< Terug

Missionaire mindsets van voorgangers binnen de Protestantse Kerk

‘De Weg heeft ook een berm’

In de zomer van 2014 deed de Protestantse Kerk in Nederland onderzoek onder haar predikanten en kerkelijk werkers naar hun beleving van het werk.[1] Er werd onder meer gevraagd op welke terreinen zij het meest bevlogen werkten. Het onderzoek liet zien dat de onderzochte voorgangers het meest bevlogen waren over hun voorgaan in de zondagse eredienst. Niet minder dan 83% van de respondenten was daar bevlogen over. Onderaan de lijst van bevlogenheid bungelden missionair werk (15%) en diaconaal werk (8%). Deze scores gaven en geven te denken. Is de gemiddelde predikant en kerkelijk werker zo sterk naar binnen gericht dat de wereld buiten de kerk nauwelijks bevlogen tegemoet wordt getreden? En is werkelijk ook maar heel weinig diaconale bevlogenheid?

In het kader van zelfonderzoek deed de Protestantse Kerk recent onderzoek naar de missionaire ‘mindset’ van haar predikanten en kerkelijk werkers. Nu niet via een enquête, maar via diepte-interviews. Met veertig van hen – aselect gekozen – werden gesprekken gevoerd, met daarbij ook aandacht voor theologische thema’s.

In dit artikel doe ik verslag van met name dit theologische deel van het onderzoek.[2] Vooral drie thema’s komen daarbij aan de orde: het mogelijk unieke van de christelijke traditie in vergelijking met andere religieuze of seculiere zingevingskaders, de persoon van Jezus in de (missionaire) communicatie en tenslotte de invulling van soteria en haar tegenhanger ‘verloren gaan’. Aansluitend plaats ik de uitkomsten van het onderzoek in een breder kader en reflecteer ik op enkele uitkomsten. Daarbij eindig ik telkens met een of twee inhoudelijke vragen rondom missionaire communicatie. Maar voordat ik daartoe overga, introduceer ik de groep van respondenten kort via andere vragen uit het onderzoek.

Enkele karakteristieken van de onderzochte voorgangers

In totaal hebben 32 predikanten en 8 kerkelijk werkers meegedaan. Onder hen waren 15 vrouwen en 25 mannen. We hebben de voorgangers – met enige vrijheid in de vertaling – de zogenaamde five marks of mission voorgelegd met de vraag voor welke twee ze de meeste passie hebben.[3] De scores waren als volgt:

Dimensie missionair kerk-zijnFrequentie
Verkondiging van het Goede Nieuws van het Koninkrijk aan mensen die het niet kennen (evangelisatie)19
Het onderwijzen, dopen en doen groeien van nieuwe gelovigen13
Lenigen van menselijke nood door liefdevolle diaconie22
Het omvormen van onrechtvaardige structuren, het ageren tegen elke vorm van geweld en het zoeken van vrede en verzoening12
Het werken aan het behoud van de schepping en het zoeken naar een ecologisch verantwoord leven11
De herkenning in de five marks of mission onder de 40 respondenten

‘Praktisch christendom’ scoort het hoogst. Om de eerste mark wat op scherp te zetten, hebben we ‘evangelisatie’ tussen haakjes toegevoegd. Hoewel voorgangers voor de rest het woord ‘evangelisatie’ niet of nauwelijks gebruikten, heeft het hen niet afgeschrikt om deze mark frequent te noemen. Er lijkt wel degelijk verlangen te bestaan om het Evangelie te delen met hen die het niet kennen.

In haar onderzoeken werkt de Protestantse Kerk standaard met een indeling in ‘bloedgroepen’ waarmee de onderzochten zich kunnen identificeren. Ze kunnen daarbij meerdere mogelijkheden aankruisen. ‘Protestants’ scoorde het hoogst onder de respondenten (18x), gevolgd door ‘Oecumenisch’ (16x) en ‘Vrijzinnig’ (13x). Minder frequent werden ‘Confessioneel’ en ‘Midden-orthodox’ gekozen (beide 9x). Onder de non-respondenten – zij die niet aan het onderzoek wilden of konden meedoen – waren orthodoxe voorgangers oververtegenwoordigd. Dat betekent dat de aselecte steekproef niet zonder meer representatief is. Daarvoor was het aantal respondenten sowieso al te klein, maar daar komt de ‘scheve’ non-respons dus nog eens bij. Het is goed dit gegeven vast te houden bij het vervolg van dit artikel.

