< Terug

Heiligheid, heilig, heiligen

Geloofstaal & cultuurtaal

In onze cultuur komt het begripsveld ‘heilig’ praktisch niet meer voor. We vinden het nog in verstarde uitdrukkingen als ‘een heilig boontje’ voor iemand die zich overdreven braaf of vroom gedraagt en ‘heilige huisjes’ voor dingen die – in bepaalde kringen – onbespreekbaar zijn of waren.

In de geloofstaal is het gebruik frequenter. Hier komt het met name voor in verband met de derde persoon van de drieënige God: de Heilige Geest. Verder zoekt men in het gebed Gods ‘heilig aangezicht’, maakt de gemeente de gang naar het ‘heiligdom’ en spreekt men vooral in rooms-katholieke kring vaak over de ‘heilige’ kerk en over bijzondere mensen als ‘heiligen’. Daarnaast wordt Israël/Palestina regelmatig als het ‘heilige land’ aangeduid. En als iemand zegt: ‘Dit is voor mij heilig’, dan wordt daarmee als het ware een taboe uitgesproken: afblijven!

Woorden

In het Hebreeuws worden ‘heilig’ en verwante woorden vrijwel uitsluitend weergegeven met de begrippen qodesj, ‘heiligheid’, qadoosj, ‘heilig’, ‘heilige’, qadasj/qadeesj, ‘heilig zijn/worden’ en miqdasj, ‘heiligdom’.

De Griekse vertalers van het Oude Testament kozen slechts zelden het meest gangbare Griekse woord hieros, maar vrijwel uitsluitend het minder gebruikelijke hagios, ‘heilig’, hagi-azein, ‘heiligen’ en hagiosunt, hagiotès, ‘heiligheid’. Dit woordgebruik is door de schrijvers van het Nieuwe Testament in principe overgenomen, al komt hieros ook hier één keer voor (2 Tim. 3:15) Daarnaast is het Griekse hosios, ‘vroom’, ‘heilig van aard’ regelmatig met ‘heilig’ weergegeven.

Betekenis in context

Het Oude Testament

God is heilig

Heiligheid is allereerst een eigenschap van God. Hij is bijzonder, zó bijzonder dat Hij Zich volstrekt van de wereld buiten Hem onderscheidt. Men kan dan ook zeggen dat heiligheid in de striktste zin alleen een eigenschap van God is. Mensen en dingen kunnen slechts in afgeleide zin heilig zijn. Dit wordt kernachtig verwoord in de aansporing: ‘Heilig zult gij zijn, want Ik, de Here, uw God, ben heilig’ (Lev. 19:2) die in het laatste deel van het boek Leviticus in detail uitgewerkt wordt. God Zelf wordt wel kortweg als ‘de Heilige’ aangeduid (Num. 20:13). De aanduiding ‘de Heilige Israëls’ is in delen van het Oude Testament tot een vaste aanduiding van God geworden, met name in de psalmen (71:22; 87:41; 89:19) en het boek Jesaja (26 keer). Deze uitdrukking vat enerzijds de verbondsrelatie op de kortst mogelijke wijze samen, maar wijst anderzijds ook op het bijzondere karakter van de God van Israël, wat zowel in zijn genadige toewending tot (Jes. 10:20), als in het gericht over zijn volk (Jes. 30:11-12) tot uitdrukking komt. De manier waarop God heilig is, bepaalt Hijzelf, en wel op een heel verrassende manier, zoals in Hosea 11:9 naar voren komt: ‘Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven. Want Ik ben God en geen mens,heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed.’ Heiligheid kunnen we voor wat de Bijbel betreft dan ook omschrijven als: de God van Israël is ‘op een bijzondere manier bijzonder’. Als ‘de Heilige’ is God de Gans Andere, die Zich niet laat inpassen in onze menselijke werkelijkheid en denkkaders. Tekenend is het roepingsvisioen van Jesaja 6. Zelfs de engelen bedekken hun aangezicht voor deze heilige God (vs. 2). Jesaja hoort hen zingen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol’ (vs. 3). Ten overstaan van deze heilige God belijdt de profeet zijn schuld en zijn onbekwaamheid om zijn woordvoerder te zijn (vs. 5).

