< Terug

Preekschets Jeremia 42:3

Jeremia 42:3

…dat de Here, uw God, ons te kennen geve, welke weg wij moeten gaan en wat wij moeten doen.

Schriftlezingen: Jeremia 41:16 tot 43:7 ; Handelingen 1:11-14.

Het eigene van de zondag

Gedurende twee zondagen (zie ook de Preekschets bij Jeremia 35:1-19) richten we ons op twee minder bekende bijbelgedeelten uit het profetenboek Jeremia, die nog niet of nauwelijks in de Postille-reeks aan bod kwamen. De overeenkomst tussen beide gedeelten is de context van een crisissituatie. Het eerste gedeelte (Jer. 35:1-19) speelt zich af tijdens een belegering van Jeruzalem ten tijde van koning Jojakim (ong. 597 voor Chr.). Het tweede gedeelte (Jer.41:16 – 43:7) heeft betrekking op de tijd na Jeruzalems val (ong. 585-580 voor Chr.). Bemoedigend voor de gemeente van alle tijden is de constatering dat er ook – of misschien wel bij uitstek – in omstandigheden van malaise nog een woord Gods gesproken kan worden. Overigens neemt dit woord in beide gedeelten wel onverwachte wendingen, die tot vandaag toe de lezer verrassen…

Uitleg

Jeremia 40-44 behoren tot de jongst te dateren gedeelten van het bijbelboek Jeremia. Aansluitend op de val van Jeruzalem (ong. 586 voor Chr.) in 39:1-10, verhalen deze hoofdstukken over de korte maar krachtige bestuursperiode van landvoogd Gedalja, de geslaagde aanslag op zijn leven, de vlucht naar Egypte van de overlevenden, en enkele profetieën, onder meer tegen de zonnecultus. Dit alles zal zich hebben afgespeeld tussen de jaren 585 en 580 voor Christus.

Jeremia 39-44 kunnen als volgt worden ingedeeld:

  • 39:1-10: Inname en verwoesting van Jeruzalem; gruwelijk lot Sedekia; volk in ballingschap; armen blijven achter om voor akkers en wijngaarden te zorgen.

  • 39:11-40:6: Bevoorrechte positie van Jeremia op gezag van Nebukadressar; Jeremia kiest te blijven bij landvoogd Gedalja te Mispa.

  • 40:7-12: Gedalja’s wijze bestuur; een rijke oogst binnengehaald.

  • 40:13-16: Waarschuwing tegen een aanslag op Gedalja door jaloerse prins JismaëI, aangemoedigd door de Ammonieten, in de wind geslagen.

  • 41:1-15: Jismaëls aanslag en andere gruweldaden; een deel van het volk bevrijd.

  • 41:16-43:7: Paniekerige vlucht of vertrouwend blijven?; de profetie genegeerd; naar Egypte.

  • 43:8-13: Profetie tegen Egypte.

  • 44:1-30: Profetie tegen de verering van Egyptes goden.

Wij concentreren ons op de perikoop 41:16-43:7: De vlucht naar Egypte, ondanks een eerst gevraagde, maar vervolgens versmade profetie van Jeremia.

41:16-18
Na de dramatische ontwikkelingen in het voorafgaande, slaan de overlevenden in paniek op de vlucht. Van Gibeon, even boven Jeruzalem, trekken zij zuidwaarts richting Egypte. Er wordt halt gehouden ter hoogte van Betlehem, zuidelijk van Jeruzalem, en daardoor voor even buiten bereik van het leger van Nebukadressar. Zijn wraak vrezen de overgeblevenen, nu het opnieuw verkeerd is gegaan met een door Babel aangestelde bestuurder. Net als bij de bevrijdingsoperatie van de gevangenen van Mispa (41:10-15), neemt de legertop, aangevoerd door Jochanan, de zoon van Kareach, het heft in handen.

