< Terug

Oeuvreprijs voor Bram van de Beek

portret Bram van de Beek
Bram van de Beek (foto: Koos van Noppen)

‘God heeft verantwoordelijkheid genomen voor déze wereld; dat is de kern van het credo’

Sinds zijn proefschrift in 1980 verrijkte Bram van de Beek de theologie met ruim 6000 pagina’s. Tenminste: als we de Engelstalige publicaties en alle artikelen even buiten beschouwing laten. Voor die indrukwekkende productie hebben de organisatoren van de Nacht van de Theologie hem de oeuvreprijs toegekend. De prijs wordt eenmaal in de tien jaar uitgereikt; de vorige keer viel Huub Oosterhuis de eer te beurt. Van de Beek moet verstek laten gaan bij de uitreiking, in verband met zijn verblijf in Zuid-Afrika. Koos van Noppen sprak met hem, kort voor zijn vertrek.

Van harte gefeliciteerd! Een erkenning voor een plank vol boeken. Wat is zo’n oeuvre nog meer, behalve een duizelingwekkende prestatie? Calvinistisch arbeidsethos, levenslust, bewijsdrang, roeping?
‘Het zal wel een mix zijn van dat alles. Zonder ambitie kom je nergens in de wetenschappelijke wereld. Wat bij mij erg meespeelt, zowel in de theologie als de biologie, is: interesse in de dingen die anders zijn. Kritisch zijn, anders naar zaken kijken, dingen ontdekken. Ik ben geboeid door geschiedenis, vooral de feiten en de gebeurtenissen, niet zozeer in de grote theoretische beschouwingen, want dat zijn modellen die historici er als een raster overheen leggen. Liever peuter ik aan die modellen. Zo zie ik ook mijn werk in de theologie. De klassieke protestantse theologie – ooit samengevat in de boektitel ‘Veel vragen, één antwoord’ – wist raad met elk vraagstuk. Maar zo gemakkelijk kun je je er niet van afmaken. Ik blijf vragen stellen.’

In 1974 promoveerde u op een proefschrift in de biologie; over bramen. Daarvóór had u een doctoraalscriptie geschreven bij A.A. van Ruler, nadien zou u nóg een keer promoveren, nu in de theologie, bij H. Berkhof. Is een loopbaan in de biologie ooit een serieuze optie geweest?
‘Nee, nooit, dan eerder natuur- en sterrenkunde. Zonder dat op jonge leeftijd al gedecideerd te hebben besloten, heb ik altijd het idee gehad om theologie te gaan studeren. “Jij moet dominee worden”, zei een leraar in de derde klas van de lagere school tegen me, toen ik op een lastige vraag antwoordde.’

Uw vader was ouderling in de Hervormde gemeente in Lunteren, op de Veluwe; gereformeerde bond. Werd de keuze voor theologie thuis gestimuleerd?
‘Jawel, maar niet gedwongen. Hoewel we ook van mening verschilden, had mijn vader zeker invloed. Ds. Gijs Boer ook (de toenmalige plaatselijke predikant, kopstuk van de GB, red.); al verliet hij Lunteren toen ik 14 was. Maar je krijgt als kind veel mee van de sfeer van heiligheid, in de kerkdiensten en preken. Er waren in die tijd meer jongens op het dorp die predikant zijn geworden. Blijkbaar waren er identificatiefiguren met uitstraling. Op het gymnasium had ik na het alpha-diploma dat nodig was voor de theologie ook de bèta-richting nog gedaan, omdat ik ook een tijdje met de gedachte heb gespeeld om natuur- en sterrenkunde te gaan studeren, eventueel naast theologie. Dat zijn studiegebieden die raken aan de grenzen van ons denken, daar valt wat te ontdekken. Er was op school veel aandacht voor nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, zoals de kwantummechanica, bij aardrijkskunde ging het over drijvende continenten. Zulke uitdagende terreinen boeiden me mateloos. Die ‘ontdekkersmentaliteit’ is me altijd bijgebleven, ook nadat ik koos voor theologie. In Utrecht was er maar één hoogleraar die me echt aansprak en uitdaagde, dat was Van Ruler. Hij durfde zelfstandig te denken en zei tijdens colleges dwarse dingen.  En een week later kon hij het tegenovergestelde beweren, met kracht van argumenten.’

