< Terug

Preekschets Jeremia 35:1-19

Jeremia 35:1-19

Ga naar het huis der Rekabieten… en geef hun wijn te drinken.

Schriftlezingen: Jeremia 35:1-19; Filippenzen 2:1-11

Het eigene van de zondag

Gedurende twee zondagen (zie ook de bijbehorende schets) richten we ons op twee minder bekende bijbelgedeelten uit het profetenboek Jeremia, die nog niet of nauwelijks in de Postille-reeks aan bod kwamen. De overeenkomst tussen beide gedeelten is de context van een crisissituatie. Het eerste gedeelte (Jer. 35:1-19) speelt zich af tijdens een belegering van Jeruzalem ten tijde van koning Jojakim (ong. 597 voor Chr.). Het tweede gedeelte (Jer.41:16 – 43:7) heeft betrekking op de tijd na Jeruzalems val (ong. 585-580 voor Chr.). Bemoedigend voor de gemeente van alle tijden is de constatering dat er ook – of misschien wel bij uitstek – in omstandigheden van malaise nog een woord Gods gesproken kan worden. Overigens neemt dit woord in beide gedeelten wel onverwachte wendingen, die tot vandaag toe de lezer verrassen…

Uitleg

In Jeremia 35 komen we in aanraking met de zogenaamde Rekabieten: een traditionele geloofsgroepering die gekenmerkt werd door een strikt nomadische leefwijze. Hun voorvader en grondlegger Jonadab heeft hen opgedragen in tenten te wonen (woestijnideaal, vgl. Hos. 2) en geen wijn te drinken (vgl. nazireeërschap, Num. 6). Volgens vers 7 werd ook elke vorm van landbezit afgewezen. Blijkens vers 8 en 9 was heel de gemeenschap, inclusief de vrouwen en dochters, in deze leefwijze betrokken.

Vers 1-2
De in de bijbel als weinig vroom gekenschetste koning Jojakim regeerde van 609 tot 597 over het tweestammenrijk Juda. Ondanks verschillende pogingen tot opstand (tegen het woord van Jeremia in) bleef hij noodgedwongen een vazal van de Babylonische koning Nebukadressar. De laatste poging tot omwenteling van de politieke verhoudingen werd Jojakim fataal. Blijkens vers 11 bevinden we ons met deze geschiedenis in de aanloop naar het beleg van Jeruzalem (ong. 597 voor Chr.). Jeremia moet op Gods bevel gaan naar ‘het huis van de Rekabieten’, hier enkel te verstaan in de zin van ‘familie/geslacht’, of ook concreet als ‘gebouw’? In het laatste geval contrasteert reeds deze beschrijving met de idealen van deze groep. Enkel vanwege de dreiging van Babel hebben ze bescherming gezocht achter de muren van Jeruzalem (vers 11). Jeremia moet deze vluchtelingen in een van de vertrekken van de tempel brengen en hun wijn voorzetten.

Vers 3-5
Een interessante vraag is of alleen het laatste deel van Jeremia’s verzoek aan de Rekabieten (het drinken van wijn) of reeds het eerste (gaan naar het huis des Heren) problematisch is geweest. Men kan zich immers voorstellen dat bij een groep met nomadische geloofsidealen ook het tempelinstituut met geloofscentralisatie niet hoog aangeschreven stond. Hun leider Jaäzanja is ons onbekend. Vermeldenswaard is de vondst van een zegel uit ongeveer 600 voor Christus in Mispa met het opschrift: ‘Jaäzanja, de knecht van de koning’. De vermelding van broers en zonen geven de structuur van de nomadenclan weer. De oudste broer is na het overlijden van de vader het hoofd van de groep. In de hiërarchie volgen voorts zijn broers en daarna de zonen. De opsomming leert ons tevens dat het een behoorlijke groep moet zijn geweest. De locatie van het vertrek naast dat van de vorsten is niet toevallig. De hofkliek van de koning, die voortdurend in een haat-liefdeverhouding tot Jeremia stond, moet geconfronteerd worden met wat zich hier afspeelt. Zij zullen het immers direct doorbrieven naar de koning (vgl. 36:12). De publieke test moet laten zien hoe trouw de verdreven nomaden aan hun principes zijn. Houden ze vast aan de leer der vaderen? Of nemen zij het, zoals vele anderen, als het er op aankomt niet zo nauw, zeker nu de politieke situatie steeds knellender wordt? ‘Laten we eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij’. Jeremia sleept kannen vol wijn aan (n.b. in de Septuaginta een enkele wijnkruik) en roept hen op te drinken.