Gods heiligheid straalt uit

Niet alleen God Zelf is bijzonder; deze eigenschap is ook bepalend voor zijn naam, zijn Geest, zijn arm (= daden), zijn woord en zijn woonplaats – zowel (in) de hemel (Deut. 26:15) als op de aarde (Ex. 15:17). Vanzelfsprekend heeft alles wat met de eredienst in het aardse heiligdom te maken heeft, zowel stoffelijk (het heiligdom en toebehoren) als niet-stof-felijk (feestdagen en -tijden), deel aan de heiligheid van God. In Exodus 30:37 wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat de Israëlieten voor zichzelf (dus voor profane doeleinden) geen reukwerk mogen vervaardigen volgens het recept waarmee het reukwerk voor het heiligdom vervaardigd wordt: ‘En wat het reukwerk betreft, dat gij bereiden zult, volgens deze bereidingswijze zult gij niets voor u zelf maken; het zal u iets heiligs zijn, voor de Here.’ Opmerkelijk is ook dat voor het economische verkeer met het heiligdom een standaard gewichtseenheid vastgelegd wordt: de heilige sikkel (Ex. 30:13, Num. 7); in andere gevallen horen we van door de kroon bepaalde maateenheden (2 Sam. 14:26). Op allerlei manieren worden dus grenzen getrokken om de bijzonderheid van God en zijn dienst veilig te stellen.

Heiligheid kent schakeringen

Binnen de kwaliteit van heiligheid die het heiligdom bezit, wordt vervolgens een differentiëring aangebracht: niet alles is even heilig. Voor dat wat in een bijzondere mate heilig is, wordt de verbinding ‘heilige der heiligen’ gebruikt, dat wil zeggen het ‘allerheiligste’ of ‘hoogheilige’. Intensieve, gekwalificeerde heiligheid is aanstekelijk, brengt bij aanraking heiligheid voort. Dat geldt met name voor het binnenste gedeelte van het heiligdom, dat daarom ook het ‘heilige der heiligen’ of ‘allerheiligste’ heet, en voor het altaar. Wanneer de priester hier dienst gedaan heeft, moet hij de kleren die hij daarbij gedragen heeft, op een bijzondere (‘heilige’) plaats uittrekken; daarna kan hij zijn dienst in andere kleren voortzetten – waarvoor (omdat het nu eenmaal priesterkleren zijn en blijven) eveneens bijzondere voorschriften gelden, Leviticus 16:2324. Kleren waarop bloed van het allerheiligste (Lev. 6:29) zondoffer gespat is, moeten op een heilige plaats gewassen worden om ze weer naar een staat van ‘gewone heiligheid’ terug te brengen (Lev. 6:27); ook het vlees van het zondoffer werkt contaminerend. Het gaat er hier om dat vermeden dient te worden dat de heiligheidskwaliteit zich ongecontroleerd verspreidt.

Menselijke heiligheid blijft altijd op God betrokken

Wanneer van mensen gezegd wordt dat ze heilig (moeten) zijn, dan is die menselijke heiligheid niet op dezelfde manier een eigenschap als bij God. De heiligheid van een mens heeft de heiligheid (de ‘bijzondere bijzonderheid’) van God als grond en maatstaf: ‘Heilig zult gij zijn, want Ik, de Here, uw God, ben heilig’ (Lev. 19:2). Menselijke heiligheid in de Bijbel staatdaarom nog wel eens op gespannen voet met maatstaven van braafheid en deugdzaamheid. Sprekend voorbeeld hiervan is het verhaal van de priester Uzza die vanuit een reflex de ark van God vastgrijpt wanneer de runderen uitglijden die de wagen trekken waarop de ark vervoerd wordt: ‘En de toorn des Heren ontbrandde tegen Uzza en God sloeg hem daar om deze onbedachtzaamheid; hij stierf daar bij de ark Gods’ (2 Sam. 6:7). Omwille van de bijzonderheid van (de dienst aan) God greep Uzza in; maar de God van de ark is ‘op bijzondere wijze bijzonder’ en dat stempelt de spontane reflex van Uzza tot een doodzonde.