Heeft de christelijke traditie iets unieks?

Stefan Paas formuleert in een publicatie van de Wereldraad van Kerken over evangelisatie een scherpe vraag: ‘is er iets dat onze buren alleen maar kunnen vinden in de christelijke geloofsgemeenschap en nergens anders?’[4] We hebben in ons onderzoek deze vraag ook voorgelegd aan de predikanten en kerkelijk werkers: ‘heeft de christelijke traditie iets unieks, iets wat je elders niet vindt?’

Slechts een enkeling aarzelde over de uniciteit van de christelijke traditie (‘aanmatigende vraag!’), vrijwel alle ondervraagden antwoordden positief op deze vraag. Hun antwoorden zijn daarbij overigens wel veelkleurig. Ze kenmerken zich overwegend niet door klassiek kerkelijk jargon. De persoon van Jezus (Christus) wordt het meest genoemd als unieke gestalte in de christelijke traditie. Dat zal ook geen verbazing oproepen. Hij is immers naamgever en ‘handelsmerk’ van de christelijke traditie. Hij wordt daarbij overigens wel heel verschillend getypeerd: ‘voorbeeldfiguur’, ‘loser’, ‘de ware mens’, ‘de bril waardoor wij God ‘lezen’, ‘de mens van de tegenstem’. Een begrip als ‘genade’ wordt ook herhaaldelijk genoemd, veel frequenter dan bijvoorbeeld ‘vergeving’ en ‘verzoening’. Genade wordt vaak gekoppeld aan zijn persoon, maar niet altijd:

Hij is voor mij de bron van inspiratie. De verlossing (Jezus gestorven voor mijn zonden) is niet mijn lijn, het exclusieve. Zijn levensweg is verlossend voor mij, Hem volgen is bevrijdend voor mijzelf. Jezus is heel includerend. De genade van God gaat vooraf aan heel het leven, dat is centraal voor mij. Dat is ook al vóór Jezus. (interview 11)

Onvoorwaardelijke liefde wordt in dit verband ook een paar keer genoemd. Klassieke aanduidingen van Jezus als Heiland of Verlosser komen we niet tegen.

Hoe exclusief is Jezus?

Het unieke van het christelijk geloof cirkelt rond Jezus. Zo kunnen we de gevoerde gesprekken wel samenvatten. Niet iedereen noemt hem bij name, maar vrijwel steeds is er focus op wie hij was/is en hoe hij optrad, leed, stierf en opstond. Maar zijn uniciteit wordt vooral als inclusief beleefd. Hij is inclusief in zijn handelen en sluit mensen niet uit, maar juist in. Hij is royaal en gaat over gangbare grenzen heen. Mensen kunnen zichzelf wel voor hem afsluiten. Jezus is uniek, maar niet exclusief, zo zouden we de meeste typeringen misschien wel kunnen samenvatten. Het idee van ‘de weg, de waarheid en het leven’ in de exclusieve zin van het woord lijkt niet echt te leven. Slechts een paar geïnterviewden wijzen op het unieke van Jezus Christus dat tevens exclusief is. Een van hen nuanceert dat overigens ook direct weer:

Op de kansel spreek ik over Heer en Redder. Maar daarmee kun je niet missionair communiceren. Dan presenteer ik hem eerder als bizar, anders, iemand die heel veel van wat wij zien als het goede ons al heeft meegegeven 2000 jaar geleden. Hoe inclusief of exclusief is hij? Hij is de weg de waarheid en het leven. Maar ik zeg dan vaak: een weg heeft ook een berm en hoe breed die is, dat weet niemand. (interview 32)