Theologie dus. Jammer dan voor de biologie.
‘Bramen zijn altijd mijn hobby gebleven. Ik ben op dat terrein ook blijven publiceren; ik heb de laatste jaren meer artikelen in de biologie geschreven dan in de theologie. In de biologie verschijnen sowieso meer artikelen vergeleken met de theologie. Er verschijnen nauwelijks boeken, daarvoor gaan de ontwikkelingen in dat vakgebied te snel. Vorig jaar heb ik nog wel een dunne monografie geschreven, ofte wel een uitvoerig artikel, 70 bladzijden in folio, dus zeg, 200 pagina’s. Over bramen in Zuid-Afrika.’

Een van uw eerste spraakmakende publicaties was ‘Waarom? Over lijden, schuld en God’; ook in het Engels vertaald. Dat was in 1984.
‘In 1981 was ik op 34-jarige leeftijd benoemd tot hoogleraar in Leiden. Mijn proefschrift uit het jaar daarvóór was tot dan toe mijn enige publicatie in de theologie; zoiets zou nu ondenkbaar zijn.’

Legde dat een enorme druk op de schouders?
‘Nee. Het was vooral een uitdaging. Ik gaf colleges aan kleine groepen ouderejaars-studenten, de meesten scheelden slechts een paar jaar met mij. We gingen gezamenlijk op ontdekkingstocht – zo ervoer ik het. Aan het eind van het college spraken we af: volgende week behandelen we deze vraag, daarvoor gaat iedereen zoeken naar een bijdrage aan een antwoord. Eigenlijk zijn dat mijn leukste jaren geweest. Ik kon studenten wegwijs maken, ook in praktische zaken in de pastorie.’

Ik heb weleens gelezen dat dat thema ‘Waarom? Over schuld, lijden en God’ samenhing met uw ervaringen als predikant in Lexmond.
‘In mijn eerste gemeente kreeg ik te maken met twintig dodelijke ongelukken in vier jaar tijd. Het waren vaak, wat ze in Zuid-Afrika noemen, frats-ongelukken. Een vrachtwagen verliest een wiel en raakt een kind op het trottoir dodelijk. Een dronken jongen die zijn buurmeisje doodrijdt, op een prachtige avond net voor Pinksteren. Twee jongens die verdronken in de Lek. Tragische gebeurtenissen.‘

De vragen rond het lijden vormen een majeur thema in uw werk. Het is misschien ongepast om erover te beginnen bij de feestelijke mijlpaal van een oeuvreprijs, maar er kleeft een somber imago aan uw theologie: Het is niks en het wordt niks, met deze wereld. Ik hoorde eens iemand zeggen: Van de Beek bespeelt een viool met één snaar.
‘De kerkvader Athanasius is ook een monomaan genoemd, omdat hij altijd maar in de weer was met de christologie. Ik had een promovendus uit Korea die zeer muzikaal begaafd was; hij bespeelde een éénsnarig Aziatisch instrument. De kunst is dan om op die ene snaar zoveel variaties te spelen, dat je de prachtigste muziek krijgt…