De wet is teken van Gods heiligheid

Onmiddellijk voorafgaand aan de openbaring van God op de berg Sinaï zegt Hij tegen het volk Israël: ‘En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk’ (Ex. 19:6). Waarin de heiligheid van het volk zal moeten bestaan, wordt in de daaropvolgende wetten en voorschriften met talloze details uitgewerkt. Met andere woorden: het wordt niet aan Israël overgelaten zelf passende manieren te bedenken om voor God heilig te zijn en zo Gods heiligheid naar Hem terug te spiegelen. Daarvoor is er de wet – die overigens in de Bijbel zelf nergens heilig heet – als uitdrukking van Gods heilige wil (vgl. Ex. 20:117; Lev. 19; Deut. 4-6).

Heilig zijn en heilig worden

Op veel plaatsen is heiligheid niet een toestand, maar iets dat tot stand gebracht moet worden, door God of door mensen. Het kan hier om heel verschillende dingen gaan en het is goed om een ‘subjectieve’ en een ‘objectieve’ manier van heiligen van elkaar te onderscheiden.

Wanneer gezegd wordt dat God (Ez. 36:23) of mensen (Jes. 29:23) de naam van God (d.i.: zijn wezen) heiligen, dan betekent dat natuurlijk niet dat die naam daarvóór niet ook al heilig was. Hier wordt bedoeld dat God de heiligheid van zijn naam bewijst, aantoont of dat mensen de heiligheid van Gods naam door hun overtuiging, hun woorden en hun daden erkennen. In deze gevallen was de heiligheid van de naam (‘objectief’) al aanwezig, maar er wordt een (‘subjectieve’) erkenning of bewijs van die heiligheid aan toegevoegd.

Wanneer gezegd wordt dat God het altaar heiligt (Ex. 29:44) of dat mensen (delen van) offers, wijgeschenken, mensen of tijden heiligen (men kan ook vertalen: ‘wijden’), dan gaat het erom dat door hen een heiligheid (‘objectief’) tot stand gebracht wordt, die er van tevoren zo niet was.

Zelfs in dingen kan een heiligende kracht wonen. Zo kan het (hoogheilige) altaar alles heiligen wat ermee in aanraking komt (Ex. 29:37), maar ook het vlees van de op dat altaar gebrachte offers heeft dit vermogen (Ex. 29:33; Ez. 46:20), evenals het bloed van de offers (Lev. 6:27). Ook de kleding van de priesters kan buiten het heiligdom het volk – op een ongecontroleerde en daarom ongewenste manier -heiligen (Ez. 44:19; vgl. Lev. 16:23-24). In al deze gevallen kan men het woord ‘heiligen’ omschrijven als ‘bijzonder maken’, ‘als iets bijzonders behandelen’, ‘in zijn bijzonderheid zichtbaar maken’.

In een bijzondere zin is het de taak van de priesters om tussen heilig en profaan en tussen rein en onrein te onderscheiden en het volk daarin te onderwijzen (Lev. 10:10; Ez. 22:26; 44:23). Het merkwaardige is daarbij dat heiligheid en onreinheid elkaar uitsluiten (Lev. 22:3-4), hoewel ongecontroleerd verspreide heiligheid in haar uitwerking dicht bij onreinheid komt.

Berust het verschil tussen heilig en profaan op een eeuwige orde?

We zagen dat in eigenlijke zin alleen God Zelfheilig is. De wereld kan heilig gemaakt worden en daarom alleen in een afgeleide zin heilig zijn. Heiligheid ligt niet in de scheppingsorde, al kunnen sommige (‘reine’) dingen wel, andere (‘onreine’) niet geheiligd worden. Eerst voor de heilstijd verwacht het slot van het boek Zacharia dat het verschil tussen heilig en profaan – althans voor wat Jeruzalem en Juda betreft – wegvalt. Op het diadeem van de hogepriester stond het opschrift ‘den Here heilig’, Exodus 28:36. Zacharia 14:20 opent het perspectief dat op de bellen van de paarden (onreine dieren!) ‘den Here heilig’ gegraveerd zal staan en dat niet alleen de gewijde potten en pannen voor de eredienst gebruikt zullen worden, maar alle potten en pannen uit Jeruzalem en Juda (Zach. 14:21). De bijzonderheid van God is zó groot, dat Hij Zich uiteindelijk door zijn eigen schepping niet laat begrenzen.