Het idee dat er meer wegen naar Rome leiden, leeft breed onder de groep respondenten. Ze zoeken verbinding. Zo bijvoorbeeld deze predikanten:

Omdat in exclusiviteit zo maar de gedachte kan schuilen dat je je af zou gaan zetten tegen de ander. De beweging tegenover die ander. Daar wil ik heel erg voor waken. Ik ben altijd op zoek naar verbindende krachten. Hoe meer mensen vanuit hun eigen achtergrond, hun eigen levensovertuiging, hun eigen geloof mee willen werken aan vrede en gerechtigheid, aan heelheid van de schepping, hoe liever het mij is. En daar hebben we als christenen een belangrijke – zelfs een unieke – bijdrage aan te leveren. (interview 22)

Hij is de kern waar het om gaat, het geloof in Jezus is mijn drijfveer, diep van binnen. Hoe inclusief of exclusief: dat is een heel spannende vraag. Zeker in onze multiculturele samenleving. Maar ik denk dan vaak aan wat Paulus zegt: je moet vrede houden, zoveel mogelijk, met alle mensen, het is niet aan ons om mensen te oordelen. Ik moet authentiek zijn in mijn geloof, dat is mijn opdracht. Het is niet mijn missie om anderen te overtuigen van mijn gelijk. Belangrijk is om samen het goede te doen. (interview 30)

Concentratie op het hier en nu

We vroegen naar de invulling van soteria, het Griekse woord dat we doorgaans vertalen met ‘behoud’, ‘redding’, ‘verlossing’. Welke invulling geven de voorgangers aan dit begrip? Het viel op dat ze bij redding primair aan het hier en nu denken. Redding vindt primair in dit leven plaats door opname in de gemeenschap, door heling, door herstel van basisvertrouwen, door een veranderde manier van leven, door het openstaan voor de ander, door gezien en gekend worden (ook door God), door een leven in liefde en gerechtigheid enzovoorts. Vanuit de Bijbel werden Zacheüs en de vrouw uit Johannes 8 genoemd. Jezus redt hen. Soteria krijgt daarmee misschien wel vooral een relationele en sociaal-maatschappelijke invulling, met tegelijk een min of meer vloeiende verbinding met God en zijn toekomst. Een voorbeeld:

Voor mij is dat: tot bestemming komen. Het verloren gaan, dat is je bestemming missen, afgesneden zijn van God, van rechtvaardig leven, in liefde leven. Jezus wijst mij op die weg. Redding is niet een beloning van later, zieleheil, daar maak ik me geen zorgen om. De mens is in God geborgen, het goede en het kwade. Verloren gaan is daar het lijntje mee kwijt raken. (interview 11)

In de laatste zin reageert deze predikante op onze vraag hoe ze ‘verloren gaan’ verstaat. Een woord als ‘redding’ heeft onheil als context: we moeten ergens van gered worden. En als dat niet lukt, dan kan er iets (of iemand) verloren gaan. Het Nieuwe Testament kent oordeel en gericht dat voor de mens verkeerd kan uitpakken. Het kan hem scheiden van het leven met God en zo kan zijn leven ‘verloren gaan’. In met name orthodoxe kringen vinden we hiervan een echo, maar onze respondenten waren op dit punt overwegend heel terughoudend. ‘Verloren zijn’ of ‘verloren gaan’ werd vooral betrokken op ons huidige leven. Mensen kunnen er in dit aardse bestaan verloren bij staan of er verloren bij lopen, ze kunnen zich verloren voelen, niet gezien of gekend worden of in een doem blijven hangen. Mensenlevens gaan ook letterlijk verloren in een vaak meedogenloze wereld. Het hier en nu vraagt al onze aandacht.