Het wordt niets met deze wereld, inderdaad. Als je iets wilt zeggen over onze cultuur (ook de kerkelijke cultuur) moet je je daar goed in verdiepen. In deze tijd lees ik dagelijks de Engelstalige versie van Oekraïense kranten. De ontwikkelingen van de frontlinie met de Russen volg ik op de voet. Dáár vallen nu de beslissingen. Ik weet hoe het er in de politiek aan toe gaat. In Zuid-Afrika, in Nederland, al is het daar zo ongeveer a-politiek: men schuift alles voor zich uit. Ik vólg het allemaal, juist dáárdoor weet ik hoe pervers de wereld in elkaar zit.
Als evolutie-bioloog constateer ik dat we ook in de politiek en in de maatschappij te maken hebben met de survival of the fittest (dat is niet persé de survival of the strongest, het kan ook de leepste zijn). De slachtoffers van de toeslagenaffaire vertegenwoordigen samen een verwaarloosbaar aantal kiezers; daarom is het dossier lange tijd niet relevant gevonden. Je moet altijd denken in termen van macht of voordeel. Daar is onze cultuur van doortrokken. Ik maak me geen illusies vanuit de optimistische gedachte dat de wereld beter wordt. Als het gaat over de vraag wat de taak is van christelijke gemeente, dan geldt: ‘Gij geheel anders.’ Probeer niet de maatschappij te veranderen. Zet bijvoorbeeld niet alles op alles om een wetgeving voor elkaar te krijgen die abortus verbiedt; dat wordt een langdurig getouwtrek waarbij er hooguit een slap compromis uit de bus komt. Bovendien moet je dan weer andere zaken als wisselgeld inleveren. Begin er niet aan. Maar laat wel zien: wij lossen het probleem op onze manier op, met zorg voor vrouwen die ongewilde zwanger raken. Daar laten christenen het veel meer liggen. Laat zelf zien hoe het anders kan; daar hebben we de handen al vol aan.’

Bent u zo somber over deze wereld, omdat u zich, méér dan menigeen, in de perversiteit van het kwaad en het lijden verdiept?
‘Dat denk ik. Ik lees geen romans, omdat de verdichting van de literatuur waarin het kwaad wordt beschreven, me zo aangrijpt dat ik maanden moet bijkomen. De gewone werkelijkheid is al erg genoeg. Zelfs detectives als De eindeloze nacht van Agatha Christie of De Cock en de dansende dood van Baantjer zijn me teveel. Of het nieuws: de vulkaanuitbarsting in Colombia (1985), waarbij 25.000 mensen de dood vonden, onder wie een 13-jarige meisje dat drie dagen vastzat in de modderlawines en overleed aan gangreen en ondervoeding. De iconische foto van haar blijft me altijd bij.

We kunnen het wereldleed niet veranderen. Tegen Bas van der Vlies (SGP) heb ik weleens gezegd: “Denk niet dat jij vanuit je theocratische idealen het Koninkrijk van God hier kunt stichten. Zorg nou maar dat het dak van de vluchtelingenopvang niet lekt.”

Het is niet zo dat ik vanuit de studeerkamer mooie dingen zit te roepen. Ik heb juist het gevoel dat er in de kerk véél te veel mooie dingen worden gezegd. Over de lieve Vader, die voor je zorgt… God is een verterend vuur. Ik kom er steeds meer van onder de indruk dat de Bijbel, zeker het Oude Testament, een spiegel is van de werkelijkheid. Er staan bijna geen “mooie” hoofdstukken; overal lopen barsten en scheuren doorheen.
Ik probeer theologisch oriëntatie te vinden in de chaos die deze wereld en haar geschiedenis vaak is. De wereld is vergeven van mensen die voor hun ego vechten. En daarin klinkt een boodschap van een God die naar ons omziet. We begrijpen Hem vaak niet, Hij is ‘vol donkere majesteit’. Maar het centrum daarvan is het credo van Nicea, dat stelt: déze wereld is Gods wereld. Hij heeft zelf de verantwoordelijkheid voor deze wereld op zich genomen, in Jezus Christus. In deze wereld staat een kerk, daarin woont God. Geen aantrekkelijke, goed functionerende gemeente, maar een kerk waarin allerlei rottigheid aan de orde van de dag is; een Sint-Pieterskathedraal vol pracht en praal, gebouwd over de ruggen van armen.