Het Nieuwe Testament

God, de Heilige, zijn heilige knecht Jezus en de Heilige Geest

Van God wordt een enkele keer gezegd dat Hij (ofzijn naam: Luc. 1:49) heilig is (Joh. 17:11; 1 Petr. 1:15; Op. 15:4), evenzo van zijn Knecht Jezus (Hand. 4:27 en 30); des te vaker wordt het echter gezegd van de Geest van God (vooral in Luc., Hand., Rom. en Hebr.). Jezus en de Geest van God hebben, op een andere manier dan (andere) mensen, deel aan de bijzonderheid van God. In de Openbaring aan Johannes 3:7 heet Jezus net als God (6:10) ‘de Heilige en Waarachtige’. Door zijn Heilige Geest handelt God – voor een deel via mensen met een bijzondere opdracht en volmacht, bijvoorbeeld de profeten – in de gemeente en in de wereld (zie bijv. Hand. 1:8; 4:25; 20:23). De Heilige Geest spreekt door de Schriften (van het Oude Testament!) tot de gemeente: ‘Mannen broeders, het schriftwoord moest in vervulling gaan, dat de Heilige Geest voorheen bij monde van David gesproken heeft aangaande Judas die de gids is geweest van hen, die Jezus gevangen namen’ (Hand. 1:16). De heiligheid van God heeft in de geschiedenis sporen getrokken in deze wereld; zo zijn de stad Jeruzalem en de (plaats van de) tempel heilig, maar ook de berg van de verheerlijking(2 Petr. 1:18).

De gemeente van Christus is eengeheiligde gemeenschap

In Exodus 19:6 opende God voor de Israëlieten aan de Sinaï het visioen dat zij ‘een koninkrijk van priesters en een heilig volk’ zouden zijn. In 1 Petrus 2:9 wordt dit (met de ietwat afwijkende woorden van de Griekse vertaling van het Oude Testament) geciteerd als iets dat in de christelijke gemeente werkelijkheid geworden is.

Op een vergelijkbare manier wordt over de individuele gelovigen gesproken. In de evangeliën (bijv. Mar. 1:24) en het boek Handelingen is een enkele keer van Jezus als de ‘heilige (Gods)’ sprake (Hand. 3:14; 4:27, 30). In veruit de meeste gevallen worden met het meervoud ‘(de) heiligen’ evenwel de gelovigen bedoeld, zoals dat ook al op enkele plaatsen in het boek Daniël (hoofdstuk 7) het geval is, vooral in de brieven van Paulus aan de Romeinen (bijv. 1:1; 8:27) en de Korinthiërs (bijv. 6:1) en in de Openbaring aan Johannes (bijv. 13:10).

Hoe het mogelijk is dat aan gewone stervelingen een dergelijke kwaliteit toegekend wordt, verraadt de opening van de brief van Paulus aan de Korinthiërs: ‘Paulus (…) aan de gemeente Gods te Korinte, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwege de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen’ (1 Kor. 1:2). De gelovigen in Korinte bezitten die heiligheid niet als een eigenschap die zij aan zichzelf te danken hebben. Zij zijn door een beslissing van God opgenomen in het gebeuren van Jezus Christus en daardoor ge-heiligd, heilig gemaakt. Maar dat is een kwaliteit die onwrikbaar vastligt omdat God op zijn besluiten ten voordele van de mensen niet terugkomt. Daarom zijn de ‘geheiligden’ ook werkelijk ‘heiligen’ en hoeven zij zich door de dagelijkse werkelijkheid die daarmee in strijd is, niet te laten ontmoedigen.