We zien hier in zekere zin parallellen met het denken van Eckhart Tolle, zoals Gert-Jan Roest dat schetst in dit nummer. Het komt aan op het hier en nu. Slechts een kleine minderheid van de voorgangers meent dat er voorbij onze lichamelijke dood wel degelijk consequenties vastzitten aan een leven zonder God. Maar ook dan is er vaak voorzichtigheid en terughoudendheid:

Er is een leven na de dood. Redding is dat Jezus je dat geeft. Dat kan ook nu al in dit leven zichtbaar zijn, er zijn glimpen van te zien. Verloren gaan, dat is er zeker wel, maar ik ben heel aarzelend om daar invulling aan te geven. Het is niet een stok waar ik mensen mee om de oren sla. Er zijn teksten waar het schuurt, maar die wil ik wel echt lezen, ook de apocalyptische stukken, die vragen echt om een keuze. Maar wie dat betreft, dat laat ik liever open. Ik ga niet uitspinnen wat er gebeurt als je tégen kiest, maar ik probeer te laten zien wat er gebeurt als je vóór kiest. Dat geeft perspectief, en hoop. (interview 8)

In grote meerderheid doen de geïnterviewden geen uitspraken over ‘eeuwig verloren gaan’. Ze zijn zich bewust van hun begrenzing en laten dit over aan Gods goedheid en wijsheid. We zouden dit met Philip Wall ‘soteriological agnosticism’ kunnen noemen.[5] Een op de drie respondenten geeft expliciet aan dat ze niet kunnen geloven dat bij God mensen definitief verloren gaan. Twee citaten ter illustratie van deze beide posities:

Redding betekent voor mij iemand uit mensonwaardige omstandigheden halen. Zoals houdingen, structuren, denkpatronen, psychische moeite etcetera. Ik ben niet zo van dat je alleen gered wordt door Jezus Christus. Ik vind oprecht dat wij niet gaan over verloren gaan voor de eeuwigheid. Ik weet ook niet of een mens voor de eeuwigheid verloren kan gaan, dat is niet aan mij. Ik ben daar ook niet mee bezig. (interview 26)

Je kunt je menselijkheid verliezen, doordat je niet bent, wordt, handelt wie je zou moeten, mogen, kunnen zijn: mens voor een ander en jezelf. Maar verloren in het kader van een hiernamaals, daar geloof ik niks van. Alles komt voort uit de Goddelijke Liefde en keert daarin ook weer terug. (interview 1)

Er zijn meer wegen naar Rome

In onze authenticiteitscultuur is er doorgaans geen religieuze autoriteit waarvoor we hebben te buigen, maar zoeken we ‘van onderop’ naar een bevredigende spiritualiteit, seculier dan wel religieus. Elke levensbeschouwing is optioneel: je kunt haar kiezen, maar er is geen enkele noodzakelijkheid, er is geen stok achter de deur. Daarbij kunnen we ook naar hartenlust overtuigingen en praktijken combineren die voorheen onverenigbaar waren of in ieder geval leken te zijn. Sancties die ons zouden kunnen worden opgelegd door een religieuze autoriteit ontbreken. Een noodzaak om ons leven voor de eeuwigheid te bewaren, wordt nauwelijks meer gevoeld. Dat geeft uiteraard heel veel speelruimte, zowel voor onszelf als voor de ander die we in onze missionaire communicatie tegenkomen. Predikanten en kerkelijk werkers zoeken in deze veelkleurige, ‘optionele’ samenleving hun weg. De volgende citaten zijn op dit punt veelzeggend:

Jezus is heel duidelijk een voorbeeldfiguur, die ons menselijk leven heeft gedeeld met hoogteen dieptepunten, die zijn levensopdracht trouw is gebleven. Exclusief: Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven. En inclusief: God kan in meerdere mensen en godsdiensten spreken. En ik zit op die laatste lijn. Jezus is voor ons in het Westen het gezicht hoe wij God leren kennen en in die zin is Jezus niet exclusief. (interview 29)

Mijn grondtoon is dat Jezus er voor iedereen is. En of die mensen het nou aannemen of niet, dat vind ik wat minder belangrijk. Ik ben er niet van dat je Jezus móet aannemen, dat is voor mij allemaal veel te subjectief. Jezus is er voor iedereen. Ik hoop dat je daar instapt, maar daar hangt het niet vanaf. (interview 17)

Misschien is dit laatste citaat wel een kernachtige formulering van de attitude van een meerderheid van de predikanten en kerkelijk werkers. Ze hopen dat mensen willen ‘instappen’, want dat is werkelijk heilzaam, maar ook als ze dat niet doen, is er geen man (m/v) overboord. De liefde van God is royaal. Drang en dwang zijn uit den boze.