Tegelijk belijden we: ‘Hier beneden is het niet’. Als alles draait om het hier en nu, als er geen opstanding der doden is, zijn we beklagenswaardigste van alle mensen.’

Waarom zegt u niet: ‘Hier beneden is het óók’?
‘Ja, een klein beetje. God geeft ons veel ruimte. Maar zie het niet als het laatste, als het enige. Steek er ook niet al je energie in. Bedenk de dingen die boven zijn. Durf te onderscheiden wat er gaande is.’

Uw vroege boeken zijn optimistisch getoonzet. Daarin straalt onmiskenbaar een zonniger theologie. Ergens eind jaren ’80 bent u uit een ander vaatje gaan tappen. Hoe verklaart u dat zelf? Hangt die switch samen met uw biografie? Of is het voortschrijdend inzicht?
‘Niet zozeer met de biografie, behalve dan dat je meer ervaring opdoet. In Leiden ging het in de eerste jaren over: wat moet ik met alle waarom-vragen? Dat betrof niet alleen de vraag rond God en het lijden, maar het ging ook de perversiteit van de wereld. Dat waren óók ervaringen uit Lexmond: wat mensen ook elkáár aandoen, hoe ze elkaar moedwillig doén lijden. Niet bereid-zijn elkaar te helpen.’ De waarom-kwestie dus, en dan speelden er vanuit de gewelfkamer in Leiden ook de vragen van Arminius en Gomarus, die in dezelfde universiteitszaal hadden gedebatteerd.

In het begin zat ik op een optimistische lijn: het wordt straks beter. Al ben nooit een politiek-theoloog geweest in de traditie van de jaren ’60, ik honoreerde wel de inzet van de kerk. In Lexmond heb ik als predikant nog gepleit voor de bouw van aanleunwoningen voor bejaarden.

Mijn insteek was in het begin: we hebben de Geest ontvangen, dus we hebben de wind in de rug, de wind zelfs ín ons, die ons meeneemt. We worden gedragen door de Geest. In die sfeer spraken we over de rol en de roeping van de kerk, voerden we gesprekken met studenten van allerlei pluimage (van Gekrookte-Riet-ers tot vrijzinnigen), die vaak ook heel wat levenservaring inbrachten. De weerslag heb ik beschreven in De Adem van God.

In 1996 schreef ik Schepping; de wereld als voorspel voor de eeuwigheid, ook naar aanleiding van de discussies over geloof en wetenschap. In de VS ontmoette ik in die tijd vooruitgangsoptimisten die zelfs meenden dat de techniek wel een oplossing zou vinden voor verbranding van onze planeet. Zo oppervlakkig….

Toen ben ik me gaan verdiepen in de geschriften van de Vroege Kerk, de kerkvaders Athanasius, Irenaeus, Tertullianus en Origines. Ik moest als kerkelijk hoogleraar ook bijbelse theologie doceren. Dan duik je in de vragen rond Genesis 1. Ik ontdekte dat elke gedachte aan een Paradise Lost onzin is; dat vind ik nog steeds. Ook de idee van de mens als rentmeester kun je daar niet uit destilleren. Genesis 1 zegt met zoveel woorden, tegen de achtergrond van de cultuur waarin het is geschreven, de wereld is een beestenbende. De mens heeft daarin een plekje, maar zal de omringende natuur hebben te overheersen. “Je zult haar vertrappen”, zorg dat je haar van het lijf houdt. Er is een tuin, een veilige, omheinde plek. Maar die kan alleen bestaan door het ongedierte zoals wilde zwijnen met grof geweld te bestrijden. De mens krijgt een leefregel, maar dat loopt meteen spaak. Het niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad is een onnozel gebodje, maar: “Als God mensenkennis had gehad”, zei mijn zoon van 10 indertijd, “dan had Hij nooit die boom geplant”.’