Vers 6-11
De weigering en verdediging van de Rekabieten is even eenvoudig als beslist. Het feit dat zij in meervoud sprekend worden ingevoerd onderstreept de eendracht van het collectief. In hun verklaring wordt opnieuw Jonadab genoemd als grondlegger van hun leefregel. In 2 Koningen 10:15,23 komen we een zekere Jonadab, de zoon van Rekab tegen, die Jehu bijstaat in de strijd tegen de Baälsdienst. De beweging is in Jeremia 35 dan al zo’n 250 jaar oud: geen eendagsvlieg dus. Jonadabs strijd tegen het syncretisme verklaart ook het ideaal van het vreemdelingschap, dat we in vers 7b in deuteronomistische termen zien geformuleerd. Israël moet zich verre houden van de kanaänitische stadscultuur die doortrokken was van de Baälsdienst. Het nadrukkelijk genoemde ‘wonen in tenten’ (als in de woestijntijd) versterkt de gedachte aan de afhankelijkheid van God.

Vers 12-19
Een tweede Godswoord openbaart de bedoeling van het schouwspel. De inwoners van Juda kunnen lering trekken uit het gebeurde (zo ook Targum; andere versiones: ‘tuchtiging aannemen’, vgl. 2:30). De Rekabieten hebben het gebod dat hun voorvader Jonadab hun eenmaal gaf steeds trouw onderhouden. Door geen enkele omstandigheid lieten zij zich van hun leefwijze afbrengen. De Judeeërs hebben echter God niet gehoorzaamd, hoewel Hij voortdurend (‘vroeg en laat’) via zijn profeten tot hen sprak. Daarom zal Gods oordeel hen nu treffen. Er klinkt iets klaaglijks in de woorden van God. In de nazin van vers 17 (die in de Septuaginta ontbreekt), spreekt Hij als een bidder die geen gehoor krijgt: vele malen riep Hij tot zijn volk, zonder dat het antwoordde. Het is van belang te noteren dat dit Godswoord geen inhoudelijke evaluatie geeft van het gebod van Jonadab en de leefwijze van de Rekabieten. Men zou vanuit Israëls geloofstraditie zelfs gegronde kritiek kunnen hebben op hun isolement. Had God zijn volk niet geboden het aan hen geschonken land, inclusief de steden en de gaven van akker en wijngaard, in bezit te nemen? Schuilt achter deze leefwijze niet te zeer een tegenstelling geloof-cultuur ‘an sich’? Terwijl de feitelijk bijbelse tegenstelling die tussen geloof en ongeloof is: een tegenstelling die dwars door de cultuur, en meer nog, door het mensenhart heenloopt? Deze discussies worden in Jeremia 35 evenwel niet gevoerd. God wijst de Judeeërs enkel op de gehoorzaamheid en volharding van de Rekabieten. En God weet dat te waarderen, blijkens de belofte in vers 18-19. Ondanks de militaire dreiging hoeven de Rekabieten niet te vrezen dat hun geslacht wordt afgebroken. Of om in termen uit het latere jodendom te spreken: wanneer de Messias komt zal er een nakomeling zijn die ook hen vertegenwoordigt. Zij die met alle winden meewaaien, moeten dat nog maar afwachten. .. Afgaande op vermeldingen in latere joodse literatuur, hebben de Rekabieten inderdaad nog lang bestaan. Ze hadden bijzondere rechten in de tempel en het Sanhedrin. In de twintigste eeuw is in Irak nog een groep zich Rekabieten noemende joden aangetroffen.

