< Terug

Preekschets Lucas 1:76 – Vierde Advent

Vierde adventszondag
Lucas 1:76

En jij, kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste,
want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor hem gereed te maken.

Schriftlezingen: Jesaja 8:23-9:6; Lucas 1 :76-79, 3:1-22 (Tweede deel van de lofzang van Zacharias)

Het eigene van de zondag

Het tweede gedeelte van de lofzang heeft rechtstreeks betrekking op het toekomstige optreden van Johannes. Hier wordt het heil vooral als goddelijke ontferming gezien. Dit deel van het lied is gericht op de nabije doorbraak van het heil in Christus, van wie Johannes de wegbereid er zal zijn. Daarom trekken we binnen het evangelie de lijnen door naar hoofdstuk drie, waar het optreden van Johannes beschreven wordt.

Uitleg

Voor de lofzang als geheel: zie bij de derde adventszondag.

vers 76 Kai su de, paidion: ‘En ook gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten’. Zacharias plaatst Johannes op één lijn met de oudtestamentische profeten die de komst van de Messias voorbereiden. Van hen is Johannes de laatste en grootste (7:28). In Christus betreedt de ‘Allerhoogste’ de aarde, tegenover Hem komen de vijanden van Israël (zie derde adventszondag, bij vs 71) als usurpators openbaar. Herodes liet Johannes gevangen nemen en onthoofden, maar zijn angst voor de Allerhoogste bleef (vgl. 3:19 en 20, 9:9).

De tweede helft van het vers beschrijft de taak die Johannes als profeet krijgt toebedeeld: het voorbereiden van de komst van de HERE. ‘HERE’ hier op te vatten als de Naam van de God van Israël (zie derde adventszondag, bij vs 68), in de lijn van de oudtestamentische profeten. Al de Schriften van het Oude Testament wijzen naar zijn komen in de Messias toe (vgl. 24:27 , 44, 45). Johannes gaat vooruit ‘om zijn wegen te bereiden’; sluit aan bij wat gezegd wordt in Jesaja 40:3; Maleachi 3:1, vergelijk Lucas 3:4-6, waar het optreden van Johannes met woorden van Jesaja wordt ingeleid. Zelf profileert Johannes zich als voorloper van Christus in 3:15-17.

vers 77: ‘geven’, hier niet van God (als in vers 74) maar van Johannes gezegd. Hij geeft niet het heil zelf maar, via zijn profetisch spreken, ‘kennis van heil’. Hij laat Israël zien waarin hun behoud ligt. In de eerste plaats ligt dat in ‘de vergeving hunner zonden’. Daarin wordt, na afdwaling en vervlakking, de rechte relatie met God hersteld. In hoofdstuk 3 predikt Johannes de doop der bekering tot vergeving van zonden’ (vers 3).

Vers 78 geeft de grond van de vergeving aan. Die ligt in ‘de innerlijke barmhartigheid, van God. Letterlijk staat er ‘door de ingewanden der ontferming (d.w.z. ‘de ontfermende ingewanden) van onze God’. Deze drastische manier van spreken gaat terug op de oudtestamentische profetie; vergelijk Jeremia 31:20: ‘Daarom rommelt Mijn ingewand over hem [Efraïm]’ (Statenvertaling). De meeste vertalingen vlakken deze drastische spreekwijze af. De NBG-vertaling geeft weer: ‘Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd’. In de lofzang durven beide vertalingen een letterlijke weergave van de ‘ingewanden’ niet aan. Jammer, omdat juist dat woord een prachtige en inleefbare vertolking van Gods ontferming geeft. Zoals je door de ellende van een ander in je ingewanden geraakt kunt worden, zo raakt de menselijke situatie God, en Hij rust niet voordat zijn ontferming ook gestalte krijgt. Dat gebeurt in de komst van de ‘Opgang uit de hoogte’, een naam voor de Messias. Het beeld is dat van een zonsopgang, het doorbreken van licht in de duisternis. Men denke daarbij aan het ‘opgaan’ van de ‘zon der gerechtigheid’ in het vierde hoofdstuk van Maleachi (vers 2), een hoofdstuk waarop in verband met de persoon van Johannes steeds teruggegrepen wordt (vgl. eerste adventszondag, bij vers 17). Het Griekse woord is ook te vinden in de Septuaginta, in Zacharia 3:8,6:12 en Jeremia 23:5 waar het dient als vertaling van het Hebreeuwse sèmah, ‘spruit’, ook een messiaanse naam. In de lofzang houde men zich aan het beeld van de zonsopgang, waarbij het volgende vers aansluit. ‘Uit de hoogte’ geeft de goddelijke herkomst van de Messias aan. Voor het ‘omzien’ zie vorige zondag, bij vers 68. Hier leidt omzien rechtstreeks tot opzoeken, in Jezus Christus.

Vers 79: ‘beschijnen’ sluit aan bij het voorgaande. ‘Die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods’, tekent de situatie waar Israël zich in bevindt, en daarmee ook de menselijke situatie. Duisternis betekent dat men geen begaanbare weg voor zich ziet. Men is dan ook ‘gezeten’, men gaat niet. ‘Schaduw des doods’ duidt de bedreigdheid aan van het menselijk bestaan. De beelden grijpen terug op de oudtestamentische profetie, bijvoorbeeld Jesaja 8:23-9:1. In die situatie weet de mens niet welke weg men heeft te gaan, het antwoord op de meest elementaire levensvraag: ‘Wat moeten wij dan doen?’ – zoals die later aan Johannes zal worden gesteld (Lucas 3:10). Een vraag vanuit de duisternis. Het licht dat doorbreekt in de komst van de Messias en dat straalt in het evangelie, verandert de menselijke situatie: ‘Om onze voeten te richten op de weg des vredes’. Het ‘gezeten’ zijn wordt nu tot een gaan, en wel op een weg waar de ‘vrede’, de heilzame nabijheid van God wordt ervaren. Wat dat inhoudt mag niet wazig blijven. De ‘weg des vredes’ wordt concreet getekend in de antwoorden die Johannes later geeft aan de mensen die vragen wat zij moeten doen (Lucas 3:10-14). Wie heeft, moet delen met wie niet heeft. De tollenaar mag zijn positie niet gebruiken om zichzelf te verrijken. Evenmin als de militair zijn macht mag gebruiken voor plundering of afpersing. Wie van Gods ontferming leeft, draagt ook iets daarvan in zijn eigen ingewanden ten opzichte van zijn medemens. Een vast thema bij Lucas; vergelijk de Samaritaan die ‘in zijn ingewanden geraakt’ is door het lot van zijn medemens (10:33), en het optreden van de gevangenbewaarder in Filippi die als hij gedoopt is, de wonden van zijn gevangenen wast (Handelingen 16:33).

Aanwijzing voor de prediking

Bij het spreken over Gods ontferming laten zien dat de menselijke ellende God raakt, Hem in beweging brengt. God ‘ziet’ onze ellende en ‘begeeft zich’ naar de wegvluchtende mens om hem te troosten en heil tot stand te brengen (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 17). Bij ‘de weg des vredes’ vooral concretiseren, via de antwoorden die Johannes in 3:10-14 aan de verschillende groepen mensen geeft. De rechtschapen ambtenaar die zorg voor zijn medemensen heeft, de gewetensvol optredende militair krijgen hun plaats in het evangelie.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 23, 86, 138; LB 67, 124. Naast Gezang 67 blijft de oude Lofzang van Zacharias (Gez. C, Bundel 1938) van waarde om de innigheid waarmee Gods ontferming daarin bezongen wordt.

< Terug