< Terug

Heilige schrift?

Hoe de vier kortste nieuwtestamentische brieven in de canon terechtkwamen

Wat doen de korte tekstjes die in deze aflevering centraal staan (Filemon, Judas en 2 en 3 Johannes) eigenlijk in het Nieuwe Testament? Waarom werden ze geselecteerd terwijl langere teksten met een stevigere inhoud buiten de Bijbel bleven? Wie bepaalde dat? En waarom?

Matthijs den Dulk is universitair docent Bronteksten jodendom en christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Over het ontstaan van het Nieuwe Testament doen de gekste verhalen de ronde. Enerzijds is er het complottheorie-achtige idee dat de canon pas in de vierde eeuw door een select groepje kerkelijke en politieke machtswellustelingen bepaald werd (een theorie die met verve gepropageerd wordt in menig documentaire en populaire publicatie). En anderzijds vind je in orthodoxe, devotionele boekjes nog wel eens de uiterst vrome notie dat de 27 boeken die het Nieuwe Testament vormen al direct na publicatie als heilig erkend werden. De waarheid ligt – het zal eens niet – ergens in het midden.

Over het ontstaan van het Nieuwe Testament doen de gekste verhalen de ronde.

De evangeliën

Het Nieuwe Testament is een heel diverse collectie. De documenten die in de canon zijn opgenomen zijn geschreven door verschillende mensen, op verschillende momenten, in verschillende regio’s en voor verschillende lezers. Sommige van die teksten werden al in een vrij vroeg stadium als gezaghebbend erkend. Dat gold bijvoorbeeld voor de evangeliën. Zo vreemd is dat natuurlijk niet: het christendom oriënteert zich op de figuur van Jezus en dus is het niet meerdan logisch dat aan zijn handelingen en uitspraken een bijzondere status werd toegekend. Wie met Simon Petrus gelooft dat Jezus woorden sprak ‘die eeuwig leven geven’ (Johannes 6,68 – NBV) hecht vanzelfsprekend aan de precieze formulering van die woorden. Niet zo heel verbazingwekkend dus dat uitspraken van Jezus al snel in een adem met ‘de Schrift’ geciteerd werden. In 1 Timoteüs 5,18 lezen we: ‘De Schrift zegt immers: “U mag een dorsend rund niet muilkorven” en “De arbeider is zijn loon waard”.’ Dat laatste staat nergens in het Oude Testament, maar vinden we wel als uitspraak van Jezus terug in Lucas 10,7 en Matteüs 10,10.

Toch was het nog een flinke stap van dit respect voor Jezus’ uitspraken naar de selectie van de vier evangeliën die we in ons huidige Nieuwe Testament vinden. Het evangelie volgens Marcus werd als eerste geschreven, maar werd niet direct gezien als een ‘heilige tekst’ waar niets meer aan veranderd mocht worden. In tegendeel: Matteüs en Lucas namen veel van Marcus over, maar voegden er ook veel aan toe, lieten wat zaken weg en sleutelden behoorlijk aan de tekst van dit oudste evangelie. Overigens waren ze niet zo geneigd aan de uitspraken van Jezus veel te veranderen. Die werden duidelijk met meer respect behandeld dan de context waarin die uitspraken door Marcus waren geplaatst.

