< Terug

‘Knippen en maaien moet ik tóch’

De Groene Kathedraal van Hazerswoude

In het Rietveld bij Hazerswoude staat de ‘Groene Kathedraal’, niet te verwarren met het landschapskunstwerk met dezelfde naam in Flevoland. De bouw ervan begon bij toeval: kweker Tom van Dijk had een paar beuken over en zette die op een rijtje. Er kwam een klokkentoren bij. ‘Toen dat er allemaal stond, ging het wel heel erg op een kerk lijken.’ Kunstenaar Jeroen Dijkhuizen maakte de raampjes.

Midden in het Rietveld – een polderlandschap in het Groene Hart en een gebied dat een kleine dertig jaar geleden nog alleen per boot bereikbaar was – is bij toeval een oase van rust ontstaan die door bezoekers als een heilige ruimte wordt ervaren. Dit toeval begint wanneer kweker Tom van Dijk (1953) in 1999 een stuk land aankoopt om zijn kwekerij uit te breiden. Omdat het stuk land te groot is om helemaal als kwekerij te gebruiken, zaait hij meteen het achterste stuk in met gras.

Tom van Dijk vertelt hoe de Groene Kathedraal tot stand gekomen is: ‘Om een scheiding aan te brengen tussen het gras en de tuin heb ik daartussen een dubbele rij beuken geplaatst. Die waren mislukt met enten en die heb ik daar schuin neergezet, met de gedachte ze maar te laten groeien. Als je beuken een paar jaar laat staan en laat groeien, krijg je een beetje een doorkijk. Dat had ik zo kunnen laten, maar ik had op een gegeven moment een partij stenen over. Daarvan heb ik op de kopse kant van het doorkijkje een muurtje gemetseld, waarin ik een kerkraam heb gezet. Helemaal niet met het idee om er een kerk van te maken. Dat was gewoon toevallig. Ik ben katholiek, ik ben grootgebracht met het geloof en met kerken, dus zo vreemd was het niet. Bovendien heb ik iets met een kerk als gebouw. De historie spreekt mij aan. Daarbij zitten fantasie en creativiteit er van huis uit bij mij in en heb ik in veel dingen interesse.

‘Ik ben niet zo’n weggooier’

Toevallig kon ik ook aan lange palen komen. Wij hadden vroeger van dat stroomdraad in het Rietveld en dat mag niet meer, omdat het te gevaarlijk is. Er bleven dus een heleboel palen over. Daarvan hebben er een aantal zo’n twee jaar bij mij langs de kant van de sloot gelegen en toen vond ik het zonde om daar brandhout van te zagen. Omdat ik toch al die twee rijen bomen had staan, leek het mij mooi om van de palen een uitkijktoren te maken en die ervoor te zetten. Daardoor werd het een beetje een geheel en ook de overgang tussen kwekerij en gras werd zo duidelijker. In eerste instantie eindigde de toren met een plateau, maar het leek net alsof het niet af was. Ik had ook nog wat oud ijzer liggen van een oude kas. Ik ben niet zo’n weggooier. In de winter zit ik in mijn loods een beetje na te denken en dingen te fabriceren, en beetje bij beetje rijpt er dan een idee. Je vraagt je af hoe je dat ijzer op verschillende manieren in elkaar kunt zetten. Ik heb dus een klokkentorentje bovenop de uitkijktoren gezet. Via internet heb ik een bel op de kop getikt.’

Van beukenrij naar kerk

‘Toen dat er allemaal stond, ging het inmiddels wel heel erg op een kerk lijken. Ik maakte daarom onder die beuken een constructie met ijzer. Bomen groeien alleen maar omhoog en ik wilde ze de bocht om hebben. Bij beuken gaat dat niet zo makkelijk en de dikkere takken breken snel. Maar met een beetje ombuigen hier en daar is het toch dicht gekomen en dan heb je een soort dak. Dat knip ik telkens bij, want ik wil dat de stam daaronder helemaal kaal is en de takken ernaartoe ook. De constructie is dat je eerst de stammen van de bomen hebt, dat zijn de pilaren in de kerk en die vertakken zich. Die takken moeten kaal blijven zodat het dak daar organisch op rust. Het dak zelf mag lekker groeien. Pas later zag ik bij mijn buren een fotoboek over de Sagrada Familia in Barcelona. Ik kende dat gebouw helemaal niet en ik zag dat die kerk ook een organische structuur heeft. Daar is het allemaal dood spul en ik heb hier een levende staan. Maar dat is allemaal achteraf. Bij mij kon het niet anders. Ik vond dat je die takken zo moest zien lopen.