Wacht even, hebben we het over hetzelfde begin, waarvan geschreven staat dat God zag dat het ‘zeer goed’ was?
Wat is ‘goed’? Is dat onze perfectie en ons ideale rustige bestaan? We belijden als christenen dat het kruis van Christus goed is. Dat is ook niet de goedheid van een zonnige middag op het terras. De wereld is goed omdat het Gods wereld is, vol donkere majesteit. God wordt gekend als het Lam dat de zonde van de wereld draagt. Alleen in Hem weten we wie God is, want verder hebben we God nooit gezien, zegt Johannes. Als je het dus over ‘goed’ hebt, begin je daar. Zó is de wereld goed.’

Met andere woorden: de wereld is door en door pervers en dat is vanaf den beginne al zonneklaar.
‘Ja. En wil Israël dan een nieuwe Garden of Eden zijn, dan begint het uitroeien van andere volken in Kanaän. De Israëlieten moeten in het beloofde land schoon schip maken; er mag niets van de vreemde volken overblijven. Maar ook dat mislukte finaal. Het enige wat uiteindelijk overblijft, wil het nog wat worden met deze wereld, is dat God zelf zegt: Ik neem verantwoordelijkheid. Toen ik op enig moment zicht had op deze grondlijn van de theologie, ben ik begonnen aan de reeks Over God spreken, oorspronkelijk bedoeld als studieboeken, een christelijke dogmatiek, vergelijkbaar met die van Van der Kooi en Van den Brink, maar dan in zes dunne deeltjes.’

Dat is wat uit de hand gelopen…
‘In die boeken wil ik de hoofdthema’s van het credo tot aan de grenzen doordenken. Het gaat om de achtergrond van de geloofsbelijdenis van Nicea. Hoe hielden de christenen het vol, onder de keizers, eerst onder de vervolgingen en daarna in de omarming? Ze richten zich op de Ene, de Enige die hen redden kan, God zelf. Dat is de kern van het credo. In Jezus heeft God zich reddend naar ons uitgestrekt. Van meet af aan was Hij de Gekruisigde.’

In Hem is de beslissing gevallen. Daarmee is het pleit beslecht. De geschiedenis doet er niet wezenlijk meer toe, in uw denken.
‘De geschiedenis heeft voor mij geen voortgang, net zo min als het universum voor Einstein, laat staan voor Bohr voortgang heeft. Einstein heeft het tijd-ruimte continuüm uitgewerkt in wiskundige formules die geen hond kan lezen. Maar feitelijk wisten we dat in de theologie allang. Eeuwigheid kent geen tijd, begin en einde vallen samen. God troont boven deze wereld en haar geschiedenis. In de loop der eeuwen zijn er af en toe momenten zijn waarin je ziet wat deze wereld is, soms in haar verdorvenheid, maar bovenal dat ene moment van haar redding door de Heer.’

En wat wij aan welvaart en geluk hebben gekend…
…ging vaak ten koste van anderen en als we soms dachten dat er nauwelijks een vuiltje aan de lucht was, kwam dat doordat we de luiken naar andere delen van de wereld hadden dichtgetrokken. Zo nu en dan is er ook een veilig tuintje in een baaierd van geweld, zoals het eilandje waarop ik heb geleefd van 1946 tot nu. Mijn ouders hebben de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en ik vrees dat mijn kleindochter ook andere tijden zal kennen dan ik. In de betrekkelijk veilige ruimte van West-Europa zaten we er warmpjes bij, terwijl in Cambodja, Oeganda, Rwanda…. De geschiedenis is een geschiedenis waarin het kwaad in allerlei gradaties en gestalten zo nu en dan oplicht. Er zijn gelukkig ook momenten waarin zorg voor de naaste oplicht, in het werk van een moeder Theresa of een Franciscus van Assisi. In hen zie je iets van identificatie. De Ene in wie het goede werkelijk oplicht, is Jezus Christus. Dus er is maar één moment in de geschiedenis dat eigenlijk echt relevant is. Dat is het moment waarop Hij ten ondergaat, en de verantwoordelijkheid neemt voor al die ellende. Daarom is Hij de eindeloos goede.’