Missionaire revival?

Tot zover enkele resultaten van het onderzoek. Hieronder volgen een aantal reflecties bij de resultaten, steeds uitmondend in een of twee missionaire vragen.

Aan het begin van dit artikel refereerde ik aan een onderzoek uit 2014. Daarin scoorden missionair en diaconaal werk heel mager. In de interviews lag dit anders. Opmerkelijk is bijvoorbeeld de hoge score op de derde mark, het ‘lenigen van menselijke nood door liefdevolle diaconie’. Deze is zelfs hoger dan die op de eerste mark, waarin het gaat om missionaire verkondiging. Missionaire en diaconale presentie komen – anders dan in 2014 – dus bepaald niet als stiefkindjes tevoorschijn. Nu zijn beide onderzoeken uiteraard niet goed vergelijkbaar, maar zou het kunnen dat de missionaire revival binnen de Protestantse Kerk – denk bijvoorbeeld aan de grote inzet op pionieren – toch een kerkbreed effect heeft gekregen? Zijn ook de ‘gewone’ gemeente en haar voorgangers mee gaan bewegen richting een grotere missionaire en diaconale openheid?

‘Gestorven voor onze zonden…’

Het valt op dat de lijn van Jezus’ plaatsvervangend lijden en sterven niet sterk terugkeert in de gesprekken. Dat spoort met een eerder onderzoek van PKN-predikant André Verweij naar ‘soteriologische arrangementen’ in preken, gehouden in de Veertigdagentijd.[6] Hij onderscheidt vier arrangementen, waarvan het eerste, dat van de redemptive proximity, het meest voorkomt: Jezus deelt ons leven, is ons nabij, ook in het lijden. Jezus’ lijden en sterven als een arrangement tussen de Vader en de Zoon omwille van ons komt zeker ook voor, maar is niet dominant. Jan Martijn Abrahamse komt in zijn artikel in dit nummer tot een soortgelijke conclusie. Ook op de door hem onderzochte pioniersplekken domineert de heilzame nabijheid van Jezus. In de interviews zien we maar heel weinig expliciete verwijzingen naar dit plaatsvervangend en verzoenend lijden en sterven. Sommigen vragen er echter juist wel echt aandacht voor.

Het principe van vergeving vind ik uniek in het christelijk geloof. Dat er niets voor nodig is om weer met God in het reine te komen. Je hoeft er niet voor te betalen, je hoeft er geen offers voor te brengen. Je hoeft alleen schuld te belijden, dat is in principe genoeg om weer met jezelf, met God, met de ander weer in het reine te zijn. Dat vind ik ook wel the unique selling point van het christelijke geloof. Als psycholoog weet ik ook hoeveel goeds vergeving kan doen met de mens. En er is zoveel onmin in de samenleving, je zou hier veel meer op in kunnen zetten. Dat heb ik in mijn vorige gemeente ook gepropageerd. Bijvoorbeeld in het proces van samengaan van Hervormd en Gereformeerd heb ik gepleit voor een week van verzoening, voorafgaand aan die gesprekken. Dan kreeg ik wel altijd de kritiek dat ik een idealist ben, dat het toch niet haalbaar is. Maar dan wees ik er toch op dat het volgens mij de kern is van wat ons samenbindt. Ik heb nog steeds wel iets met de verzoeningsleer, of eigenlijk heb ik wel veel met de verzoeningsleer, gericht op Christus, maar ik ben geen biblicist of iemand die niet mee wil gaan met het moderne denken over geloof en theologie. (interview 18)

Deze predikant bepaalt ons bij het existentiële thema van schuld, vergeving en verzoening en de plaats van Jezus’ lijden en sterven daarbinnen. Ik plaats er een paar observaties bij. Gert-Jan Roest schrijft dat in de gesprekken die hij jarenlang als pionier-voorganger voerde met twintigers en dertigers het thema schuld in de beleving van zijn gesprekspartners niet het meest existentiële was. Gevoelens van schaamte en machteloosheid waren dat eerder.[7]

