< Terug

‘Houd me niet vast!’

Wat speelt zich precies af tussen Jezus en Maria in de tuin bij zijn opstanding? Wat wil zijn resolute ‘Raak mij niet aan, houd me niet vast’ eigenlijk zeggen?

Het is vroeg in de ochtend en nog donker. Maria Magdalena komt bij het graf van haar geliefde Jezus. Tot haar grote ontsteltenis ziet ze dat het leeg is. Hoe kan dat? Wat is er gebeurd en waar is hij gebleven? Huilend buigt ze zich voorover. ‘Waarom huil je? Wie zoek je?’ vraagt iemand haar. Maria denkt dat het de tuinman is, maar als zij bij haar naam geroepen wordt – ‘Maria!’ – weet zij dat het haar meester, haar ‘rabboeni’ is. Ze wil hem vastpakken, aanraken en omhelzen. Maar Jezus is resoluut: ‘Houd me niet vast.’

‘Noli me tangere’

Op een fresco van de Italiaanse schilder Giotto di Bondone zien we Maria, geknield op de grond. Haar beide armen strekken zich naar Jezus uit. Hun ogen ontmoeten elkaar, maar zijn rechterarm maakt een afwerende beweging: ‘Noli me tangere’, ‘raak mij niet aan’, zegt zijn lichaamstaal. Giotto’s voorstelling van de ontmoeting tussen Jezus en Maria stoot mij af én trekt mij aan. Ik voel zowel huivering als fascinatie, neem deel aan wat de Duitse theoloog en godsdienstwetenschapper Rudolph Otto een ‘mysterium tremendum et fascinans’ noemt. Het is een paradox die mij nieuwsgierig maakt naar wat zich nu precies afspeelt tussen Jezus en Maria. Om daar achter te komen, ga ik te rade bij de evangelist Johannes die het tafereel in hoofdstuk 20,1-18 uitgebreid beschrijft.

Een intieme ontmoeting

Maria staat bij Jezus’ lege graf. Ze heeft aan de voet van het kruis gestaan en was getuige van zijn sterven. Nu is ze alleen en diepbedroefd. Naast volgelinge is ze ook ex-patiënte van Jezus. Die dreef bij haar, volgens evangelist Marcus, ‘zeven demonen’ (Marcus 16,9) uit.

Bij het hoofden voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus heeft gelegen, zitten twee engelen. Ze vragen Maria waarom ze huilt. ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben’, antwoordt ze. Dan kijkt ze om en ziet Jezus staan, zonder dat ze weet dat hij het is. ‘Waarom huil je?’, vraagt ook Jezus, en: ‘Wie zoek je?’

Maria denkt dat het de tuinman is; die weet wellicht waar het dode lichaam is, zodat ze het kan meenemen. Maar Jezus zegt tegen haar: ‘Maria!’, waarop ze zich omdraait en uitroept: ‘Rab boeni !’, ‘Meester!’

Wat een fascinerend moment is dit! Maria herkent Jezus pas als hij haar bij de naam noemt. Je naam: daarin ligt je hele wezen besloten, je eigen unieke identiteit. Het zou daarom de moeite waard zijn om eens na te gaan wat de etymologie ervan is. Waar komt mijn naam eigenlijk vandaan en wat zegt dat over mij? Over mijn verleden en mijn toekomst? Kan ik mij ermee verenigen of heb ik er problemen mee? Er zijn immers ook mensen die hun naam niet kunnen of willen dragen. Neem de vorig jaar overleden bokser en activist Cassius Clay, die na zijn bekering tot de islam Mohammed Ali wilde heten. Zijn Amerikaanse naam vertegenwoordigde voor hem het racisme en de blanke onderdrukking waar hij nu juist tegen vocht.

Voor Maria geldt dat niet: zij voelt zich door Jezus juist ten volle aangesproken. Het is een moment van grote intimiteit. Moet je je voorstellen: je dierbare, die dood was, is weer levend! Wie wil dat niet? En verlang je er dan niet hartstochtelijk naar om elkaar in de armen te sluiten en nooit meer los te laten? Om elkaars warmte te voelen, één te worden?