Voilà, het antwoord aan critici die zeggen: Van de Beek is defaitistisch….
‘De kerk heeft dit prachtige verhaal, over de opstanding van Jezus; de man die is dood gemaakt omdat Hij verantwoordelijkheid nam voor de wereld, is opgewekt uit de doden. Met die boodschap gaat Paulus op pad. Elke preek in Handelingen eindigt met de opstanding van Jezus. Op de Areopagus voegt hij er nog aan toe dat God heeft bepaald dat er een dag komt waarop hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een man die Hij voor dat doel heeft aangewezen. “Het bewijs dat het om deze man gaat, heeft Hij geleverd door Hem uit de dood te laten opstaan.” Dat is nog eens andere koek dan de Grieken met hun wetenschap en de Romeinen met hun Pax Romana.’

Als uw oeuvre zo’n vrolijk-stemmende grondtoon kent, hoe verklaart u dan dat mensen zo vaak  stuklopen op uw theologie?
‘Omdat ze liever een leuk verhaal willen horen. Waarom wordt Rutte elke keer herkozen? Hij heeft nooit echt knopen doorgehakt en komt iedere keer weer weg met optimistische verhalen.

Je kunt het goede nieuws van het evangelie wel brengen, maar dat zal altijd gepaard gaan met: hier beneden is het niet.

Onlangs preekte ik als invaller, in een doopdienst, hier in een gereformeerde-bondsgemeente. De preek ging over een tekst uit Titus, over de goedheid en de mensenliefde van God: ‘Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte’. Een geweldige gebeurtenis, gemeente, deze kinderen mogen participeren in de nieuwe werkelijkheid van God! Wie of wat kan hen ooit nog schaden? Vervolgens heb ik stilgestaan bij het punt dat je als ouders wel moet weten wat je je kinderen aandoet. “Als ze opgroeien zijn ze straks buitenbeentjes in deze wereld. Ze zullen weten dat hun thuis niet hier is. Ons burgerschap is in de hemel. Je hoort bij het koninkrijk van God, daarom kan niets je deren. Je hebt je handen vrij om wat te doen in deze wereld. Je hoeft niet op jezelf zo te passen. Doe gewoon het goede voor anderen. Al is het maar dat je je morgen laat inenten tegen corona.”
Wat was de response, na afloop? Ik kreeg onmiddellijk mails dat ik me voor de kar van de regering en het RIVM had laten spannen, met mijn opmerking over corona. Anderen vielen over het eerste stuk: alsof die gedoopte kinderen zomaar automatisch een ticket voor de hemel hadden gekregen. Over het middenstuk van mijn preek, over wat het leven van christenen in deze wereld is, heb ik niemand gehoord. Mensen willen gewoon in hun bekende wereld en hun veilige kaders blijven.’

Tegelijk: u bent vuurbang zodra de taak van christenen in de wereld wordt vervat in een project of een programma. Waarom?
‘Ja, vooral als de kerk dat gaat doen. Waar draait het om in de kerk? We komen elke zondag samen om de dood van de Heer te gedenken. Dat is onze werkelijkheid. Onze eigenlijke wereld is niet van maandag tot zaterdag, ons eigenlijke leven, ons thuis, is in de liturgie. De theoloog Eberhard Jüngel schreef over de liturgie als ‘onderbreking van het leven’. Ik keer het om: de zes dagen zijn een onderbreking van ons echte leven, in de liturgie.