Gezien de manier waarop ze Marcus bewerkten is het onwaarschijnlijk dat de auteurs van de andere twee evangeliën de intentie hadden dat hun werk een aanvulling op Marcus zou zijn. De bedoeling was waarschijnlijk een beter evangelie te schrijven dat de plaats van Marcus zou innemen. Het is begrijpelijk dat sommige vroegchristelijke gemeenschappen de voorkeur hadden voor één evangelietekst en niet met verschillende versies van het verhaal werkten. Men was zich ongetwijfeld bewust van de verschillen tussen de evangeliën en het lag meer voor de hand er eentje uit te kiezen die het ‘beste’ was in plaats van verschillende, deels tegenstrijdige verhalen als even gezaghebbend te accepteren. Toch is dat de positie die de kerk uiteindelijk zou verdedigen. Voor het eerst vinden we het idee dat er vier evangeliën moeten zijn, niet minder en ook niet meer (er waren nog heel wat andere evangeliën in omloop) in het werk van Irenaeus van Lyon (omstreeks 180). Hij beriep zich ter onderbouwing op de vier windstreken: aangezien er vier windstreken zijn die samen de hele aarde bestrijken moeten er ook vier evangeliën zijn in de wereldwijde kerk (Tegen de ketterijen 3.11.8). Zijn argumentatie mag vanuit modern perspectief gebrekkig lijken, toch is de kerngedachte een opvallend (post-)moderne opvatting: het leven van Jezus is niet zomaar vanuit één gezichtspunt te vatten, maar moet worden begrepen door verschillende perspectieven naast elkaar te leggen. Hoeveel christenen het op dit punt met Irenaeus eens waren is niet helemaal helder. Irenaeus was een belangrijke lokale leider, maar sprak zeker niet namens alle christenen. Toch lijken de vier canonieke evangeliën in de loop van de tweede eeuw een bijzondere positie te hebben verworven. Andere evangeliën werden zeker ook gelezen in bepaalde kringen, maar een groot deel van de christelijke gemeenschap lijkt al in een vrij vroeg stadium de canonieke vier een bijzondere status te hebben toegedicht, ook al las men die vier met name in het oosten vaak in de vorm van een harmonie (een document dat de inhoud van de verschillende evangeliën in de vorm van één tekst presenteerde).

Voor andere bijbelboeken in spe zou het bereiken van die status veel langer duren. Pas in 367 krijgen we voor het eerst een lijst van de 27 boeken die we vandaag de dag in ons Nieuwe Testament vinden. De lijst werd geformuleerd door Athanasius van Alexandrië, een machtige lokale kerkleider, maar wederom niet iemand die de hele kerk vertegenwoordigde. Een duidelijke uitspraak van Rome zou tot het Concilie van Florence (1439-1443) op zich laten wachten en de omvang van de canon werd pas een officieel geloofsartikel in de Rooms-Katholieke kerk op basis van een decreet dat met een weinig overtuigende meerderheid werd aangenomen in 1546 tijdens het concilie van Trente.

Filemon en de andere brieven van Paulus

Toch lag al lang voor die tijd de canon in hoofdlijnen vast. Dat gold voor de vier evangeliën, maar ook voor de brieven van Paulus. Die brieven worden al door een andere tekst die in het NT terecht zou komen als gezaghebbend gezien:

Hij [Paulus] schrijft dit overigens in alle brieven waarin hij dit onderwerp ter sprake brengt. Daarin staat een en ander dat moeilijk te begrijpen is en dat door onwetende en onstandvastige mensen, tot hun eigen ondergang, wordt verdraaid; dat doen ze trouwens ook met de overige geschriften.

(2 PETRUS 3,16)

In de praktijk leken maar weinig mensen in de vroege kerk de brief van Filemon bruikbaar te vinden.