Maarten Vogelaar zegt in het interview in dit nummer iets vergelijkbaars. Hij wijst vervolgens op het probleem – de zonde? – van het ‘mindless’ zijn. Geest, ziel en lichaam zijn gedesintegreerd. We zullen moeten zoeken naar nieuwe verbindingen.[8] Illustratief voor de soteriologische verschuivingen die gaande zijn, is misschien ook het loslaten van de brugillustratie door de orthodox-evangelicale studentenbeweging de Navigators. Decennialang werkten ze in de vorm van een tekening met deze eenvoudige voorstelling (Jezus als enige en noodzakelijke brug die de kloof tussen de heilige God en de zondige mens kan overbruggen), maar in toenemende mate ervoeren ze deze illustratie als te smal. Heil is ‘multi-relationeel’, er is meer dan enkel verzoening met God. Vanouds is het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus altijd een belangrijk soteriologisch motief geweest, zeker ook omdat onze eeuwigheid ermee gemoeid was. Maar hier zien we dus een kentering.

Geloven is minder ‘zondemanagement’ en ‘(eeuwigdurende) levensverzekering’ en meer een bron van bevestiging, levensvernieuwing en sociaal engagement in het hier en nu. Goede Vrijdag als beslissend moment in de heilsgeschiedenis heeft een minder prominente plaats gekregen ten gunste van de jaren van Jezus’ openbare optreden die er aan voorafgingen. Het accent lijkt te zijn verschoven van ‘zijn doen voor ons’ naar ‘zijn voordoen voor ons’. In een Duitse publicatie wordt die verschuiving in klassieke dogmatische termen verwoord: ‘heil’ is niet meer primair of zelfs exclusief infralapsarisch, gericht op de zondige mens, maar zeker ook supralapsarisch, gericht op ‘human flourishing’.[9] Is daarmee de vraag naar schuld en (bemiddeling van) vergeving minder urgent?[10] Vraagt missionaire communicatie van het Evangelie om meer aandacht voor bijvoorbeeld schaamte, machteloosheid, prestatiedruk, eenzaamheid en polarisatie? Stefan Paas’ artikel in dit nummer is een voorbeeld van een poging om rond het laatste probleem ook in theologische zin echt verder te komen: het stichten van grenzen doorbrekende gemeenschappen in een sterk gepolariseerde en ‘verbubbelde’ samenleving.

Gesprekken over ‘heil’ te weinig gevoerd?

In een recent handboek over religieus leiderschap formuleren Stefan Paas en Joke van Saane twee vereisten om gezag te verwerven op de vrije markt van religie en zingeving. Ik beperk me op deze plek tot de eerste eis: ‘een besef van missie, een diepgevoelde overtuiging dat hij of zij (of eerder nog: zijn of haar gemeenschap of traditie) iets te bieden heeft dat nergens anders gevonden kan worden.’[11] Paas en van Saane zijn streng rond deze eis: ‘Kerkleiders kunnen het zich niet veroorloven om vaag of onduidelijk te zijn op dit terrein; zij moeten een min of meer gearticuleerd idee hebben wat er goed is aan christen-zijn.’[12] Daarmee leggen ze belangrijk huiswerk op het bordje van voorgangers en gemeenten. Lang niet altijd wordt in de gemeente het gesprek hierover gevoerd, ook niet bij missionaire zoektochten.[13] Het viel ons op bij de interviews dat meerdere predikanten en kerkelijk werkers ons na afloop bedankten voor het gesprek. Ze ervoeren het gesprek als verdiepend en verrijkend. We kregen daarbij soms de indruk dat ze niet veel plekken hebben waar dit thema echt aan de orde kan komen.