In februari 2023 komt mijn boekje uit over de eredienst, getiteld Thuis. Het is gericht op gemeenteleden, kerkenraden en predikanten, en is mede ingegeven door de ervaringen in de coronatijd. Het gaat over het belang van doop en avondmaal, het sacramentele karakter van de preek, de liturgie.’

Dick Schinkelshoek schreef onlangs in het ND over vraag waar kerkgangers na corona zijn gebleven. Hij heeft het dan over de ‘moderne christen die moe en overprikkeld is op zondagmorgen, die aan een kerkdienst niets beleeft (maar dat wel graag wil) en die het liefst lopend door het bos met oortjes in zijn geloof wil bouwen’.
‘Het ontbreekt gemeenteleden aan het besef van heiligheid. Als je pogingen doet om de liturgie leuker te maken, span je het paard achter de wagen. Herontdek het grote betekenis van de kerk. Richt je nou eens op de kern, de corebusiness: hier komen we thuis, hier delen we in een groot geheimenis.’

Uw VU-collega en generatiegenoot Martien Brinkman schreef een boek getiteld ‘Hoe mijn God veranderde’. U schreef in de jaren ’80 ook over ‘God is veranderlijk’… Stel, dat u een boek zou schrijven met eenzelfde titel als de publicatie van Brinkman, hoe zou dat er bij u uitzien?
‘Er zit bij mij veel meer continuïteit in mijn theologie… De orthodoxie is mij bijgebleven, het geloof in de almacht van God, het antimarcionitische, is een rode draad in mijn werk. Ook in de christologie; ik denk dat ik dat het meest van mijn vader geleerd heb. Hij had het niet zo op bekeringsgeschiedenissen en verhaaltjes in de preek. Het moet over Christus gaan.

Ik zou waarschijnlijk nooit op zo’n titel als die van Brinkman uitkomen. God is veranderlijk ja, in zijn werken in de geschiedenis. Hij is de levende God, reagerend, altijd weer verrassend. Maar boven de afgrond van de geschiedenis met de wateren van de chaos troont Hij als de Eeuwige.’

Abraham van de Beek (1946) studeerde aan de universiteit Utrecht. In 1970 haalde hij zijn doctoraal bij A.A. van Ruler. Van 1970-1980 was hij predikant, achtereenvolgens in Lexmond (1970), Vriezenveen (1974) en Raamsdonk (1979). Zonder officiële studie biologie schreef hij ‘als hobby’ een proefschrift over bramen, Die Brombeeren des Geldrische distriktes innerhalb der Flora der Niederlande, waarop hij in 1974 promoveerde. Zes jaar later promoveerde hij nog eens, nu in de theologie, bij H. Berkhof, op een proefschrift over de incarnatieleer, De menselijke persoon van Christus.

In 1981 werd hij hoogleraar in de christelijke dogmatiek te Leiden; van 2000 tot 2010 was hij hoogleraar in de christelijke symboliek aan de VU in Amsterdam, waar hij van 2005 tot 2008 tevens decaan was van de faculteit godgeleerdheid. In 2010 ging hij vervroegd met emeritaat, in verband met de ziekte van zijn vrouw. Wel bleef hij publiceren, zowel in de theologie als in de biologie. Sinds 1994 is hij lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en vanaf 2003 is hij bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Stellenbosch (Z.A.).

actie Nacht van de Theologie

Probeer Theologie.nl Premium een maand gratis

Op Theologie.nl lees je online duizenden artikelen, preekschetsen, materiaal voor kindermomenten, blogs, theologische boekrecensies en online tijdschriften. Ter gelegenheid van de Nacht van de Theologie.nl hebben we een leuke actie. Je mag Theologie.nl Premium – normaal 9,99 per maand – zelf een maand proberen.* Het proefabonnement stopt na 1 maand automatisch, tenzij je zelf verlengt. Vul bij het bestellen deze kortingscode in: WELKOM-NVDT-22

*Verzilver je code voor 30-12-2022.

Probeer Theologie.nl Premium

< Terug