Het is duidelijk dat de auteur van deze brief bekend was met een collectie van Paulus’ brieven (‘alle brieven’), maar over welke teksten had hij het precies? Zat dat korte briefje aan Filemon er ook bij? Deze onduidelijkheid is een probleem dat zich wel vaker voordoet. Eusebius (ca. 265 -ca. 340) schrijft bijvoorbeeld dat ‘de brieven van Paulus’ algemeen erkend worden, maar hij zegt er niet bij welke brieven dat dan zijn (Kerkgeschiedenis 3.25.2). Gelukkig zijn er ook diverse teksten waarin gezegd wordt dat er veertien brieven van Paulus zijn en dan moet Filemon haast wel zijn meegerekend. Bovendien wordt Filemon expliciet genoemd in de Canon Muratori, een tekst uit de tweede of vierde eeuw. Deze tekst werpt ook wat meer licht op de reden waarom Filemon als gezaghebbend werd gezien. Volgens de auteur werd Filemon net als de Pastorale brieven (1-2 Timoteüs en Titus) geschreven door Paulus ‘uit genegenheid en liefde’ voor hen persoonlijk, maar worden de brieven door de kerk gezien als ‘gewijd’ omwille van de ‘ordening van de kerkelijke discipline’. De brieven hebben dus een duidelijke functie die uitstijgt boven het strikt persoonlijke. Ze hebben, net als andere bijbelse teksten, iets te zeggen voor de gelovigen van alle tijden. Zeker in het geval van 1 Timoteüs en Titus met hun duidelijke instructies over leiderschap in de kerk is die redenering goed te volgen, maar bij Filemon? In de praktijk leken maar weinig mensen in de vroege kerk de tekst bruikbaar te vinden. Het document wordt nauwelijks geciteerd. Als een tekst niet geciteerd wordt in vroege bronnen doet dat het vermoeden rijzen dat de tekst pas later geschreven is. Maar in het geval van Filemon is het gebrek aan verwijzingen waarschijnlijk te danken aan de lengte (zoveel viel er niet te citeren) en vooral ook aan de inhoud. Er was eenvoudigweg zelden aanleiding deze nogal persoonlijke tekst aan te halen.

De belangrijkste reden dat Filemon in de canon is opgenomen was het auteurschap: de tekst is geschreven door Paulus en verdiende daarom een plaatsje in de canon (al zou men daar met name in de Syrische kerk wel tot ten minste de vierde eeuw over twisten). Het meest gebruikte criterium voor opname in de canon was namelijk apostoliciteit: is deze tekst geschreven door een van de eerste volgelingen van Jezus? Ook teksten die geschreven waren door hun directe medewerkers kwamen in aanmerking. Zo was Marcus weliswaar niet een van de twaalf discipelen, maar hij was wel degene die volgens de traditie Petrus’ woorden opschreef. Natuurlijk stond dit criterium niet helemaal los van een inhoudelijke beoordeling van de tekst. Als een tekst een ketterij bevatte dan kon deze toch niet door een van de apostelen geschreven zijn? Eusebius (Kerkgeschiedenis 6.12.3-4) vermeldt dat bisschop Serapion van Antiochië het in eerste instantie geen bezwaar vond dat het Evangelie van Petrus gelezen werd, omdat die tekst op naam van de apostel stond. Maar toen bleek dat er ‘ketterse’ ideeën in dit evangelie gepropageerd werden, suggereerde dit dat de tekst niet van Petrus zelf was en dus moest worden afgewezen als een vervalsing. In het geval van Filemon waren zulke problemen er niet en aan het auteurschap van Paulus valt nauwelijks te twijfelen, want het is moeilijk voor te stellen dat iemand in een later stadium een brief zou verzinnen die over zo’n specifieke situatie gaat en nauwelijks impact heeft op theologische vraagstukken.

De enige figuur die aan die omschrijving voldoet, is de Judas die niet alleen een broer van Jakobus, maar ook van Jezus was.

Judas en 2 en 3 Johannes

Ook Judas kwam in de canon grotendeels vanwege de auteur. De schrijver presenteert zich als ‘Judas… broer van Jakobus’ (Judas 1) en de enige figuur die aan die omschrijving voldoet is de Judas die niet alleen een broer van Jakobus, maar ook van Jezus was (Matteüs 13,55;