Intensere nabijheid

Ik herinner mij hoe ik ’s avonds mijn dochter Sientje in bed legde. Ze was nog klein. Eerst samen een boekje lezen, dicht tegen elkaar aan, en dan het afscheid. Een kus, en nog een kus. Ze was zó lief, met haar blonde krulletjes en bruine ogen. Zó lief dat ik steevast tegen haar zei: ‘Ik zou je wel willen opeten!’ Haar antwoord was ook altijd hetzelfde: ‘Dat kan niet, mama, want dan is er geen Sientje meer!’

Met haar reactie in mijn achterhoofd lees ik die van Jezus op Maria’s uitroep. ‘Houd me niet vast. Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader’, zegt hij. In eerste instantie komen die woorden op mij als een enorme domper over. Als een koude douche, een horrorscenario. Na een genadevol ogenblik van totale saamhorigheid verpest Jezus de pret door een grens te stellen: geen lijfelijk contact alstublieft! Hoe pijnlijk moet het voor Maria geweest zijn om Jezus meteen alweer los te moeten laten. Toch is de afstand tussen beiden, als ik er goed over nadenk, voorwaarde voor een nog intensere nabijheid. Als je een ander opeet, zoals ik dat wilde doen met mijn dochter, dan is er geen ruimte meer voor die ander om zichzelf te zijn, autonoom en vrij. Zo beschouwd zijn Jezus’ woorden niet afwijzend, maar juist bevestigend. Hij slaat Maria er niet mee neer, maar richt haar juist op. Hij lijkt te willen zeggen: ‘Houd niet langer vast aan wat was, maar richt je op de toekomst. Ik laat jullie niet alleen achter, maar geef je, als ik eenmaal ben opgestegen naar de hemel, van God uit mijn Geest. Die troost en zorgt ervoor dat mijn liefde iedereen bereiken kan, tot over de grens van de dood heen. Vertrouw erop dat ik altijd bij jullie zal zijn. Is mijn naam immers niet ‘Immanuël’?’

Nooit meer los

Van een benedictinessenzuster kreeg ik eens een prachtige kaart. Daarop staat, naïef geschilderd door Wilfried Joye, hetzelfde verhaal van Jezus’ verschijning aan Maria. Toch is er een belangrijk verschil met Giotto: Maria knielt niet, ze staat. Haar voeten vertonen sporen van bloed, net als die van Jezus. Het zijn bloedverwanten, zou je kunnen zeggen. Ook hier wijzen Maria’s beide armen naar Jezus, maar niet op de hunkerende manier die ik van Giotto’s fresco meen af te lezen. Maria wijst met haar gebaar weg van zichzelf, naar Jezus toe. Zijn handen zijn omlaag gericht. Hij kijkt niet naar Maria, maar naar voren, naar eenieder die zijn liefde beantwoorden wil. ‘Verrijzenis, Hij laat ons nooit meer los’, staat onderaan de afbeelding op de kaart. Erin is een gedicht opgenomen, dat een hoopvol perspectief biedt aan wie dacht onaangeraakt achtergelaten te zijn.

Het verhaal van het verbond

is het verhaal van elke mens

die vriendschap sluit

met het leven

en op de aarde vertrouwt,

die de kosmos ontdekt

en Diegene die er de ziel van is.

Het is het verhaal van elke mens

die zijn geweten volgt,

durft kiezen voor het goede

en dit beleeft als een eredienst

aan God.

Het is het verhaal van elke mens

die vriendschap sluit met Jezus

en op Zijn woord,

bezegeld door Zijn dood,

kan geloven in het eeuwig leven.

Het is het verhaal van een

prille liefde

die ontluikt en groeit

naar een verbondenheid

waar tijd geen vat meer op heeft:

nooit meer alleen.

Manu Verhulst

Deze bijdrage is een bewerking van een overdenking, uitgesproken tijdens een op 3 april 2016 op NPO Radio 5 uitgezonden Vermoedenviering.

< Terug