Aan de zijkant had ik er raampjes in gemaakt, die ik overtrokken had met gaas met een wybertjesmotief. Ik heb wel eens gezegd: als ik nou echt niet meer weet wat ik moet doen, ga ik er ook glas in zetten. En toen kwam Jeroen Dijkhuizen die dit soort ramen maakt. Het kwam in een stroomversnelling. Ik heb hem de vrije hand gegeven; hij is goed thuis in de Bijbel en hij heeft zelf gekozen wat hij er wilde neerzetten.

Het geheel leek mij een mooie plek om gewoon even rustig te zitten. Ik had wat steigerhout en daar heb ik bankjes van in elkaar geschroefd. Daarna heb ik de grot waarin Maria staat in elkaar geknutseld.’

Ruimte om tot rust te komen

‘Ja, dan heb je zoiets staan en het leek ergens op, dus ik zei: “We zetten een bord neer, dan kunnen er ook andere mensen komen.” Kijk, knippen en maaien moet ik toch, als anderen er ook van willen genieten, dan is dat toch mooi. We hebben hier wel eens een weilandviering gehad. Dat was de startzondag van de parochie. En er is een keer een groep leraren geweest vanwege de sluiting van het schooljaar. Iemand zou toegesproken worden. Toen heb ik een pallet uit elkaar getrokken en een preekstoel in elkaar getimmerd.

Halverwege het pad naar de kathedraal heb ik een soort muziekpodium gemaakt, dat we de Engelenbak genoemd hebben. Daar is wel eens een trouwerij geweest en een yogagroep. Het is goed dat de Engelenbak wat bij de Groene Kathedraal vandaan ligt, want ik vind dat daar een beetje rust moet zijn. Mensen komen steeds terug. Ze zetten een kaarsje neer bij Maria en er worden ook andere dingen neergezet. We hebben een boekje liggen waarin bezoekers iets kunnen schrijven. Daar staat best vaak in dat ze hier rust vinden. Er is ook een siertuin bij waar je kunt wandelen of op een bankje zitten.

‘Tja, wat heet heilig? Ik ben er graag’

Ik vind de Groene Kathedraal wel een heilige ruimte. Het is er stil en er zijn geen omgevingsgeluiden. En ja, wat heet heilig? Ik ben er graag. Er zijn mooie stukken in de tuin. Ik zit ’s avonds soms tien minuten op een bankje en dan zie je het licht van de ondergaande zon. Zoals die dan schijnt! En dan af en toe een ruisje van de wind. Dat geruis van de wind door de bomen is exact hetzelfde geluid als van de golven op de kust. Je hoort het komen en je hoort het weer gaan. Ik voel mij gezegend, dat de creativiteit om dit te maken in mij zit en dat die zich ook heeft ontwikkeld.’ Jeroen Dijkhuizen (1948) maakte voor de Groene Kathedraal ramen met bijbelse taferelen. Hij komt uit een gereformeerd gezin met, zoals hij dat zegt, ‘een heel wijde blik’. Hij is onder andere leraar handvaardigheid en tekenen geweest en heeft daarnaast allerlei opleidingen gedaan, zoals de gouden zilversmidopleiding in Schoonhoven. Hij heeft stiltecentra ontworpen en in Noord-Frankrijk meegeholpen met de restauratie van een kerk uit de 11e eeuw, waarbij hij de ramen voor zijn rekening nam. Ook voor de Ontmoetingskerk in Waddinxveen, voor een advocatenkantoor in Rotterdam en voor nog zo wat heeft hij ramen gemaakt. In de Groene Kathedraal maakte hij vijf raampjes met daarop onder andere de Emmaüsgangers en de Barmhartige Samaritaan. Nu is hij bezig met ramen voor de Engelenbak.

‘Ik was in één keer helemaal weg van die plek’

Hoe is hij bij de Groene Kathedraal terechtgekomen en wat betekent die voor hem? ‘Mijn vrouw en ik fietsten een keer door het Rietveld en we zagen toevallig het bord met “de Groene Kathedraal”. Ik was in één keer helemaal weg van die plek. Die plek heeft iets. Er stonden al een bank, een altaar met een Mariabeeld en wat parafernalia. Ik zag een leeg raampje met gaas erin en ik wilde daar aan het werk. Maar ja, je kunt jezelf toch niet zomaar opdringen. Ik had al gemerkt dat werken aan een kerkraam toch iets anders is dan aan een raam voor een advocatenkantoor. Bij een kerkraam maak ik dingen die iets te maken hebben met, noem het maar God. Dat heeft voor mij een meerwaarde.