Marcus 6,3). Hij behoorde daarmee tot de kring van de eerste volgelingen (ook al was Jezus’ familie in eerste instantie sceptisch [Marcus 3,21, 31; Johannes 7,5, vgl. Handelingen 1,14, 1 Korintiërs 9,5]). Vandaag de dag wordt door velen betwijfeld dat de auteur daadwerkelijk deze Judas was, maar in de vroege kerk werd dit algemeen geaccepteerd. Logisch dus dat de tekst vrij snel als gezaghebbend werd gezien. Diverse auteurs uit de tweede eeuw waren bekend met deze brief. Eén daarvan was de auteur van 2 Petrus (als we er tenminste vanuit gaan dat het 2 Petrus was die Judas bewerkte en niet vice versa; zie het artikel van Rob van Houwelingen in dit nummer voor een ander perspectief). Tegelijkertijd laat de vrije bewerking van Judas door 2 Petrus zien dat Judas nog niet als een heilige tekst werd gezien, waar niet aan gerommeld mocht worden. In een later stadium, vanaf de derde eeuw, ontstond meer discussie over de status van Judas en dat had vooral te maken met het gebruik dat de tekst maakt van de niet-canonieke teksten Testament van Mozes (vers 9) en 1 Henoch (zie het artikel van Jacques van Ruiten in dit nummer). Tertullianus (ca. 160 -ca. 220) claimde dat 1 Henoch een gezaghebbende tekst was op basis van de verwijzing in Judas, maar latere auteurs redeneerden juist andersom: 1 Henoch is onacceptabel en dus geldt dat ook voor Judas omdat die tekst zich op 1 Henoch beroept. Uiteindelijk waren de verwijzingen naar deze niet-canonieke teksten toch niet genoeg om Judas echt in de problemen te brengen.

De moeilijkheden waren serieuzer in het geval van 2 en 3 Johannes. De cruciale vraag was: zijn 2 en 3 Johannes geschreven door de apostel Johannes? Vandaag de dag denken vrijwel alle wetenschappers van niet en Origenes (ca. 184 -ca. 253) maakt duidelijk dat in de oudheid ook lang niet iedereen van het auteurschap van de discipel overtuigd was:

[Johannes] heeft één evangelie nagelaten… Hij schreef ook de Apocalyps… Hij liet ons ook een brief na bestaande uit slechts weinig regels; er zou nog een tweede en derde brief van hem bestaan; niet iedereen is het erover eens dat ze echt zijn; overigens bevatten ze samen nog geen honderd regels.

(GECITEERD IN EUSEBIUS, KERKGESCHIEDENIS 6.25.9-10 – VERTALING CHR. FAHNER)

Wanneer Eusebius in de vierde eeuw de stand van zaken bespreekt, blijkt er ook over de Apocalyps/Openbaring onduidelijkheid te bestaan:

Behalve het evangelie van Johannes wordt ook zijn eerste zendbrief zonder meer erkend… over de echtheid van de beide andere zendbrieven wordt wel verschillend gedacht. Ook over de Openbaring zijn de meningen nog zeer verdeeld.

(KERKGESCHIEDENIS 3.24.17-18).

Dit laat zien dat de vorming van de canon niet een lineair proces was. In verschillende regio’s en tijden werden door verschillende personen verschillende teksten als gezaghebbend beschouwd.

Een van de redenen waarom men over 2 en 3 Johannes van mening verschilde, is dat de teksten in de tweede eeuw niet (3 Johannes) of nauwelijks (2 Johannes) geciteerd werden. Dat riep natuurlijk de vraag op hoe dat kon, als de auteur echt de discipel Johannes was en de teksten al in de eerste eeuw geschreven waren. 2 Johannes won langzaamaan aan autoriteit, maar 3 Johannes bleef nog heel lang een twijfelgeval.

Waarom redde 3 Johannes het dan uiteindelijk toch? Dat had ten minste deels te maken met het getal ‘zeven’. Door ook 3 Johannes op te nemen in de canon kwam men tot een totaal van zeven brieven die niet van Paulus afkomstig waren, de zogenaamde katholieke brieven (1-3 Johannes, 1-2 Petrus, Jakobus en Judas). Dat aantal was niet toevallig. De Openbaring van Johannes bevat ook zeven brieven aan evenveel gemeenten. Bovendien schreef Paulus volgens de traditie veertien brieven (= 2 x 7) en richtte hij zich aan zeven specifieke gemeenten. Het getal zeven suggereerde universaliteit: deze teksten waren voor de hele kerk bedoeld. Dat men zonder 3 Johannes op zes brieven uitkwam en mét die tekst op zeven kan dit briefje weleens over de streep hebben getrokken.