We zagen overigens in de antwoorden van de voorgangers dat ze goed kunnen verwoorden wat het christelijk geloof de moeite waard maakt. Maar hier lijkt nog wel winst te kunnen worden geboekt door het gesprek over de stellingen van Paas en van Saane echt gemeentebreed te agenderen. De inzet van de gemeente voor humaniteit deelt ze met tal van andere, al dan niet religieuze, levensovertuigingen. Die inzet is zondermeer wezenlijk en onopgeefbaar voor de christelijke gemeente, maar er ligt hier – in marketingtermen – geen unique selling point. Dat brengt me bij de vraag of zo’n punt er wel is en zo ja, welke het dan is en hoe je deze dan zou kunnen communiceren. Of moeten we in onze multireligieuze samenleving de vraag naar de uniciteit van de eigen traditie achter ons laten en alle kaarten zetten op wat verbindt in het zoeken naar toekomst voor mens en maatschappij?

Tussen comfort en challenge

Ik verlaat aan het slot van dit artikel het uitgevoerde onderzoek en grijp terug op mijn openingsartikel in dit nummer. Henri Nouwen benadrukt sterk de bevestigende kant van het evangelie: we zijn geliefd, nog voordat we ook maar iets gepresteerd hebben. Voor hem is de Jordaanervaring van Jezus ook het diepste wat over ons leven kan worden gezegd. Fred Bratman, de journalist voor wie hij boekje schreef, kon er weinig mee, maar binnen de kerken werd en wordt deze toon herkend. Maarten Vogelaar vraagt er in dit nummer bijvoorbeeld ook aandacht voor. In turbulente en onzekere tijden als de onze met bovendien een voortdurende krimp van de kerk is dat ook begrijpelijk. We hebben als gelovige misschien wel meer dan ooit bevestiging en steun nodig. Het hoort ook wezenlijk bij het christelijk geloof. Tegelijk schuilt hier ook een gevaar. Een sterk accent op de comfortzijde van geloven kan er toe leiden dat de uitdaging uit beeld raakt.[14]

Christelijk geloof en zelfhulp komen dan dicht bij elkaar in de buurt. Vanuit dat gevoel schreef de Amerikaanse Phylicia Masonheimer het boek Stop Calling Me Beautiful. Finding SoulDeep Strength in a Skin-Deep World. Ze hekelt een egocentrische ‘pink fluff’ theologie die ons niet meeneemt in het avontuur van de navolging.[15] Prikkelend is hier ook Wim Dekker als hij schrijft: ‘Op de vraag wat het geloof toe zou kunnen voegen aan het leven, is het antwoord: voorlopig even niets, in eerste instantie gooit het geloof je leven overhoop. […] Als je de euvele moed hebt je met het evangelie in te laten, moet je er op rekenen dat je leven op z’n kop gaat. De Bijbel noemt dat ‘bekering’.’[16]

Hier ligt een belangrijke missionaire uitdaging. Waar zetten we op in? Uiteraard speelt de context hier een grote rol – op wie richten we ons en hoe ziet het leven van deze mensen er uit? – maar zou het kunnen zijn dat de uitdagende kant van het Evangelie toch te weinig meekomt in de missionaire communicatie? Zouden mensen gediend kunnen zijn met een ‘stevig’ Evangelie dat oproept om in het dagelijkse leven de netten echt aan de andere kant uit te gooien? Zou de werfkracht van het christelijk geloof mede kunnen liggen in haar tegendraadsheid? Zou ze bijvoorbeeld de boer op kunnen met het aanbod om aan mensenlevens te gaan sjorren? Bij te willen dragen aan de ontwikkeling van hun karakter? Ze bijvoorbeeld te leren hoe je jezelf op een gezonde manier kunt verloochenen? Of hoe je zeventig maal zeven keer kunt vergeven? Of, misschien nog spannender: hoe je je vijanden kunt gaan liefhebben? C.S. Lewis had een dringend advies aan mensen die op zoek waren naar rust, comfort en veiligheid: blijf uit de buurt van het christelijk geloof! Misschien zit in onze tijd juist daar wel een mooi ‘verkoopargument’. Of past ons om hier veel meer bescheidenheid omdat die tegendraadsheid in de kerkelijk praktijk feitelijk niet of nauwelijks wordt aangeboden?