42 1-6
Nu het acute gevaar voor een moment is geweken, komt de legerleiding tot een verrassende daad. Voordat zij verder gaan doen ze, waar het eerder bij Juda’s leiding zo vaak aan ontbrak. Ze zoeken de wil van God in hun nood. Hebben ze dan toch iets geleerd van al het gebeurde? Opvallend is de eerbied waarmee Jeremia (wiens woorden alle waren uitgekomen!) wordt aangesproken. Men smeekt hem om, bijna meer priesterlijk dan profetisch, voor hen te bidden, opdat zij te weten komen (n.b. de belangrijke functie hier van het verbum yāda’) welke weg (in letterlijke en geestelijke zin) zij moeten gaan. Opmerkelijk is ook hun overgave na Jeremia’s toezegging. Hoe het Woord van God ook uitpakt, het volk zal gehoorzamen.

42:7-22
Jeremia’s profetie laat tien dagen op zich wachten. De ware profeet heeft Gods Woord klaarblijkelijk niet pasklaar in voorraad. Het geduld van het angstige volk zal wel op de proef zijn gesteld. En als het Woord dan komt, strijkt dit hen ook nog tegen de haren in. Het profetische woord is eenduidig: Blijven! Opvallend is de relatief breed uitgesponnen waarschuwing (vs 13-22), ten opzichte van een betrekkelijk korte troostrede (vs 7-12). Hiermee sluit deze profetie aan bij de deuteronomistische paraenese en verbondsteksten (vgl. vs 6: ‘opdat het ons wel ga…’).

Na de bodespreuk in vers 9, en een opzettelijke accentuering van Jeremia’s door het volk gegeven opdracht, opent de eigenlijke profetie met een versterkt yāsab (imperfectum en infinitivus absolutus). Geen haastige vlucht, maar een rustig, vertrouwend blijven is nodig. Dan zal God hen zegenen. In de zegenwoorden komen bekende jeremiaanse beelden terug: ‘bouwen’ tegenover ‘afbreken’; ‘planten’ tegenover ‘uitrukken’ (vgl. 1:10 e.a.). Het berouw van God toont ook hier zijn genadewil ten aanzien van zijn volk. Tegenover vier maal ‘vrezen’ staat in vers 11 Gods belofte van nabijheid. Hij zal verlossen en bevrijden (een versterkende parallellie van yasa en nāsal) uit de macht van Babels koning, waarin Hij het volk eerder gegeven had. God vraagt derhalve rust en geloof van zijn volk. Vergelijk Jesaja 7:9: ‘Indien gij niet gelooft, voorwaar, gij wordt niet bevestigd’.

Uitgebreid is de waarschuwing tegen het vluchten naar Egypte. Deze ‘omkering van de heilsgeschiedenis’ zal een nog groter oordeel van God over hen heenbrengen. Datgene waarvoor ze in Egypte veilig menen te zijn, zal hen juist daar treffen. De met name bij Jeremia veel voorkomende trits ‘zwaard, honger, pest’ geeft het oordeel in al zijn hevigheid aan. Vers 18 tekent dit nog sterker in een reeks van vloekwoorden, die het volk niet zullen misstaan: ālāh-vloek; sammāh-ontzetting; qelālāh-vervloeking; en hèrpāh-smaad. Ook het niet weerzien van, en dus niet begraven worden in, het land van de vaderen is een vreselijk vooruitzicht. Vers 19 vat de boodschap en de waarschuwing samen. Jeremia voorziet het ongeloof dat op zijn woorden zal volgen ondanks de gedane gelofte van gehoorzaamheid (vs 20). Jeremia kon de gevolgen daarvan niet sterker uitdrukken dan in vers 22 (herhaling van de oordeelsdrieslag).