Doorlopende discussie

De gronden voor de acceptatie van een aantal van de nieuwtestamentische teksten waren dusdanig problematisch dat de discussie over deze teksten lange tijd bleef doorgaan. Ik noemde eerder al dat het heel lang duurde voordat Filemon in de Syrische kerk werd erkend, maar in sommige delen van die gemeenschap werden 2 en 3 Johannes en Judas überhaupt nooit als deel van de canon gezien (hetzelfde geldt voor 2 Petrus en Openbaring). In het westen zou de discussie weer oplaaien tijdens de Renaissance en de Reformatie. Zo twijfelde Erasmus openlijk aan het auteurschap van 2 en 3 Johannes en Judas (alsmede 2 Petrus) en had Luther een lage dunk van onder meer Judas en zag hij ook 2 en 3 Johannes als van ondergeschikt belang.

Fajoemportret van een jong meisje. Egypte, tweede eeuw.

De twee visies waarmee ik dit artikel begon zijn duidelijk extremen: grote delen van onze huidige canon (met name de evangeliën en brieven van Paulus) werden al door veel christenen als gezaghebbend gezien in de loop van de tweede eeuw. Daarmee is niet gezegd dat deze teksten in alle opzichten ‘heilig’ waren en ook niet dat allerlei andere teksten niet gelezen werden, maar dat teksten als de vier evangeliën en de brieven van Paulus pas in de vierde eeuw een voorkeurspositie kregen is volstrekte onzin. Anderzijds duurde het bij andere teksten zelfs nog tot ver na de vierde eeuw voordat er consensus ontstond. En ook vandaag de dag, wanneer kerken de facto deze teksten accepteren als canoniek, is het maar zeer de vraag of ze deze status in de praktijk ook waarmaken. De omstreden canonieke geschiedenis van deze teksten vormt daarmee een uitdaging voor de exegeet: kan men laten zien waarom deze teksten belangrijk zijn? Dragen ze iets bij aan de rest van de Schrift? In dit nummer wagen we een poging die vragen te beantwoorden voor de vier kortste nieuwtestamentische brieven.

Literatuur

• David Brakke, “Scriptural Practices in Early Christianity: Towards a New History of the New Testament Canon.” In: Jörg Ulrich, Anders-Christian Jacobsen en David Brakke (red.), Invention, Rewriting, Usurpation: Discursive Fights over Religious Traditions in Antiquity (Frankfurt: Peter Lang, 2012), 263-280.

• Chr. Fahner, Eusebius’ Kerkgeschiedenis (Zoetermeer: Boekencentrum, 2000).

• Lee Martin McDonald, The Formation of the Biblical Canon. Volume 2: The New Testament – Its Authority and Canonicty (London; New York: Bloomsbury, 2017).

• Bruce M. Metzger, The Canon of the New Testament: Its Origin, Development, and Significance (Oxford; New York: Oxford University Press, 1987).

BRIEF VAN TWEE OUDERE ZUSSEN AAN HUN JONGERE ZUSSEN (EGYPTE, TWEEDE EEUW NA CHRISTUS)

Uit: John Muir, Life and Letters in the Ancient Greek World (Abingdon: Routledge, 2009).

Van Apollonia en Eupous, aan hun zussen Rasion en Demarion, groeten!

Als jullie gezond zijn, is het goed. Wijzelf zijn ook gezond. Jullie zouden ons een plezier doen als jullie de lamp bij het altaar aansteken en de kussens opschudden. Blijf studeren en maak je geen zorgen over moeder. Zij is gezond. Verwacht onze aankomst.

Tot ziens.

En speel niet op de binnenplaats maar gedraag jullie binnenshuis. Zorg voor Titoas en Spharos.

< Terug