Wie heilig is, moet heilig worden

In het leven van de individuele gelovigen ziet dit er zo uit: als mensen die de ontferming van God door Jezus Christus voor hun leven aangenomen hebben, zijn zij heiligen. Als bevestiging van hun keuze hebben zij de Heilige Geest ontvangen, die sindsdien bij hen, in hun lichamelijke bestaan aanwezig is: ‘Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam’ (1 Kor. 6:19-20). Hun levenspraktijk moet nu met deze fundamentele verandering in overeenstemming gebracht worden, omdat de aanwezigheid van Gods Geest niet met een onheilige levenspraktijk samengaat.

Ook in deze situatie blijft de heiligheid van de gelovigen een kwaliteit waarvoor zij van God afhankelijk zijn: ‘En Hij, de God des vre-des, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn’ (1 Tess. 5:23). Het is dus niet zo dat God het begin maakt, terwijl zij het daarna zelf moeten doen. De heiliging door God is tegelijk een éénmalige daad en een proces dat pas aan het einde van hun leven voltooid is – een proces dat door God geleid en op gang gehouden wordt. Dat alles is geen reden om passief de dingen op hun beloop te laten omdat God het allemaal wel zal doen. In 2 Korintiërs 7:1 schrijft Paulus: ‘Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods.’

Een toekomst van heiligheid

In het Oude Testament had de profeet Zacha-ria het visioen van een Juda en Jeruzalem van de toekomst, waar de grenzen van de heiligheid tot ver in de profane wereld opgeschoven zouden zijn of misschien zelfs wel zouden wegvallen. In het Nieuwe Testament doemt een nog weidser perspectief op – dat van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde: ‘En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn’ (Op. 21:2-3). Onder deze omstandigheden is iedere vorm van tempeldienst overbodig, omdat de grenzen tussen de heilige God en zijn wereld niet langer een scheiding betekenen. De betrouwbaarheid van dit visioen is gegarandeerd door het Lam dat de Heer van de geschiedenis is. Voor de gemeente wacht dus een toekomst van heiligheid en zij mag haar leven nu al op die toekomst afstemmen. Vooruitgrijpend op die toekomst wordt nu al in de hemelse eredienst het ‘heilig, heilig, heilig’ (Jes. 6:3) gezongen (Op. 4:8).

Kern

Het bijbelse gebruik van het begrip ‘heilig’ maakt duidelijk dat de wereld niet een eenheid is. Er lopen breuklijnen in de werkelijkheid. Het zijn grenzen die niet teruggaan op een logische samenhang of natuurlijke scheiding, maar op een daad van God. Gód verkiesteen plaats om Zich daar met zijn naam te laten aanroepen (Deut. 12:5). Gód openbaart Zich op een – overigens willekeurige – berg. Door deze keuzes van God komt er verschil in de wereld: er komen heilige plaatsen, mensen, tijden en gebouwen. In het Nieuwe Testament wordt het begrip ‘heiligheid’ in zekere zin geestelijker, maar ook hier hebben mensen of dingen de kwaliteit van heiligheid niet in zichzelf, maar daarin dat zij door God geheiligd worden. Alleen God is ‘van nature’ heilig.

Overigens kunnen mensen ook wel dingen, bijvoorbeeld geschenken voor (de dienst van) God heiligen, maar de grenzen tussen het heilige en het profane – en daarmee de maatstaven voor wat geheiligd kan worden en wat niet – worden door God vastgelegd. Zo maakt het begrip ‘heilig’ duidelijk dat de wereld niet éénduidig is. Vele dingen – niet alles! er zijn ook dingen die in zichzelf (vooralsnog) ‘onrein’, dat wil zeggen niet ‘heilig-baar’ zijn – kunnen profaan, maar ook heilig zijn. De wereld is bestemd om (ge)heilig(d) te worden, Koninkrijk van God; zij wordt dat evenwel niet uit eigen kracht maar door een initiatief van God.

Een ander belangrijk aspect is dat heiligheid in de meeste gevallen een betekenis en een doel heeft. De dingen zijn of worden heilig vóór iets: voor de dienst aan God. Daarom is het niet de bedoeling dat heiligheid doel-loos, willekeurig overgedragen wordt (Ex. 29:33 vv, Lev. 6:27vv en 16:23v, zie boven).

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: priester, rein, tempel, wet.

< Terug