43:1-6
lnderdaad is ook ditmaal ongeloof de reactie op Jeremia’s woorden. Nu hij bevrijding uit de macht van Babel verkondigt, gelooft men hem net zo min als toen hij de overgave in Nebukadressars hand predikte. Hij wordt zelfs ronduit voor leugenaar uitgemaakt: ‘Leugen spreek je. . . ‘. Een zeker respect voor Jeremia maakt dat scriba Baruch het grootste deel van de schuld krijgt. Hij heeft Jeremia tegen hen opgezet, zo beschuldigen ze hem. Massaal wordt hierop de aftocht geblazen richting Egypte. Het is ‘terug naar af’ met de rest van IsraëI. Men zet, thans in een bewuste keuze, koers naar het toenmalige slavenhuis, waar men thans geen beter lot te verwachten heeft. Ook Jeremia en Baruch worden meegenomen. Het woordgebruik laat open of zij gedwongen werden. Mag hier gesproken worden van solidariteit van de profeet met zijn volk, zelfs door zonde en oordeel heen? Ook in Egypte, hoewel de verkeerde kant op, zal ‘een woord des Heren’ zijn. Zo lijkt Jeremia’s ambtsloopbaan te eindigen onder de volkeren. Mogen wij hier iets van een Pinksterbelofte horen? Met een kromme stok dient God een rechte slag toe, Zijn Woord klinkt onder de ‘gojim’. Hoewel voornamelijk een oordeelswoord, duidt het Gods bemoeienis met de hele wereld aan.

Aanwijzingen voor de prediking

Deze hoofdstukken confronteren ons met het slot van Jeremia’s loopbaan als profeet. Het is geen ‘happy end’. Moeten we dat jammer vinden, of onderstreept het weer eens dat de bijbel een levensecht boek is? Het is zinvol iets te vertellen over de achtergrond van deze geschiedenis: de verwoesting van Jeruzalem; de ballingschap en de achterblijvers; de moord op landvoogd Gedalja en de daaropvolgende vlucht. Op de grens van de woestijn vindt een wonderlijk beraad plaats: wat nu? Een opmerkelijke daad is, dat anders dan voorheen zo vaak het geval was, de vraag nu wel aan God wordt voorgelegd door bemiddeling van de profeet Jeremia. Wordt God weer eens alleen gezocht in de nood? Of hebben we de nood dan toch soms nodig om te worden herinnerd aan de noodzaak van het zoeken van de Here? De geschiedenis en het persoonlijk leven van mensen is vol van voorbeelden daarvan.

Jeremia’s antwoord komt na tien dagen. Gods antwoorden zijn toen en nu niet op afroep beschikbaar’. De strekking van het antwoord lijkt bemoedigend. Het volk moet slechts rustig blijven in het land en op God vertrouwen. Of is juist dit voor de mens het moeilijkst en het meest in strijd met zijn natuur? Deze houding van eendrachtig (ver)wachten vinden we vaker in de bijbel. In het bijzonder kan men denken aan Handelingen 1: het gebed om en de verwachting van de Pinkstergeest. Dit vertrouwen is geen passiviteit, maar hoogste activiteit. Bij uitstek dan gebeuren de grootste dingen. Ook de gemeente van Christus moet dat steeds weer beseffen en vasthouden als de basis van alle dingen.

Opvallend is de nadrukkelijke waarschuwing in Jeremia’s antwoord. De profeet kent zijn ‘pappenheimers’. Eigengereid handelen is uitzichtloos. In Egypte zal men krijgen waartoe men vlucht: zwaard, honger, pest. Ongeloof loopt uit op oordeel. Alleen in het vertrouwen op God ligt redding. Gods Woord waarschuwt ernstig, maar laat een keus. Toch is het huiveringwekkend: een gewaarschuwd mens kan zijn ongeluk tegemoet lopen.

Ondanks hun plechtige belofte blijkt Jeremia de houding van het volk goed te hebben ingeschat. Net als vroeger geloven ze hem niet. De ware profeet wordt voor leugenaar uitgemaakt. Met de aftocht naar Egypte wordt de heilsgeschiedenis omgekeerd. Dat Jeremia, de verpersoonlijking van het Godswoord, al dan niet gedwongen meegaat, is een sprankje evangelie door het oordeel heen. Ook in het slavenhuis is ‘een woord des Heren’. Zelfs onder de volken zal het klinken.

Liederen
Psalm 33:7,8; 62; 95:3,4; Gezang 235; 427; 435; 477

< Terug