< Terug

Preekschets Lucas 1:39-56 – Derde Advent

3e advent
Lucas 1:78, 79

Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God
zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan
en verschijnen aan allen die leven in duisternis
en verkeren in de schaduw van de dood,
zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.

Schriftlezing: Lucas 1:57-79

Het eigene van de zondag

De derde adventszondag heeft de naam Gaudete gekregen, naar het eerste woord (Latijn) van de introïtusantifoon van deze zondag. Deze is ontleend aan Filippenzen 4:4-6, dat kort samengevat luidt: Wees altijd verheugd. De Heer is nabij.

Serie

Dit is de eerste van twee preekschetsen over Lukas 1: zie ook de schets voor vierde advent.

Uitleg

De lofzang van Zacharias is een soort ontlading na maandenlange opgelegde zwijgzaamheid. Wanneer Zacharias de naam van zijn zoon heeft genoemd, gaat hij zingend spreken (vs. 64). Die naam, Johannes, in het Hebreeuws Yochanan, de HEER is genadig, geeft reden om te zingen.

Het lied (vs. 68-79) heeft een profetisch karakter, waarbij opvalt dat vooral het eerste deel (vs. 68-75) een lofprijzing bevat die de directe daden van de Heer onder woorden brengt, terwijl het tweede deel (vs. 76-79) profetisch aankondigt wat de roeping van dit kind van Godswege zal zijn. Daarmee geeft hij als het ware antwoord op de vraag die de omstanders stelden (vs. 66).

Het geheel ademt een oudtestamentische sfeer. De aanhef is ook veelzeggend: Geprezen zij de Heer, de God van Israël.

I. De werkwoordsvormen in de aoristus duiden op profetische taal waarin het resultaat al wordt gezien van wat in werkelijkheid nog moet gebeuren. In één lange volzin komt de toekomstverwachting van Israël voor het voetlicht als iets wat nu reeds is vervuld.

Vs. 68-69. God heeft zich bekommerd om zijn volk. In oudere vertalingen: ‘heeft omgezien naar zijn volk’. Daarin komt zijn genade aan het licht die concreet gestalte krijgt in verlossing, lutroosis (zie ook Lucas 2:38; 21:28; 24:21). We komen het ook tegen in Psalm 111, 9.

De reddende kracht is een omschrijving van ‘hoorn van heil’ die in het huis van David is opgericht. Te denken is hier aan Numeri 24,8, waar de God van Israël vergeleken wordt met de horens van een wilde stier. Ze vormen het teken van zijn kracht, hulp, overwinning en glorie waarmee Hij Israël uit het slavenhuis Egypte heeft bevrijd.

Uit alles blijkt dat het gaat over de beloofde Messias van Israël. Hij komt uit het huis van David.

Vs. 70-75. De profeten waren vol van Hem. Zijn komst betekent bevrijding van de vijanden en redding uit de greep van de haters. De doorgaande lijn van Gods handelen in de geschiedenis vanaf de belofte aan Abraham wordt in een paar woorden getekend. Te denken valt aan de bevrijding uit de hand van Egypte, Haman, Babel et cetera. En nu staat er weer iets nieuws te gebeuren. Die doorgaande lijn vindt zijn grond in Gods barmhartigheid die tot uiting komt in de trouw aan zijn verbond met Abraham. ‘Barmhartigheid’ en ‘verbond’ zijn de twee dragende woorden van Gods handelen met zijn volk. Hier is een ondoorgrondelijk geheim van God werkzaam waar wij geen verklaring voor hebben. Het resultaat zal zijn dat Gods volk, bevrijd en wel, zonder angst en toegewijd mag leven in de nabijheid van de Heer.

In heel deze verlossende gang van God naar zijn volk gaat het erom dat zijn volk ongehinderd er voor Hem zal zijn en in zijn dienst kan staan. Daarin ligt de vreugde van Gods volk. In deze gang van God zitten concrete, politieke noties en wat men zou kunnen noemen geestelijke aspecten. Ze zijn niet van elkaar te scheiden, maar kunnen wel onderscheiden worden.

II. Het tweede deel is anders van karakter. Het is niet God die wordt aangesproken, maar de pasgeboren zoon van Zacharias. In profetische woorden wordt de bestemming van dit kind, zijn werkzame leven, heel kort samengevat.

Vs. 76. Hij zal genoemd worden – en dus ook zijn – profeet van de Allerhoogste. Profeet zijn wil zeggen dat hij woorden Gods zal spreken die toekomst openen en vergezichten laten zien van het komende Rijk van God. Hij zal tegelijk aan mensen een spiegel voorhouden. Het beeld dat ze te zien krijgen zal niet altijd rooskleurig zijn. De woorden die hij zal spreken zullen hem ook niet altijd in dank worden afgenomen. Het profeet zijn van de Allerhoogste stempelt zijn leven en tekent zijn dood.

In het vervolg komt tot uitdrukking hoe het profeet zijn van de Allerhoogste handen en voeten zal krijgen. Met beelden die doen denken aan Jesaja 40,3 en Maleachi 3,1 wordt zijn werk aangeduid. In beide gevallen gaat het om boden die woorden Gods moeten spreken. Maar woorden zijn niet ‘maar woorden’. Ze doen wat. Het kind van Zacharias zal wegbereider zijn. Zijn woorden zullen dienstdoen als instrumenten die obstakels zullen neerhalen en diepe kuilen zullen opvullen. De weg moet vlak gemaakt worden.