Drie jaar later, in 2015, zat het nog steeds in mijn kop, dus toen heb ik Tom opgebeld: “Je kent mij niet, maar ik ben net in de kathedraal geweest en het is wel jammer dat er geen raampjes in zitten. Ik ga daar raampjes in maken.” Ik wilde dat omdat ik dat kon. Met de vijf raampjes ben ik ongeveer twee jaar bezig geweest. Iedereen zegt wel glas-in-lood, maar het is een techniek met opgeplakt glas. In de Engelenbak ben ik nu bezig met ramen rond de vier seizoenen.

Het probleem met de Engelenbak is dat er geen binnenen buitenruimte is. Het is een transparant gebouw. Vandaar dat ik het glas op beide kanten geplakt heb. In de Groene Kathedraal zelf heb je meer binnenruimte, maar ook contact met de buitenruimte. Als je naar de afbeelding van de Emmaüsgangers kijkt, zie je een sloot. Dat vind ik fantastisch. Je ziet ze lopen in dat landschap en dat was de bedoeling.’

Je voelt je senang

‘Wanneer wordt een ruimte, ruimte? En wanneer wordt het een heilige plek? Het is niet zo dat het afgesloten moet zijn. De Engelenbak is bizar transparant. De Engelenbak laat de transparantie van het heilige zien. In het 11e-eeuwse kleine kerkje waaraan ik meegewerkt heb, en sta je van binnen kijken. Daar ervaar ook echt als buiten. eigenlijk altijd van dan zie je het beter, bij de Engelenbak Kathedraal heb je en toch heeft het Dat is het mooie heeft het altijd over: wereld. Je staat met en je kijkt uit op de dit geval een heel pretentieloze grasmat. is, denk ik, ruimte zo.

‘Je ziet de Emmaüsgangers lopen in het landschap’

Wat maakt een stilteruimte tot stilteruimte? Er wordt dan veel gespeeld met parafernalia. Dat mag van mij, maar daar gaat het niet om, dat is decorum. Voor een echt heilige ruimte moet je bij de architect zijn. Het gaat om de maat en hoe die zich verhoudt tot de wereld. Dat ervaar je niet in eerste instantie zo. Je ervaart als je ergens binnenkomt de ruimte op zich en je weet nog niet hoe het zit. Maar de maat is bepalend voor de sfeer. Architectuur is mensen in een ruimte leiden naar een plek waar je moet gaan zitten of gaan staan. Dat is wat een ruimte tot ruimte maakt. En wat het heilig maakt, zijn de dingen die daarnaar verwijzen, zoals een altaar. Bezoekers herkennen de Groene Kathedraal als kerkruimte. Je komt er door het torentje binnen en je ziet iets als een altaar. Het bijzondere is dat bomen hun eigen architectuur bouwen. Een boom ontsluit geen ruimte, hij neemt ruimte in. Maar zie je er twee tegenover elkaar staan, dan vormen zij een binnenruimte.

Ik vind het terrein van de Groene Kathedraal een heilige ruimte. Het is misschien een rare uitspraak, maar ik geloof in mystiek. Hoe mysterieus is het niet dat je je senang voelt als je ergens bent. Als ik bij de Groene Kathedraal thedraal kom, weet ik dat ik daar uren zou kunnen blijven zitten. Mensen die daar komen, blijven ook terugkomen. Niet een keer, maar meerdere keren. Die vinden dat dus ook een bijzondere plek. Als je ze vraagt waarom, zeggen ze: “De stilte. Dit is een plek om te mediteren.” Er is een bankje dat een beetje in het riet staat en daar voel ik mij gelovig. Daar zit ik meestal op. Niet lang, want ik loop altijd rond te slenteren en te kijken of er iets kapot is en dan plak ik het weer. Maar voor mij is de Groene Kathedraal een heilige plek, waar ik graag af en toe even heen ga.’

Tanja van Leeuwen doet onderzoek naar wat vrouwen beleefd hebben aan deelname aan vrouw-en-geloofgroepen en is redactielid van Herademing.

< Terug