Sake Stoppels is lector theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en wetenschappelijk beleidsmedewerker binnen de Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland.

Noten

[1] De onderzoeksresultaten zijn niet integraal gepubliceerd. Wel is in een brochure, getiteld Kerkelijk werkers en predikanten: onderzoek 2014 een samenvatting gemaakt van de belangrijkste uitkomsten. Zie daarvoor: https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/tag:PKN,20141103:newsml_f3bdbe7a094633c3bd29a20d95496021 (geraadpleegd 15 maart 2021). De respons was 35%.

[2] Het bredere onderzoeksverslag is beschikbaar op de site van de Protestantse Kerk en ook op te vragen door een mail te sturen naar s.stoppels@protestantsekerk.nl.

[3] Zie https://www.anglicancommunion.org/mission/marks-of-mission.aspx (geraadpleegd 1 maart 2021).

[4] “What is it that our Neighbours can only find in the Christian Community and Nowhere Else?”, Stefan Paas, ‘Challenges and Opportunities in Doing Evangelism’, in: Gerrit Noort et al, Sharing Good News. Handbook on Evangelism in Europe, Geneva: WCC 2017, 41.

[5] Philip R. Wall, Salvation and the School of Christ. A Theological-Ethnographic Exploration of the Relationship between Soteriology, Missiology and Pedagogy in fresh expressions of church, PhD Thesis Kings College: London 2014, 19.

[6] André Verweij, Positioning Jesus’ Suffering. A Grounded Theory of Lenten Preaching in Local Parishes, Delft: Eburon 2014.

[7] Gert-Jan Roest, ‘Jezus in postmoderne kleren. Mijn verschuivende visie op heil’, Inspirare. Tijdschrift voor charismatische en evangelische theologie, 2 (2020), 2, 19-28. Voor andere ervaringen op dit punt zie Sake Stoppels, Heil zien in missionaire initiatieven, Ede: CHE 2019, 17-24. https://www.researchgate.net/publication/333949062_Heil_zien_in_missionaire_initiatieven_Een_zoektocht_naar_de_theologie_achter_nieuwe_vormen_van_geloofsgemeenschap (geraadpleegd 3 maart 2021).

[8] Vergelijk ook Pauline Weseman, ‘Ik voorzie een nieuwe reformatie’. Interview met Maarten Vogelaar, in: Volzin, februari 2021. Zie https://volzin.nu/ik-voorzie-een-nieuwe-reformatie/ (geraadpleegd 30 april 2021).

[9] Stefan Schweyer, ‘Was ist Heil? Eine Einstiegshilfe’, in: Andreas Loos, Stefan Schweyer (Hrsg.), Alles Heil? Mit missionaler Theologie übers Heil sprechen, Brunnen: Giessen[3] 2019, 7-18.

[10] Andrew Root schrijft: ‘Our age shifts guilt’s source from a transcendent, personal force, whose law we fail to obey, to our own selves. We are guilty to ourselves by our self’. In: The Congregation in a Secular Age, Grand Rapids: Baker Academic 2021, 45.

[11] Stefan Paas, Joke van Saane, ‘Leiderschap en ambt in de laatmoderne samenleving’, in: Leon van den Broeke, Eddy Van der Borght (red.), Religieus leiderschap in post-christelijk Nederland, Utrecht: KokBoekencentrum 2020, 159.

[12] Idem. 13 Sake Stoppels, Heil zien in missionaire initiatieven, 11-14.

[14] Vgl. Hans Riphagen, ‘Wie is “our God”? Een kritische analyse van godsbeelden in de hedendaagse aanbiddingsmuziek’, Soteria 30 (2013), 4, 6-16.

[15] Phylicia Masonheimer, Stop Calling Me Beautiful. Finding Soul-Deep Strength in a Skin-Deep World, Eugene: Harvest 2020.

[16] Wim Dekker, Verbonden en vervreemd. Over de God van Paulus op de Areopagus, Zoetermeer: Boekencentrum 2018, 83.

< Terug