Vs. 77. Hij zal de weg bereiden door Gods volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden. De vergeving van de zonden blijkt een kernmoment te zijn in het weten wat het messiaanse heil inhoudt. Bevrijding van de vijanden is een eerste aspect van het heil. Het tweede aspect is de kennis van de vergeving van de zonden. Voor de manier waarop dat gebeurt valt te wijzen op de gebeurtenis bij de Jordaan, wanneer Johannes doopt, zie Lucas 3:1-20. De mensen gaan kopje onder en komen als herboren weer aan de oppervlakte. Zo wordt de vergeving van zonden geschilderd als een radicale omkering, bekering. En terwijl hij zo bezig is verschijnt Hij naar wie hij verwijst, Lucas 3,21, 22.

Vs. 78. Dit werk van het kind van Zacharias is van hogerhand geïnitieerd. God is de beweger van het heil naar mensen toe. Hij is zelf ook bewogen. Opnieuw komen we hier in aanraking met het geheim van Gods barmhartigheid die ‘als een stralend licht’ voor ons zal opgaan (vs. 78). Andere vertalingen spreken van ‘Opgang uit de hoogte’. Het woord ‘opgang’ is de vertaling van anatolê . In de Septuagint komt het voor in Jeremia 23,5 en Zacharia 3,8 als vertaling van SEmach, ‘telg’ (NBV), ‘spruit’ (NBG ’51), iets wat uit de aarde opschiet. Hier verschijnt ons iets stralend vanuit de hemel. Het feestelijke licht van Jesaja 60,1 en Maleachi 3,19 (NBV), 4,2 (NBG ’51) breekt door in deze tijd als de opgaande zon in de morgen.

Vs. 79. Dit vers voert ons naar Jesaja 9,1-2, 42,7 en Psalm 107,10. De duistere krochten van het menselijk bestaan vol duisternis en dood komen in beeld. Daarbij kan gedacht worden aan duistere omstandigheden, en aan wat er aan duisternis door mensen beraamd en gedaan wordt. Maar de duisternis en dood worden overstraald met het weldadige licht van het leven. De weg van de vrede ligt gereed en door het licht dat verschenen is, is het ook mogelijk om erover te wandelen. De vrede, de sjalom roept de sfeer op waarin alles en iedereen tot zijn of haar recht komt.

Aanwijzingen voor de prediking

Het is goed om erop te wijzen dat de God van Israël geprezen wordt. Hij blijft de God van Israël, ook als de Redder naar wie Johannes zal verwijzen zijn bevrijdend spoor voor Israël en de volken door de wereld trekt.

Er is veel dat reden geeft tot somberheid en hopeloosheid. Duisternis geeft iets aan van de dood en alles wat daarmee samenhangt in het leven van mensen en volken: goede bedoelingen die niet worden opgemerkt of verkeerd worden uitgelegd; ik-gericht leven met alle gevolgen van dien; verkeerde beeldvorming over God en medemensen. Onder mensenhanden is de wereld angstland geworden.

Dit lied gaat daartegenin. Dat gebeurt niet omdat zanger Zacharias van nature een optimistisch mens zou zijn. Maar er is iets van Godswege op handen. Dat komt onder andere tot uiting in de naam Johannes; in het woord barmhartigheid dat in het lied tweemaal klinkt.

De beweging vanuit de hoge is er een van licht en leven. Gods sjalom voor mensen kondigt zich aan. God, mens en medemens zijn geen concurrenten meer, maar vormen een harmonieus verband. Ten diepste gaat het om Hem naar wie de woorden en de levensgang van Johannes verwijzen: Jezus. ‘God zal ons redden’ is zijn naam.

Waar mensen zich oriënteren op dat licht van hogerhand, daar is hoop. In daden van licht en leven mag iets van de toekomst toch al heden worden. Dat gaat met vallen – want het ‘nog niet’ speelt ons parten – en opstaan, want het ‘reeds’ van Pasen werpt zijn licht al in het hier en nu.

Ideeën voor kinderen en tieners

In een gesprekje met kinderen kan het contrast tussen licht en donker aan de orde komen. Door licht kun je zien wat mooi is en waar gevaar dreigt. In het donker loop je overal tegenaan. Dat kan ook uitgebeeld worden.

Met tieners kan gesproken worden over het woord ‘vrede’, dat bijbels gezien meer is dan de afwezigheid van oorlog.

Liturgische aanwijzingen

Als eerste schriftlezing (OT) zou Jesaja 8:23-9:6 kunnen dienen.

Liederen: NLB 19 (klassieke introïtuspsalm voor 4e adventszondag), 85:1 en 2 (klassieke introïtuspsalm voor deze zondag), 158a, b en c (de lofzang van Zacharias), 444, 445, 466, met name strofe 5.

Geraadpleegd

  • J.T. Nielsen, De prediking van het Nieuwe Testament. Het evangelie naar Lucas I, Nijkerk 1979.

  • Heinz Schürmann, Herders Theologischer Kommentar zum Neuen Testament. Das Lukasevangelium, erster Teil, Freiburg 1969.

  • W.R. van der Zee, Vandaag gebeurt het. De verhalen van Lucas 1 tot 4, ’s-Gravenhage 1985.

< Terug