Aanwijzingen voor de prediking

In elke cultuur en godsdienst vinden we groepen ‘buitenbeentjes’, die opvallen door het vasthouden aan een eigen, vaak traditionele levenshouding. Men kan de preek beginnen met te verwijzen naar enkele van zulke groepen, bijvoorbeeld vegetariërs, geheelonthouders of pacifisten. Ten aanzien van geloof zijn te noemen de Mea She’arim in het huidige jodendom, de Alevieten in de islam, de Amish in het Amerikaanse christendom of – dichterbij huis – de zogenaamde’ zwartekousenkerken’.

Over een bijzondere geloofsgroep gaat het ook in Jeremia 35: de Rekabieten. Het is zinvol hun achtergrond en nomadisch ideaal kort aan de gemeente te beschrijven. Een veelzeggend kenmerk van deze leefwijze is de tent, vergelijk de symboliek bij het Loofhuttenfeest. In dat licht wordt het bijzondere van Jeremia’s opdracht duidelijk. Een ongehoord verzoek, maar de bedoeling is duidelijk: hoe consequent zijn mensen in hun geloof, in het bijzonder als de wereld om hen heen in lijkt te storten en het er volgens velen niet meer toe doet? Dat dit niet enkel een vraag is voor Jeremia’s tijd, kan de prediker in dit verband uitwerken.

De Rekabieten blijken trouw. En ze waren dat al 250 jaar. Daar kunnen de inwoners van Juda nog lering uit trekken! Zij waaien met alle winden mee, dienen de Here of andere goden naar wat deze op wisselende momenten lijken op te leveren en slaan het woord van de zo dikwijls gezonden profeten in de wind. De Rekabieten, – hoezeer gegronde kritiek op hun leefwijze ook mogelijk is – waren echter gehoorzaam en consequent: gelovigen uit één stuk!

Het is boeiend van hieruit lijnen door te trekken naar het heden. Zouden wij ook wat kunnen leren van de in onze ogen oertraditionele groepen in onze cultuur of godsdiensten? Evenals ten aanzien van de Rekabieten behoeven we niet de ogen te sluiten voor gevaren van een te groot isolement, zoals een gering missionair elan of een onbegrensd fanatisme, selectieve elementen in de leefwijze en een strenge, soms zeer onbarmhartige sociale structuur. Het laat zich nog aanzien of wij het op al deze punten zoveel beter doen, maar het punt van vergelijking is hier een ander: de gehoorzaamheid, trouw en saamhorigheid. Zijn dit zaken die ook ons christen- en gemeentezijn kenmerken, of is het bij ons vaak zo gemakzuchtig en vrijblijvend? We lijken ons geloof soms naar believen bij elkaar te ‘zappen’, zonder te beseffen dat de dienst aan God ook gehoorzaamheid en een consequente levenshouding behelst. Gaat zo’n gemeente inderdaad niet ten onder in de omringende cultuur, in plaats van de cultuur te verrijken en met het ‘zout’ van het evangelie te doortrekken?

Als gemeente van Christus mogen we ons hierbij laten inspireren en voorgaan door Jezus zelf. Zijn leven getuigt van een consequente gehoorzaamheid die zijn weerga niet kent. Volgens Filippenzen 2 was deze gehoorzaamheid geworteld in een gezindheid van ultieme liefde. Met deze laatste trek stijgt Filippenzen 2 boven Jeremia 35 uit.

De Rekabieten ontvangen van God een rijke belofte. Niet omdat hun levenshouding als de juiste wordt gekwalificeerd, maar omdat ze gehoorzaam en consequent waren. En dat raakt iets in God. God waardeert trouw, want het herinnert Hem aan zijn eigen wezen! De oproep aan ons is om niet uit de cultuur te vluchten, maar om in de cultuur gehoorzaam en trouw te zijn aan Gods beloften en geboden.

Liederen

Psalm 1; 119; LB 459; 480; 484.

< Terug