat hebben die graslanden slechts bij hoge uitzondering een gelige kleur. De uitdrukking ‘grasgroen’ is dan ook voor geen misverstand vatbaar.

Grondtekst

Het Hebreeuwse dèsjè’ heeft vooral de betekenis van ‘jong fris gras’ of ‘het jonge groen (o.a. Gen. 1:11-12; Deut. 32:2; 2 Sam. 23:4; 2 Kon. 19:26; Ps. 23:2; 37:2; Jes. 66:14). In het Oude Testament heet ‘gras’ ook chatsier (1 Kon. 18:5; Job 40:15; Ps. 37:2; 90:5; 103:15; Spr. 27:25; Jes. 40:6-8; 51:12), het groeit in het gebergte (Ps. 147:8) en soms op daken (2 Kon. 19:26; Ps. 129:6; Jes. 37:27).

Het Griekse woord voor ‘gras’ of ‘hooi’ – chortos – komt in het Nieuwe Testament op ruim tien plaatsen voor (Mat. 6:30; 13:26; 14:19; Mar. 4:28; 6:39; Luc. 12:28; Joh. 6:10; 1 Kor. 3:12; Jak. 1:10-11; 1 Petr. 1:24; Op. 8:7; 9:4).

Letterlijk en concreet

In het oude Israël bestonden geen weilanden, zoals wij die kennen: aangelegde graslanden die goed verzorgd worden, bemest en op gezette tijden gemaaid. Als in de bijbel sprake is van ‘gras’ dan wordt daarmee bedoeld al het groen -planten en bloemen – dat in het wild groeide. De dieren aten het (1 Kon. 18:5). Dankzij de winterregens schoot het gras in het voorjaar snel op. De vreugde was echter van korte duur. De felle zon in de zomermaanden deed het groen spoedig verdorren. Alleen op plaatsen waar water was, aan de oevers van beken en bij bronnen, bleef het gras zijn groene kleur behouden. In de beschrijving van de evangelist Marcus van de eerste ‘wonderbare spijziging’ is de opmerking dat de mensen in het groene gras gingen zitten niet overbodig (Mar. 6:39). In het land Israël is groen gras eerder uitzondering dan regel.

Beeldspraak en symboliek

a.In een land zoals het onze zal men gras niet in de eerste plaats als het symbool zien van vergankelijkheid en nutteloosheid. Gras is er altijd en zelfs na een strenge winter weet het zich wonderwel te herstellen.

b.Het warme klimaat van Israël veroorzaakt vanzelfsprekend een andere symboliek. Psalmisten maken er gebruik van om hun lezer(es) te bemoedigen en een riem onder het hart te steken: ‘Wind je niet op over de zondaars, wees op boosdoeners niet jaloers, want zo snel als het gras vergelen zij, zij verdorren als het groene kruid’ (Ps. 37:2; vgl. Ps. 102:5). De sterfelijkheid van de mens is ook de profeet niet onbekend. Desondanks verliest hij de moed niet, want God is de Eeuwige: ‘Luister, iemand zegt: Roep! En ik zeg: Wat zal ik roepen? Alle mensen zijn gras en hun trouw is niets dan een veldbloem. Het gras verdort, de bloem verwelkt wanneer de adem van de Heer erover waait; zeker, dit volk is gras! Het gras verdort, de bloem verwelkt, maar het woord van onze God houdt in eeuwigheid stand’ (Jes. 40:6-8). Deze profetische oproep klinkt ook in het Nieuwe Testament (Jak. 1:10-11; 1 Petr. 1:24).

c.Wanneer het gras op de daken groeit, is dat een teken van verval (2 Kon. 19:26; Jes. 37:27), maar ook van kortstondigheid. Zo kan van de vijanden van Sion worden gezegd: ‘Ze zullen als gras op de daken zijn, verdord nog voor het wordt uitgetrokken: voor de maaier is het nog geen handgreep vol, nog geen voorschot vol voor de binder’ (Ps. 129:6-7).

d.Gras betekent niet veel. Het is – modern gezegd – een wegwerpartikel: ‘Ik (God), Ikzelf ben het die u bemoedigt; en wie bent u, dat u bang bent voor een sterfelijk mens, en voor een mensenkind, dat als gras wordt weggeworpen’ (Jes. 51:12).

e.In een profetische tekst wordt een positiever beeld van het gras geschetst. Het is een teken van vreugde en vernieuwing: ‘Zielsblij zult u het aanschouwen, en uw gebeente zal ontluiken als het groen. De hand van de Heer zal zich openbaren aan zijn dienaren, maar zijn woede zal over zijn vijanden komen’ (Jes. 66:14).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 23; 37; 89; 90; 102; 103; 107; 129; 147; Gezang 13; 15; 39; 330; 397; 463; 377; Eva I; 34; II: 28; 42; Gezangen: 103; Gezegend: 23; 264; Honderd: 28; Laat ons: 18; 21; Liturgie: 90; 103II; Mond: 2; Zingend III: 65; Zolang: 100 (= Gezangen: 519; Liturgie: 591; Zingend IV: 66).

b.Poëzie:

Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 681: ‘Vergankelijk is erg breekbaar…’. Judith Herzberg, Beemdgras, Amsterdam 1968, blz. 5: ‘Beemdgras en zachte dravik’; 24: ‘Nee er is geen tweede leven’. A Roland Holst, In ballingschap, Haarlem 1957, blz. 28-31: ‘Vergankelijkheid’. J.W. Vaske, Roos van ontsteltenis, Amsterdam 1994, blz. 25: ‘Rondeel’. Jacqueline van der Waals, Gebroken kleuren, Nijkerk z.j., blz. 44: ‘In het hooi’. Elly de Waard, Eenzang, Amsterdam 1992, blz. 46: ‘zoals het gras…’. Karel van de Woestijne, Verzamelde gedichten, Brussel/Den Haag 19673, blz. 115: ‘God’.

c.Verwerking:

In de inleiding zeiden we al: gras roept in onze samenleving voor een deel andere beelden op dan in de bijbelse tijd. Bij de uitleg moeten we daar rekening mee houden. Als we in de opgesomde liederen de beelden van gras oproepen, dan komen begrippen als dor, fris, nieuw, kortstondig, vergankelijk, levendig op. Een andere benadering is om mensen te laten vertellen welk beeld zij bij het woord gras krijgen. Dat geeft wellicht boeiend materiaal. Om dezelfde beeldspraak van de bijbelschrijvers te krijgen, hebben we soms een ander woord dan gras nodig. Waaraan ontlenen wij vandaag onze beelden voor vergankelijkheid, kortstondigheid, sterfelijkheid en vernieuwing?

Verwijzing

We zien op facetten overeenkomsten tussen de betekenis van gras en die van ‘bloemen‘, ‘droogte‘, ‘tuin‘ en ‘paradijs‘.

Wellicht ook interessant

Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
None

Interview: “Ik wil een eerlijk gesprek over de doodswens”

Mensen die niet meer willen leven, krijgen niet zomaar euthanasie. Er zijn strenge eisen waaraan moet worden voldaan, voordat het eigen leven bewust gestopt kan worden. Maar als een euthanasieverzoek wordt afgewezen, is de wens om te sterven vaak niet verdwenen. Soms kiezen mensen dan voor ‘de autonome dood’, een zelfgeorganiseerd levenseinde. Hoe is dit voor nabestaanden? Krina Huisman deed er onderzoek naar en schreef het boek Nabestaan. Leven na de autonome dood. Redacteur Maartje Amelink ging met haar in gesprek.

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

Nieuwe boeken